Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hypnose - (kunstmatige slaap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hypnose zn. ‘kunstmatige slaap’
Nnl. hypnose ‘kunstmatige slaap’ [1887; Groene Amsterdammer], eerder al hypnosis “het inslapen” [1847; Kramers].
Internationaal wetenschappelijk neologisme, gevormd op basis van Grieks húpnos ‘slaap’ en het achtervoegsel -ōsis dat een toestand aanduidt. In het Nederlands ontleend via het Frans.
Húpnos is een erfwoord bij de wortel pie. *su(e)p- ‘slapen, dromen’. Verwant zijn, alle met een betekenis als ‘slaap, droom’ resp. ‘slapen, dromen’: pgm. *swef- (zie onder); Latijn somnus (Frans somme); Sanskrit svápnas, svapiti (ww.); Oudkerkslavisch sŭnŭ (Russisch son, Tsjechisch sen), sŭpati (ww.); Armeens kcun; Albanees gjumë. Daarnaast, bij pie. *seup-: Litouws sapnas ‘droom’; Oudiers sūan; Tochaars A špen, Tochaars B špane. Beide pie. wortels moeten wrsch. worden gezien als afleidingen van *seu- zoals in Grieks heúdein ‘slapen, rusten’.
In de Germaanse talen zijn uit de stam pgm. *swef- voortgekomen: onl. besueuit ‘in slaap gedompeld’ [10e eeuw; W.Ps.]; os. sweƀan ‘droom’ (met grammatische wisseling); oe. swefn ‘slaap’; on. svefn ‘slaap’, sofa ‘slapen’. Alleen in de Noord-Germaanse tak zijn daar hedendaagse woorden uit ontstaan: nzw. sömn, sova (ww.), nde. søvn, nijsl. svefn, nno. svevn, svemn.
Het klassiek Grieks had een bn. hupnōtikós ‘slaperig, betreffende de slaap’, ontleend door het Laatlatijn als hypnoticus. Op grond van deze woorden werd in het Frans in de 16e eeuw al een bn. en zn. hypnotique gevormd met de betekenis ‘slaapopwekkend (medicijn)’, dat later ook voorkomt als Engels hypnotic, maar toch weinig frequent blijft. De aanzet tot de huidige betekenis werd gegeven door de Britse arts James Braid (1795-1860), die in 1842 het woord neuro-hypnotism introduceerde voor een procedure om een persoon door middel van suggestie in een kunstmatige slaap te brengen; een jaar later worden bij hem ook de verkorte vorm hypnotism en de afleidingen hypnotic ‘hypnotisch’ en hypnotize ‘hypnotiseren’ geattesteerd. Het woord hypnose is jonger, en verschijnt in 1873 in het Frans ter aanduiding van de toestand die het gevolg is van hypnotiseren, ter onderscheid van hypnotisme ‘het hypnotiseren’. Toch wordt, in elk geval in het Nederlands, voor deze laatstgenoemde betekenis ook regelmatig hypnose gebruikt. Voor al deze woorden geldt dat ze met aanpassing van de uitgangen al vroeg ook in andere Europese talen voorkomen.
hypnotisch bn. ‘betreffende hypnose, in toestand van hypnose’. Nnl. in iemand hypnotisch maken [1887; Groene Amsterdammer], hypnotische en de gewone slaaptoestanden [1898; WNT Supp. autosuggestie].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hypnose [kunstmatige slaap] {hypnosis 1832, hypnose 1901-1925} < frans hypnose of < modern latijn hypnosis, van grieks hupnoō [ik doe inslapen, slaap in], van hupnos [slaap] (vgl. hypnobatie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hypnose znw. v., een in het begin der 19de eeuw gevormd woord van gr. hupnóein ‘inslapen’.

Thematische woordenboeken

T. Beijer en C.G.L. Apeldoorn (1996), Woordenboek van medische eponiemen, Houten

hypnose: een op slaap lijkende toestand van verminderd of vernauwd bewustzijn, kunstmatig via het geven van suggesties door een hypnotiseur geïnduceerd, waarbij de gehypnotiseerde verminderd toegankelijk is voor de omgeving, terwijl er wel ‘rapport’ blijft bestaan ten opzichte van de hypnotiseur. Zie ook braidisme en mesmerisme.
In de Griekse mythologie werden Hypnos, de slaap, en Thanatos, de dood, zonen van Nux, de nacht, voorgesteld als gevleugelde jongemannen. De broers leefden in een grot, volledig van het daglicht afgesloten. Het was de taak van Hypnos de aardse stervelingen mooie dromen te bezorgen.
In 1784 beschreef de Oostenrijkse arts Franz Anton Mesmer (1734-1815) onder de term ‘somnambulisme’ bepaalde hypnotische toestanden. Gewoonlijk wordt aangenomen dat het woord ‘hypnose’ door de Engelse arts James Braid (1795-1860), grondlegger van het wetenschappelijk hypnotisme, in 1843 geïntroduceerd is. Hij was echter niet de eerste: in 1821 sprak de Fransman De Cuvillers al over ‘hypnotisme’ (Rodin). In 1901 gaf de beroemde Canadese internist Sir William Osler (1849-1919) in zijn Medicine in the 19th century de volgende fraaie definitie: ‘It is a subjective physical condition [...] resembling somnambulism, in which, as Shakespeare says, in the description of Lady Macbeth, the person receives at once the benefits of sleep and does the effects of acts of watching or waking.’

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hypnose ‘kunstmatige slaap’ -> Indonesisch hipnose ‘kunstmatige slaap’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hypnose kunstmatige slaap 1903 [WNT water] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal