Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ijs - (bevroren water; bevroren melkgerecht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ijs zn. ‘bevroren water; bevroren melkgerecht’
Mnl. ijs ‘bevroren water’ in is [1240; Bern.], datsi thijs breken ‘dat ze het ijs (de ijslaag op het water) breken’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; nnl. ‘gerecht van bevroren vruchtensap’ in ys en sieraadjen voor het desert ‘ijs met versiering voor het dessert’ [1793; WNT], later ook van bevroren room en in navolging daarvan van bevroren limonade.
Os. īs (mnd. īs); ohd. īs (nhd. Eis); ofri. īs (nfri. iis); oe. īs (ne. ice); < pgm. *īsan (o.); on. íss (nzw. is ‘natuurijs’) < pgm. *īsaz (m.).
Er zijn geen verwanten buiten het Germaans bekend. De vroeger wel voorgestelde verbinding met Iraanse vormen als Avestisch aēxa- ‘vorst, ijs’ en isu- ‘ijzig’ is uiterst onwaarschijnlijk. Hoewel de structuur van pgm. *īsa- Indo-Europese herkomst niet uitsluit (de te reconstrueren stam zou dan pie. *h1eis-o- of *HiHs-o- moeten zijn), wijzen betekenisveld en de afwezigheid van zekere verwanten buiten het Germaans eerder op herkomst uit een Noord-Europese substraattaal. Vennemann (2003: 347) wijst nog op Baskisch izoz- ‘vorst, ijs’.
Voor een oude verkleinwoordafleiding van ijs zie → ijzel. Voor een schijnbare afleiding die echter een geheel andere etymologie heeft, zie → ijzen ‘beven van angst’.
ijsberg zn. ‘drijvende ijsmassa in zee’. Mnl. ijsberch in Dit ijs ... moruwede ende brac ontwee, ende daer si hoopten die ijsmaren, so lagen si oft ijsbergen waren ‘het ijs verweekte en brak in tweeën, en waar de ijskwelgeesten zich ophoopten, daar lagen ze alsof het ijsbergen waren’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. datter ijsberghen dreven, so groot als de soutbergen in Spangien zijn [1598; WNT verwonderen I], Willem Barentsz ... heefter zijn schip op de Ys-bergen laten staen [1612; WNT uiterst], ook ‘een met een ijsmassa (gletsjer) bedekte berg’ zoals bijv. in op een van de zeven grootste Ys-bergen ... wel drie uuren geklommen hebbende (over Spitsbergen) [1685; WNT zeulen], in die betekenis verouderd. Samenstelling met → berg 1. Aan het Nederlands ontleend is Engels iceberg ‘bergvormige ijsmassa op land’ [1774; OED], ‘ijsberg’ [1820; OED], waarin het tweede lid onvertaald is gebleven; volledige leenvertalingen uit het Nederlands zijn Duits Eisberg, Zweeds isberg, Deens isbjerg.
Lit.: Vennemann 2003, par. 10.2.2

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ijs* [bevroren water] {ijs, ise 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels īs, oudnoors īss; buiten het germ. avestisch aēxa [ijs], afghaans asai [vorst]. De uitdrukking (goed) beslagen ten ijs komen [goed voorbereid] is in letterlijke zin gezegd van paarden waarvan men de hoeven beslaat.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ijs znw. o. mnl. ijs, os. ohd. ofri. oe. īs (ne. ice), on. īss. — av. aēxa ‘vorst, ijs’, isu (< *is-sku) ‘koud’, osset. yex, ix ‘ijs’ (vgl. H. Kern Ts. 27, 1908, 46-47 en Specht, Idg. Dekl. 18). — Zie nog: ijzel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ijs znw. o., mnl. ijs o. = ohd. îs (nhd. eis), os. ofri. ags. îs o. (eng. ice), on. îss m. “ijs”. Verwant met av. isav-”ijzig, vorstig”, pâmirdial. îš “koude”, osset. yeχ, dial. “ijs, hagel”. De verdere combinatie met ksl. inĭjĭ “rijp” (*îsnijo-) is onwsch., alle combinaties met idg. verbaalwortels nog onzekerder.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ijs o., Mnl. id., Os. îs + Ohd. is (Mhd. id., Nhd. eis), Ags. ís (Eng. ice), Ofri. ís, On. íss (Zw. is, De. is) + Av. isav- = ijzig, Pamir îš = koude, Osset. yeχ = hagel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ies (zn.) ijs; Vreugmiddelnederlands is <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ijs (de, -), ijsje, ijsco, portie consumptie-ijs. Na ’t afloop kregen we een ijs (Alers 18). - Etym.: Kan opgevat worden als een verkorting van ijscream*. AN ijs (het) = (1) kristalijs (bevroren water), (2) SN ice-cream* (1). Zie ook: schaafijs*.

ijs-, indien gevolgd door de naam van een bederfelijk, eetbaar produkt, duidt op het feit dat dit produkt in gekoelde vorm is ingevoerd en evenzo wordt bewaard. De bekendste voorbeelden zijn ijsappel* en ijskool*. - Etym.: Het koelhouden geschiedde vroeger op ijs. Zie Enc.NWI 332.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ys I: s.nw. en ww., water wat gevries het; (as ww.) tot ys vries; Ndl. ijs (Mnl. ijs), Hd. eis, Eng. ice – Ndl. ijzen bet. egter “ys opbreek”, herk. verderop onseker; hieruit Ndl. ijzig, Afr. ysig, “koud”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ijs ‘bevroren water of room als lekkernij’ -> Jakartaans-Maleis ès ‘bevroren water of room als lekkernij’; Madoerees es ‘bevroren water of room als lekkernij’.

ijs ‘bevroren water’ -> Indonesisch és ‘bevroren water’; Atjehnees ie ‘bevroren water’; Boeginees êsé ‘bevroren water’; Jakartaans-Maleis ès ‘bevroren water’; Javaans ès ‘bevroren water’; Makassaars ês, êsé ‘bevroren water’; Menadonees èis, ès ‘bevroren water, sneeuw’; Minangkabaus es ‘bevroren water’; Muna esi ‘bevroren water’; Petjoh es ‘bevroren water’; Papiaments eis (ouder: ijs) ‘bevroren water’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo èisi, hèisi ‘bevroren water’; Aucaans eisi ‘bevroren water’; Saramakkaans eísí ‘bevroren water’ <via Sranantongo>; Surinaams-Javaans ès ‘bevroren water’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ijs* bevroren water 1240 [Bern.]

ijs* bevroren water of room als lekkernij 1793-1796 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

ijs, voor de definitie zie ice*.

De nieuwe drug, rookbare metafetamine, dat de straatnaam ‘ijs’ heeft meegekregen, veroorzaakt een veel langere euforie dan crack maar ook een veel diepere depressie. De psychologische gevolgen zijn naar verluidt veel erger. En in tegenstelling tot crack heeft men voor de produktie van ‘ijs’ geen grondstof nodig die over de grens moet worden gesmokkeld. Het kan zeer goedkoop gemaakt worden in kleine laboratoria, met dezelfde ingrediënten als ‘speed’ (amfetamine)... (De Morgen, 10/10/89)

op ijs zetten, uitstellen; tijdelijk stopzetten. Men kan iets, behalve op ijs, ook op sterk water of in de ijskast zetten. Vooral politici zijn dol op de op-ijs-metafoor: deze impliceert dat iets (een bepaald plan, project) niet uitgesteld, maar in tegendeel goed geconserveerd wordt.

Zowel de Europese Federatie van sportjournalisten, als de wereldorganisatie besloten tijdens hun vergadering in Boedapest hun benoeming van Krabbel tot sportvrouw even ‘op ijs te zetten’. (De Volkskrant, 02/05/92)
Mede door persoonlijke omstandigheden heb ik die plannen op het ijs gezet. (Elsevier, 11/05/96)

door het ijs zakken, in de sport gebruikt voor ‘verzwakken; een inzinking krijgen; meer algemeen ook ‘falen’. Opgekomen in het midden van de jaren tachtig, vnl. onder wielrenners.
Breukink was door het rijden van een te groot verzet definitief door het ijs gezakt en bevond zich na zijn verlies van 1“04’ op de derde plaats in het klassement op 2”06’ van Hampsten. (Wieler Revue, 24/06/88)
In de tijdrit van zondag, constateerde Gisbers een ‘neergaande curve bij de diverse kanshebbers’. Ik voorzie dat er vedetten door het ijs gaan zakken. (De Volkskrant, 18/07/89)
Hij zette altijd een paar oogkleppen op en rammen maar. Bij de amateurs kun je zo nog een heel eind komen, maar bij de profs zak je door het ijs. (Vrij Nederland, 26/05/90)
Een paar dagen later verklaart Michels, voor wie de ‘drie van Milaan’ menselijk gezien door het ijs zijn gezakt, dat Van Basten zijn excuses heeft aangeboden. (Het Parool, 29/12/90)
Men schijnt zich overigens nu wel zorgen te maken over de werkgelegenheid in die industrie. Ook in die zin lijkt men een beetje door het ijs te zakken. (HP/De Tijd, 08/02/91)
Rooks is door het ijs gezakt, ik kan het niet anders zeggen. (Vrij Nederland, 27/07/91)
De rocksterren van de jaren ’70 waren David Bowie, Keith Richards en Lou Reed. Bowie is al jaren geleden door het ijs gezakt. (Nieuwe Revu, 28/05/92)

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

992. Het ijs breken,

d.w.z. de eerste moeilijkheden uit den weg ruimen. ‘Dit zegt men van ymand, die eerst den weg baant, door de beletselen weg te ruimen. 't Is ontleent van die een vaarweg door 't ys openen’ (Tuinman I, 141). De uitdrukking is derhalve ontleend aan het stuk breken van het ijs door een schipper, waardoor het vaarwater open wordt, en ook anderen kunnen volgen; vandaar in overdr. zin: voorgaan, den eersten stoot tot iets geven; ook ‘een pijnlijk stilzwijgen of de stijfheid en gedwongenheid tusschen eenige personen doen ophouden door een noodzakelijk maar netelig gesprek te beginnen’. Zie Sart. III, 6, 73: Scindere glaciem. Het spit voor af bijten. Een gat in een dingh vinden. Aperire viam significat et in incipiundo negotio priorem esse. Translatum a nautis, quorum unus aliquis praemittitur, qui flumine concreto glaciem perrumpat, reliquisque viam aperiat; voor bewijsplaatsen uit de 18de eeuw, Van Effen's Spect. XI, 90; Sewel, 973: Het ys breeken, to break the ice, to beat the way; Halma, 236: Het ijs breeken, iets eerst doen, commencer quelque chose le premier, vaincre les premières difficultés; vgl. verder Ndl. Wdb. III, 1245; VI, 1413; in het fri. iisbrekker, baanbreker; fr. rompre la glace; hd. das Eis brechen; eng. to break the ice.

993. Zich op glad ijs wagen,

d.w.z. zich wagen op een gevaarlijk terrein, waar men niet vast staat; waar men niet zeker is van zich zelven: een onderwerp bespreken, waarvan men niet op de hoogte is; of wel: ongepaste, dubbelzinnige dingen zeggen. Vgl. mlat. qui currit glaciem, se monstrat non sapientem; Hooft, Brieven, 256: In plaats van haar eigen heer ende meester te zijn, zal zijne Ed. duizentderley' wederwaardigheeden van meesters en knechts moeten dulden, ende in suiker opeeten, om zelf tot eenige merkelijke vorderinge te geraaken, ende, die verworven hebbende, altijdts op een gladt ys staen. Zie ook Winschooten, 91; Halma, 236; Sewel, 973: Hy staat op een glad ys, he stands on a slibbery ice, i.e. he is in a slibbery condition; het Ndl. Wdb. V, 3; VI, 1413; Wander I, 800: sich auf dünnes Eis wagen (vgl. bij Couperus, Eline Vere I, 202: zich of dun ijs wagen) en vgl. nog fri. hy jowt him (begeeft zich) op glêd iis.

994. Op oud ijs vriest het licht.

‘Dat wil zeggen, daar noch eenig overblyfzel, en geschiktheid tot iets is, kan dat lichtelyk weder opgewekt en hervat worden. By voorbeeld, een vonkje van oude liefde, haat, enz.’ (Tuinman, II, 60). Bij Campen, 45 vinden we vermeld: op oldt ys vriestet lichtelick weder (Spreuken, 22), dat in beteekenis overeenkomt met oude veete lichtelick verniewt, l'eaue une fois eschauffee prend plutost la gelee (Goedthals, 89). Zie verder Spieghel, 280; Smetius, 50: Op een oud ijs rimpelt het lichtelijck; 36: Het vriest licht op een oud ijs, facile recalefacit qui ante caluit amor; 13: Op een doey ysken vriest het licht; Cats I, 537: Het rijpt haest op een out ijs; C. Wildsch. VI, 239; Harreb. I, 539; Zondagsbl. v.h. Volk 1905 p. 160: Toen zwolgen ze jenever. ‘Op oud ijs vriest het licht’ en Kees had 'm al heel gauw weer staan. In het Friesch: op âld iis friest it fûl (fel); as 't op âld iis friest, is 't gau sterk, wordt eene afgebroken vrijerij op nieuw aangeknoopt, dan volgt het huwelijk spoedig; oostfri.: up old is friist 't licht (Eckart, 97); Joos, 205: op oud ijs rijmt (of vriest) het licht. Syn. is: eens gebrand haast gevlamd; vgl. Goedthals, 122: ghebluschten brant ontsteect saen; Wander II, 748: angebrannt Holz geht bald wieder an, von verwitweten Personen.

995. Men moet niet over ijs van één nacht gaan,

d.w.z. men moet niet te spoedig handelen, doch zich eerst eens bedenken; niet iets ondernemen zonder waarborgen van slagen. Evenmin als ijs van één nacht ‘daer geen balcken onder zijn’ (Poirters, Mask. 223Vgl. Waasch Idiot. 303 a: Tijs is een zolder zonder rebben en die er deurvalt, zal er van hebben; Wander I, 799: das Eis hat kein Balcken. te vertrouwen is, kan men handelen naar een eerste meening; bij nader inzicht kon die wel eens blijken op geen goede gronden te berusten. Vgl. in de 16de eeuw, Sp. der Minne, 32 v: Die tbetuyghen der ooghen acht, die timmert op het ijs van eender nacht; Anna Bijns, Refr. 49: Siet toe en timmert op geen bevende ijs. Zie verder Sart. II, 2, 25, waar hy gaet met de eene voet in het graf gelijk gesteld wordt aan hy is een nachts ijs, dus: hij is broosch; Harrebomée III, 238 b; Ndl. Wdb. VI, 1412; Het Volk, 14 Jan. 1914, p. 2 k. 3: Zij heeft niet over ijs van één nacht willen gaan, en heeft gewikt en gewogen, en nòg eens; fri. hy stiet op iennachts iis, zijn onderneming heeft veel kans van te mislukken.

996. Beslagen ten ijs komen,

d.w.z. goed toegerust zijn; voorbereid zijn op iets, of zooals men vroeger ook zeide zijn stukken goed op het bord (schaakbord) hebben. Bij Win-schooten, 91 lezen we aangaande den oorsprong dezer spreekwijze: Wel beslaagen ten ijs koomen: werd eigendlijk gepast op de Paarden en andere Dieren, die op het ijs niet wel en souden kunnen stappen, en trekken: soo sij niet van scharpe Hoef ijzers voorsien waaren: oneigendlijk: sijn stukken klaar hebben, en wel op sijn hoede syn’In de Gew. Weeuw. III, 7: Wel geleerst en gespoort ten Ys komen. Zie Zeitschrift für den deutschen Unterricht XXVII, 233-238; 433-437.. Vgl. Paffenrode, 101: Beslagen ten ijs treden; Halma, 236: Wel beslagen ten ijs komen, zijne stukken klaar hebben, wel op zijne hoede zijn, être ferré à glace, être bien préparé sur une matière; het hd. gut beschlagen sein; het fr. c'est un homme bien ferré; c'est un homme ferré à glace; het fri. me moat net ûnbislein op 't iis komme. In het Vlaamsch beteekent de uitdr.: handelen met vooruitzicht (Joos 99; 117).

1189. Met de klompen op het ijs of in 't gelag komen,

d.w.z. onvoorzichtig handelen, niet goed beslagen ten ijs komen, zich wagen op een terrein, waar men niet thuis hoort; zich op domme wijze verpraten. Ook in Groningen: men mout nijt mit de klompen op 't ies komen (Taalg. V, 161); volgens Joos, 101, eveneens in Vlaanderen: met zijn blokken op 't ijs komen. De zegsw. komt in de 18de eeuw voor in W. Leevend I, 2; Br. v. Abr. Bl. II, 53 en Janus, 140: Blijf jij met je klompen van 't ijs; Harreb. I, 359, In het Oostfri. kent men mit klumpen in 't gelag komen in den zin van: met de deur in huis vallen; anderen in de rede vallen (Ten Doornk. Koolm. II, 286 a; Dirksen I, 52), dat ook bij ons niet onbekend is doch in anderen zin, waarvoor men vroeger zeide ergens zijn knoet in slaan (Halma); evenzoo in 't Gron. en Friesch in den zin van: door een toeval of uit onvoorzichtigheid in verlegenheid geraken, en deswege bespot worden (Molema, 206 b). In 't Friesch: hy komt mei de klompen yn 't spul, zegt plomp zijn meening, dat syn. is van met de klompen in 't gelag komen of loopen; zie Handelsblad, 14 Maart 1920, p. 1 k. 1; Nkr. VI, 15 Juni p. 4: En Kuyper in ‘De Standaard’ loopt ook maar met de klompen in 't gelag.

1036. Op St.-Jut(te)mis (als de kalveren op het ijs dansen),

d.w.z. nooit (zie o.a. de Kron. van Roerm. bl. 161 (ao. 1577Aangehaald in Ndl. Wdb. VII, 581.); Pasquilm. blz. 14; Tuinman I, 22), tateldage, zooals men in West-Vlaanderen zegtTaal en Letteren X, 336; Loquela, 477.. St.-Jutte is een niet voorkomende, verzonnen heilige. Het laatste gedeelte der spreekwijze is er komisch aan toegevoegd (vgl. nog Halma, 249: Dat zal te St.-Jutmis gebeuren) en wordt afzonderlijk aangetroffen bij Servilius, 206 (ook Mergh. 2), alwaar het gelijk gesteld wordt aan als de catte ganzen eyer leggen en aan als daer twee sondagen in een week comen (vgl. ook Goedthals, 116). De mogelijkheid is ondersteld, dat met St.-Jut(te)mis de gedenkdag der heilige Judith wordt bedoeld, daar in de middeleeuwen Jutte de liefkoozende vorm was van Judith. Deze gedenkdag valt op 17 Augustus, zoodat het begrip nooit dan wordt uitgedrukt door als de kalveren op het ijs dansen en dergelijke, dat zeker op dien datum niet kan geschieden (zie het Mnl. Wdb. III, 1081Nog andere verklaringen vindt men in Ter Gouw, Volksvermaken, 190 en Com. Vet. 21. Vercoullie, 123 meent dat met St. Jut de pausin Johanna bedoeld wordt.). In de 17de eeuw (V. Moerk. 278) en ook nu nog (Nkr. I, 26 Mei, p. 2: O, Heilige Juttemis, wat zal er, nu gebeuren) komt Sint Juttemis (Juttemus) voor, als uitroep van verbazing, maar ook als schertsende benaming voor een dwazen, armen, berooiden vent, o.a. in den Bloemhof, 2de druk, bl. 27, waar staat: ‘Sinte vrou lors (een slordig wijfNdl. Wdb. VIII, 2942; VII, 582.) die was de bruyt, men sachse sint Jutmis trouwen’, aan welke bet. eveneens herinnert de uitdr. ‘het liedje van St.-Jutmus zingen’, gezegd van iemand, die in een onaangenamen toestand verkeert, er leelijk inzit (Rusting, 460; 482; 486). Daar in de 17de eeuw (en ook later) een jut een dwaas beteekent (bij Huygens VII, 318 heet eene vrouw malle Jut; in het mnd. bet. mal Jutte, albernes frauenzimmer, en Woeste noemt Jutte, Jütgen, Judith ein verachtname eines frauenzimmers, das sich durch körpergrösse, lebhaftigkeit auszeichnet) zal men wel aan eene schertsende afleiding van dit woord moeten denken en in St.-Jutte een der etymologische heiligen kunnen zien, wier aantal niet gering isZie Dr. Bl. I, 9; Tijdschrift XVIII, 196-197; Taal en Letteren II, 173 vlgg.; mnl. Sinte Allene en vooral A. de Cock, De Volksgeneeskunde in Vlaanderen, 39, 49, 78, 79, 170, 311 en vgl. nog Sinte Vreetop (in Harreb. II, LXXVIII; Prol. 55); St. Brandarius (in Tijdschr. XXX, 70); Sinte-Patie (sympathie; Volkskunde XXIV, 159); Sint Luiaars, Sint Noywerc, Sint-Reinuit (Ndl. Wdb. III, 387); Sinte Koe (Harreb. II, LXXVIII); Sint-Juin (schijn heilige weet niet (Tuinman II, 78); Sint Jummer = immer (Ndl. Wdb. VII, 550); Sinte Pieterceli (Huygens, Trijntje Corn.), enz.. Varianten van deze spreekwijze zijn bij ons: Als alle uwe vingeren even langh zijn; als de keyser op den kordewagen compt (Smetius, 250); als Paschen en Pinksteren op één dag vallen; als Paschen op een maandag valt; met Joden-HemelvaartsdagN. Taalgids XIV, 250.. In Zuid-Nederland: als Paschen op n'en Vrijdag komt; in 't jaar één als de uilen preeken; als witte-donderdag zwarte donderdag heeten zal; als de maan drij teuten heeft; als 't geld regent en boonen waait; als er twee zondagen in de weke komen (Joos, 98); in 't jaar blok als de uilen kraaien en de koeien met patijnen gaan (De Bo, 152); als Paschen op tuindag komt (De Bo, 1195); als de klaveren uit het veld zijn (Rutten, 114); as Paschen in de kriekeweek, in de goeiweek komt (Tuerlinckx, 495); Piele Paschen als de kalver op het ijs dansen ('t Daghet XII, 142); in 't jaar pijpekop, het jaar tabak, het jaar der kinderen (Ndl. Wdb. VII, 23). In het Nederduitsch: as Poaske en Pinkster op ijn dag komen; as Poaske op Soaterdag komt, en de kalver op 't ies dansen; tin Oulen pingsten, wann de Bocke up dem Eise dansset; I Ulenpinksten, wan de kràjjen op 'm uise danset; as 't hoi bloit (Taalgids IV, 248); dat kümmt up lüttje Nümmerdag, wenn de Kalver up 't Is danzet (Eckart, 281; Reuter, 80 en Ten Doornk. Koolm. II, 159 b); to Pingsten, wenn de Mücken pissen un de Pieratz (Regenwürmer) blaffen (Eckart, 406); wenn Pingsten up 'n Frêdag fallt (Eckart, 406). In het Friesch: as der saun sneinen ien 'e wike komme (als er zeven zondagen in een week komen); maar ook: op Sint-Jutmis of Sint-nindei, as de keallen op 't iis dounsje; yn 't jier fen trijebotsens do't de nochteren keallen op 't iis dounsen of do't de kikkerts in de tsjerkerie bileinen. In het eng.: on St.-Tib's ave; when two Fridays come together; at the Greek calends; at latter Lammas (andere bij A. Burvenich, Engl. Idioms and Colloquialisms, 33. In het Fransch: aux calendes grecques (een vertaling van het Latijn: ad calendas Graecas, zooals keizer Augustus placht te zeggen); si le carême dure sept ans; cela arrivera la semaine des trois jeudis, quarante jours après Jamais (zie Halma, die aldus dat zal te St.-Jutmis gebeuren vertaalt); à la foire de saint Jamais; quand les poules pisseront ou auront des dents; le trent - six du mois. In het Hoogduitsch is de gewone uitdr.: zu Pfingsten auf dem Eise of am Nimmermehrstag (Tuinman I, 351: te Sint Nimmermeer), wenn die Esel Lateinisch reden, waarnaast vroeger nog vele andere zegswijzen bestonden; zie Borchardt no. 925; Wander I, 905 en Suringar, Erasmus, IV.Dr. H.H. Knippenberg wil aan St. Juttemis de beteekenis toekennen van het narrenfeest, het carnevalsfeest en de uitdr. verklaren als: in den tijd dat de gekken baas zijn, een zeer korten tijd, zoo goed als nooit of wel als ik eens zoo dwaas ben om aan de vastenavond-vermaken deel te nemen: zie Bijblad (bl. 53-55) van het Tijdschrift voor Opvoeding en Onderwijs, 10 Oct. 1913.(Aanv.) Zie nog voor 't Fransch Nyrop, Gramm. Hist. IV § 409 en 457 en vgl. voor St. Luiaars het Ndl. Wdb. VIII, 3201 en bijvoegsels en verbeteringen VIII b.(Aanv.) Zie nog voor 't Fransch Nyrop, Gramm. Hist. IV § 409 en 457 en vgl. voor St. Luiaars het Ndl. Wdb. VIII, 3201 en bijvoegsels en verbeteringen VIII b.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ei-s-2, ei-n- ‘Eis, Frost’

Av. isu- ‘eisig’, aēxa- n. ‘Kälte’, pāmir. īš ‘Kälte’, osset. yex, ix ‘Eis’, afghan. asai ‘Frost’ (ob aus Inchoativbildung *is-sk̑-?; anders Specht Dekl. 18, 201, 234);
anord. íss, Pl. íssar m. ‘Eis’, ags. îs n., as. ahd. mhd. îs n. ‘Eis’;
bsl. *ini̯a- m. und *īnii̯a- m. ‘Reif’ in ksl. inej, inij ‘Schneegestöber’, russ. ínej m. und ačech. jínie n. ‘Reif’, lit. ýnis m. (auch fem. i-St.).

WP. I 108, Trautmann 104.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal