Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ieder - (elk, elkeen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ieder vnw. ‘elk, elkeen’
Mnl. van jeder marc naast op hetzelfde blad van elc marc [1366, Gent; MNW marcgelt], van ieder liede ‘van iedereen’ [1350-1400, West-Vlaams; MNW-R], yeder here ‘elke man’ [1436, Gelre; MNW machtich], ieder gestreeken vaet ‘ieder afgestreken vat’ [1450-1500, Limburg; MNW gestreken]; vnnl. buigings-e bij bijvoeglijk gebruik voor de-woorden pas vanaf de 17e eeuw: yedere Stad [1654; WNT uitleveren]. Zelfstandig gebruikt: mnl. yeder ‘elkeen’ [1368, Holland/Zeeland; MNW reep].
Oude West-Germaanse samenstelling. Het eerste lid correspondeert met onl. io ‘altijd’ [10e eeuw; W.Ps.], mnl. ie ‘altijd, ooit’, en is hetzelfde als in → iemand, → iets, → immer, → ergens, in → ooit (dat ie al in de 16e eeuw verving) en in diverse andere Middelnederlandse voornaamwoorden, zoals iegelijc ‘elk’, iegeren ‘ergens’, iewaer(s) ‘ergens’. Het tweede lid correspondeert met het voegwoord onl. wether [ca. 1100; Will.], mnl. weder ‘of’, dat een vragende bijzin met twee mogelijkheden inluidt. De betekenisontwikkeling is dan geweest van ‘onverschillig wie van beiden’ via ‘elk van beiden’ naar ‘elk van allen’. Ook in iemand, iets, etc. betekent *ie- ‘om het even, onverschillig (wie, wat)’.
Bij onl. io: os. eo, io (mnd. ie, io); ohd. io, eo (nhd. je ‘ooit, weleens’); ofri. ā; oe. ā, ō; on. æ, ei, ey (> me., ne. aye in de uitdrukking for ever and aye); got. aiw; alle zowel ‘altijd’ als ‘ooit’; versteende verbogen vormen van pgm. *aiwō- ‘tijdperk’, zie → eeuw. Bij onl. wether: os. hwethar; ohd. hwedar (nhd. weder ‘noch’); ofri. hwether; oe. hwæðer (ne. whether); on. hvaðarr (nzw. var ‘elk’; nde. hver); got. hwaþar; < pgm. *hweþar, *hwaþar ‘wie of welk van beide(n)’.
De samenstelling ieder heeft alleen parallellen in de West-Germaanse talen, in sommige gevallen met voor het tweede lid een optioneel voorvoegsel, dat met → ge- ‘samen’ correspondeert: os. eogihweðar (mnd. īder); ohd. iogi(h)wedar, io(h)wedar (mhd. iegeweder, ieweder, ieder; nhd. jeder); ofri. ahwedder; oe. āhwæðer, æghwæðer (ne. either).
Mnl. weder is verwant met Oskisch pútúrúspid ‘beiden’, Latijn uter (met wegval van de beginvelaar) ‘wie of wat van beide(n)?’; Grieks póteros ‘id.’; Sanskrit katará- ‘id.’; Litouws katras ‘id.’; Oudkerkslavisch kotorŭ(i) ‘welke’ (Russisch kotóryj, Tsjechisch který, Sloveens kotéri); < pie. *kwotero-, afleiding met het comparatiefachtervoegsel *-tero (IEW 37), zoals in → ander, van de vragend-voornaamwoordelijke wortel pie. *kwe-, zoals o.a. in → wie en ablautend in → hoe.
Dit woord is in het Middelnederlands nog zeldzaam; de gewone vorm was elc, zie → elk. Omdat Kiliaan ieder “Duits, Saksisch, Rijnlands en Hollands” noemt, wordt aangenomen dat het woord zich heeft verspreid vanuit het oosten, waar elk minder gewoon was; ook in het Middelhoogduits bestond al de vorm ieder. De weinige Middelnederlandse vindplaatsen zijn echter al over het hele taalgebied verspreid. Dat sluit oostelijke herkomst overigens niet uit. De verbreiding is wellicht al oud, maar ieder zal nog lang als vreemd woord zijn beschouwd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ieder* [elk] {yderman 1477, ieder 1573} een duits of althans oostelijk woord, vgl. middelnederduits i(e)der, middelhoogduits ieder (hoogduits jeder), vgl. ook middelnederlands jegedage, iegedage [iedere dag], oudsaksisch iahwethar, oudhoogduits iowedar, oudfries āhwedder, oudengels āhwæðer (engels either) [één van beiden, elk van beiden]; ieder is een samenstelling met een eerste lid middelnederlands ie [ooit, altijd], oudnederlands io, oudsaksisch, oudhoogduits eo, io, oudfries ā, oudengels ā, ō, oudnoors æ, ei, gotisch aiw [altijd, ooit] (vgl. eeuw) + een tweede lid oudsaksisch hwethar, oudnoors hvárr, hváotarr, gotisch hwaþar [wie van beiden], verwant met grieks poteros, litouws katras [wie van beiden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ieder voornw., Kiliaen vermeldt ider als Germ. Sax. Sicamb. Holl. Het woord is inderdaad onder oostelijke, misschien duitse invloed opgekomen, vgl. mhd. ieder (nhd. jeder). Naast mhd. ieder staan ook ieweder, iegeweder, vgl. ohd. iowedar, eohwedar, eogiwedar, os. iahwethar, ofri. ahwedder, oe. āhwæðer, æghwæðer (ne. either) ‘een van beiden; elk van beiden’.

Het 1ste lid is mnl. ie, onfrank. io, os. eo, io, ohd. io, eo (nhd. je), ofri. ā, oe. ā, ō, on. æ, ei, ey, got. aiw zowel ‘altijd’ als ‘ooit’; eig. een nv. van het germ. *aiwa-, waarvoor zie: eeuw en dat verder voorkomt in woorden als iegelijk, iemand, iets, immer, en ooit. — Het 2de lid is os. hwethar, ohd. hwedar of abl. ofri. hwether, oe. hwæðer, on. hvaðarr, hvārr, got. hwaþar ‘wie van beiden’. In het mnl. nog bewaard in verbindingen wedernoch ‘noch — noch’ en wederso ‘hetzij — hetzij’, vgl. ook onfrank. wether ‘numquid’. — Het got. hwaþar beantwoordt aan gr. póteros, kóteros, oi. katara-, lit. katras ‘wie van beiden?’, osl. kotorŭ ‘wie?’, osk. poterei pid ‘in utroque’. Een -tero-afl. van de pronominaalstam *ke:ko, waarvoor zie: wie.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ieder onbep. vnw. en onbep. telw., bij Kil. vermeld, die ’t “Germ. Sax. Sicamb. Holl.” noemt en ook den vorm ider opgeeft. Ook Teuth. yder. Onder du. resp. oostndl. invloed opgekomen: = hd. jeder, mhd. ieder, ouder iewëder “ieder”, ohd. iowëdar “ieder van beiden, ieder”, os. io-, iehwëthar “elk van beiden”; ofri. âhwedder, ags. âhwæðer, â(w)ðer “een van beiden” [NB. ohd. eogiwëdar, os. gaihwëthar, ofri. iâhweder en êider, âider (uit *aiw-gi-hwedar verklaard), ags. æ̂ghwæ̂ðer, æ̂gðer (eng. either) beteekenen alle “elk van beiden”]. Het eerste lid = mnl. ie, onfr. io, ohd. io, eo (nhd. je), os. eo, io, ofri. â, ags. â (ô), on. æ̂, ei, ey, got. aiw, in sommige talen “altijd”, in andere “ooit”, in andere in beide beteekenissen, een casus (acc.) van ’t bij eeuw besproken znw. *aiwa-, -i-; zie iegelijk, iemand, iets, immer, ooit. ’t Tweede lid is got. hwaþar, on. hvârr, ofri. hwed(d)er, hwether (of met ë?), ags. hwæðer “wie van beiden” resp. ’t daarmee ablautende ohd. hwëdar, os. hwëthar “id.”, dat mnl. nog in wēdernoch “noch — noch”, wēder “’t zij — ’t zij” e.dgl., onfr. als wëther “numquid” (vgl. voor de bet. eng. whether) voorkomt. Got. hwaþar = gr. póteros, oi. katará- “wie, welke van beiden”, obg. kotorŭjĭ, koterŭjĭ “wie”, lit. katràs “welke, welke van beiden”, niet = lat. uter “welke van beiden”, tenzij dit een vervorming is; wel hierbij osk. pútereípíd “in utroque”, umbr. podruhpei bijw. “utroque”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ieder bijv., Mnl. id., Os. io-hwethar + Ohd. eo-weđar (Mhd. ieder, Nhd. jeder), Ags. á-hwœđer en æ'ghwœđer, d.i. á-ge-hwœđer (Eng. either), Ofri. á-hwedder, eigenlijk = 1. wie ook van beiden, 2. elk. Het is een samenst. met Mnl. ie wanneer ook, altijd, Os. eo + Ohd. eo, Ags. á (Eng. aye), Ofri. á, On. ǽ, Go. aiw: een versteende naamval van eeuw (z.d.w.), en *weder, Mnl. bijw. weder (= of), Os. hwether + Ohd. wedar, Ags. hwœđer, Ofri. hwedder, On. hvárr, Go. ƕaþar = wie van beiden + Skr. kataras, Gr. póteros, Osl. kotorŭjǐ: een comparat. van wie met Idg. suff. -ter- (z. hinder, achter en weerskanten).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ieder (Duits jeder)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ieder. Dit woord bevat in zijn eerste lid het thans verdwenen bijw. van tijd ie, dat feitelijk ’t bijw. is van een z.n.w., ’t welk in ’t Got. aiw-s luidde (de s is 1e naamvals-uitgang) en dat eeuwige tijd, te allen tijd bet. (ons „eeuw” herinnert er nog aan). Dit ie kreeg de bet. van: onverschillig welken tijd, onverschillig wanneer; immers als iets eeuwig is, bestaat het te allen tijde, onverschillig welk oogenblik men neemt. Zoo schreef men nog ± 1555: „Beter dan al den wijn, die ye (= ie) op wijnstock ghewassen is.” Zoo kreeg ie in andere samenstellingen de bet. van: algemeenheid, onverschillig wie of wat. Dit is ook het geval in ieder, dat oorspr. bijv. in ’t Os. ieh wethar luidde; dit laatste lid bet. wie van beide. Ieder wilde dus oorspr. zeggen: onverschillig wie van beiden, en bij uitbreiding: onverschillig wie van allen; d.i. elk van hen: niemand uitgezonderd.
Ook in iegelijk komt bedoeld ie voor; het tweede lid gelijk bet. in sommige oude Germ. samenstellingen: elk, zoodat iegelijk bet.: elk, wanneer of waar ook; dus: onverschillig wie; elkeen.
Evenzoo is iemand (waarvan de d is toegevoegd; zie Arend, vgl. „Hi sach oft dar el yman ware” = iemand anders): een man, onverschillig wie het zij.
Ook in iets komt ie voor: het luidde oorspr. bijv. in het Os. eo-wiht, waarin eo = ie, en wiht = wicht, ding; zoodat het woord bet.: onverschillig welk ding. Dit iewiht werd verkort tot iet (bijv.: „Indien iet bij dwalinge gedaen is,...”), maar is later verdrongen door iets, op zijn beurt samengesteld uit iet-wes, waarin wes de 2e naamval is van wat, letterlijk: iet van wat. De vorm ietwat komt nog wel voor, evenals ietwes nog bij Bilderdijk: „willig d’eenen ietwes in.” (In ’t Hgd. is ons iets nog etwas.)
Evenzoo leeft in het dialectisch iewers het oude ie nog voort, het bet.: onverschillig waar, ergens. „Is er ievers een hofstede opengevallen?” (Streuvels.) Zie ook Immer.
De vormen niemand, niets en nieuwers zijn natuurlijk ontkenningen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ieder ‘elk’ -> Fries ider ‘elk’; Negerhollands ider ‘elk’; Berbice-Nederlands idri ‘elk’; Sranantongo ibri ‘elk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ieder onbepaald voornaamwoord 1573 [Plantijn] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal