Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

iembijter - (vogelnaam)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Iembieter Iempikkertje Volksnamen in Groningen voor de Koolmees, overeenkomend in betekenis met de friese volksnamen Bijbiterke en Bijenfretertien ↑ [VPG p.50, 324]. Iem betekent namelijk ‘Bij’ (het insect). Ook bestaat de volksnaam Bijmees ↑. [Vgl. N iemker, imker <mnl immecare (= Bijenkorf).]
Het ww. bite ‘bijten’ = pikke = frette ‘vreten’, in dit geval.
ETYMOLOGIE Iem: iem, ieme, iemen, im zijn noordoostN en noordlimburgse woorden voor ‘Bij, Bijenzwerm, Bijenvolk’; mnl imme, îme; D (vooral nederduits; sedert Luther in het hoogduits Biene) Imme ‘Bij’ <mhd imme, imbe, imp ‘Bijenvolk, Bijenzwerm’ <ohd imbi, impi; oudengels imbe. Misschien verwant is Gr ἐμπίς empís ‘(Steek)mug’; vgl. Empidonax = Am Flycatcher), wat niet uitsluit dat de meest waarschijnlijke oerbetekenis van het woord was: ‘menigte, zwerm’ (ook Muggen vliegen in zwermen); oudiers imbed ‘menigte’ wordt dan ook als verwant aangemerkt. <Idg *embh- ‘(nevel)wolk’ [NEW 1992; Weijnen 1996; vDE 1993]. [Zie ook Imerke en Iemken (= Huiskrekel) sub Reidimerke.]
Als men ervan uitgaat dat allerlei soorten insecten (in hun verschillende stadia van larf of imago) overeenkomende en/of verwante volksnamen kunnen dragen, zijn er nog meer verwante woorden: alle (oudere) namen voor ‘Mier’, zoals emt, empt, empe, emte [VK c.1618], <mnl amete, eemt, eemte; E ant (ook: emmet) <middelengels amet, ampt <oudengels aemette; D Ameise <(Luther!) emmeis (>emsig ‘ijverig’) <ohd ameiza <westgerm *amaitjon <germ *maitan ‘snijden, afhouwen’ (Mieren snijden met hun kaken hout- en plantendelen af!) (ook: oudnoords meita ‘snijden’); D Meissel ‘bijtel’. Fries eamel, eamel(d)er ‘Mier’ suggereert dat ook N Emelt ‘larve van de Langpootmug Tipulidae’ tot de ‘Miergroep’ behoort. [Vgl. mnd amelte, emelte ‘larve’; oudengels emel, ymel ‘Rups’.] Dit leidt tot de vee’ziekte’ aamt (fries aam, aem (fysiologisch), wylde aam (pathologisch)), een zwelling van de uier, die men “mogelijk toeschreef aan wormen of larven” [NEW 1992], waardoor dit woord goed overeenkomt met noors aame, ouddeens omme en zweeds (dial.) åma ‘made, larve’. Het element aam lijkt ook aanwezig in de ‘ziekte’ aambeien (waarin beien ‘bessen’, vgl. Aardbei), wat door NEW 1992 niet (h)erkend wordt, omdat de oudste vindplaats (1485 [Sijs 2001]) mnl aenbeye vermeldt. Aambei is hieruit ontstaan door assimilatie van de n. Aen-beye zou echter eerdere dissimilatie of hypercorrectie kunnen hebben ondergaan, waarmee het eerste deel toch weer op *aem komt. Fries aam zou wat de m betreft in zijn oorspr. vorm kunnen zijn gebleven. Aangezien de VK sub aen-beye naar “spene” verwijst (en naar “aen-bey-vloed. i. spenen-vloed”) is het hier bedoelde verschijnsel vergelijkbaar met ‘aambeien’ en zijn beide woorden etymologisch identiek. Qua betekenis komen ook fries wylde aam ‘knobbels aan de uier’ en aambeien ‘knobbels aan de anus’ goed overeen.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal