Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

humeur - (gemoedsgesteldheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

humeur zn. ‘gemoedsgesteldheid’
Mnl. humure, humuere ‘lichaamssap’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], vaak ook met Latijnse klinker humoor, humore. Vnnl. humeur ‘karakter, temperament’ in ick denke dat u humeur hem niet aen en staet [1635-36; WNT], humeur ‘gemoedsgesteldheid’ [1658; WNT].
Ontleend, in de huidige vorm en betekenis via het Frans, aan middeleeuws Latijn humor ‘lichaamssap’, hetzelfde woord als klassiek Latijn hūmor, ūmor (genitief -mōris) ‘lichaamssap’, oorspr. ‘nattigheid, vochtigheid’, afleiding van het werkwoord ūmēre ‘vochtig zijn’. De h- is ontstaan onder volksetymologische invloed van humus ‘aarde’.
Latijn ūmēre is verwant met Grieks hugrós ‘nat, vochtig’ (zie → hygrometer); Sanskrit ukṣáti ‘hij sproeit’; Oudnoords hökr ‘vocht’. Voor het Latijn veronderstelt men afleiding van een bn. *ūmus < *ūgw-smos, bij de wortel pie. *uegw- (IEW 1118), met verschillende ablauttrappen.
Volgens de middeleeuwse geneeskunst, in navolging van de Griekse geneesheer Hippocrates, bestond het menselijk lichaam uit vier lichaamssappen: bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. De hoeveelheden en vooral de onderlinge verhouding waarin deze sappen aanwezig waren, bepaalden iemands karakter. Bij overheersing van bloed was men heethoofdig ofwel sanguinisch, bij slijm (Grieks phlégma) onverstoorbaar ofwel flegmatisch (zie → flegma), bij gele gal (Grieks kholḗ) driftig ofwel → cholerisch en bij zwarte gal (Grieks melankholḗ) zwaarmoedig ofwel melancholisch (zie → melancholie). Zie ook → temperament, uit Latijn temperamentum ‘juiste menging (van lichaamssappen)’.
In het Middelnederlands kon het woord humoor en vormvarianten (de klemtoon moet in al deze vormen op de tweede lettergreep hebben gelegen) zowel slaan op elk van deze vier sappen (de vier humoren), als op lichaamsvocht(mengsel) in het algemeen (bijv. in quade humoren, die dus een slecht karakter veroorzaakten). Het woord kon bij overdracht ‘karakter’ gaan betekenen, zoals dat door de humoren werd bepaald. Dit laatste gebeurde eerst in het Frans [15e eeuw; Rey] en werd overgenomen door het Nederlands, reden waarom het Nederlandse woord in deze betekenis van meet af aan de Franse vorm humeur heeft. Van algemeen ‘karakter’ verschoof de betekenis verder naar ‘tijdelijk karakter’, ofwel ‘gemoedstoestand’ en ook die werd uit het Frans [1578; Rey] overgenomen door het Nederlands. In het Nederlands zijn alle genoemde betekenissen behalve de laatste verouderd.
Uit het eveneens aan het Frans ontleende Engelse woord humour ontstond later een uitgesproken positieve betekenis, die door het Nederlands ontleend is als → humor.
hum zn. ‘humeur’. Nnl. alleen in de combinaties in en uit zijn hum zijn [1907; WNT]. Verkorting van humeur. ♦ gehumeurd bn. ‘voorzien van (een bepaald) humeur’. Nnl. wèl gehumeurt [1782; WNT], zeer slecht gehumeurd [1866; WNT], goedgehumeurde vrouw [1872; WNT]. Gevormd met → ge- (sub e) in de betekenis ‘voorzien van’. ♦ humeurig bn. ‘slechtgehumeurd’. Nnl. humeurig ‘id.’ [1898; Kuipers]. Afleiding met → -ig. Op grond van in en uit zijn humeur zijn zou men logischerwijs kunnen verwachten dat humeurig juist ‘goedgehumeurd’ zou betekenen. Eerder moet men uitgaan van de betekenis van humeur in uitspraken als wat een humeur (heeft die man) en die man heeft me toch een humeur! die altijd negatief bedoeld zijn. Vergelijkbaar is Engelse moody ‘humeurig’ bij mood ‘humeur’.
Lit.: Van der Sijs 1998

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hum in de uitdrukking in zijn hum zijn [in zijn schik zijn] {1901-1925} is ‘hum’ verkort uit humeur.

humeur [gemoedsgesteldheid] {1658} < frans humeur < latijn humorem, 4e nv. van humor [vocht]. Voor de betekenisontwikkeling vgl. humorhum.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

humeur znw. o., mnl. humōre, humoor, humuer ‘vocht; vochtmenging in het menselijk lichaam’, deels < lat. humor, deels < fra. humeur. Daar men meende dat de gesteldheid van de lichamelijke vochtigheid invloed had op de gemoedsstemming, verkreeg fra. humeur deze laatste betekenis en deze werd daaruit later weer in het nl. overgenomen.

hum 19de eeuwse afkorting van humeur.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hum (in zijn h. zijn). Nnl. verkorting van humeur.

humeur znw. o. Mnl. kwam (h)umoor, (h)umȫr m. o. “vocht, sap”, vooral in ’t mv. voor de “vochten in het dierlijk lichaam”, reeds voor. ’t Was deels uit fr. humeur deels direct uit lat. humor “id.” ontleend. Nnl. humeur is een voortzetting van mnl. humȫr, maar ’t heeft zich, wat vorm en bet. aangaat, onder invloed van fr. humeur ontwikkeld.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hum 2 o., verkort uit humeur o., dat over Fr. humeur, uit Lat. humorem (-or) = vocht, ieder der vier vochten die het gestel bepalen. Uit Fr. Eng. humour, waaruit ons humor.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

hameur, (m)emeur zn. o.: humeur. Emeur door h-procope en verdoffing in onbetoonde lettergreep ; memeur door m-anticipatie; hameur door voortonige versterking uit humeur.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

ameur (ZV), zn. o.: humeur. Door voortonige klinkerversterking uit humeur < Fr. < Lat. humorem.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

humeur (Frans humeur)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

humeur ‘gemoedsgesteldheid’ -> Negerhollands humeer ‘gemoedsgesteldheid’; Papiaments † himeur ‘gemoedsgesteldheid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hum goed humeur, schik 1912 [C. Veth, Prikkel-Idyllen V, 25]

humeur gemoedsgesteldheid 1658 [WNT] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

989. In zijn hum (soms hummes) zijn,

d.w.z. goed gemutst zijn, goed geluimd zijn; eig. in zijn humeur zijn (vgl. deli = delicaat; gym = gymnasium; prof = professor; soos = societeit; photo = photografie). Vgl. Prikk. V, 25; Lvl. 138: Breemantel schijnt van avond bizonder in z'n hum; zie ook bl. 191; Lev. B. 8: Die was weer heelemaal in z'n hummes geraakt. Het znw. humeur, lat. humor, beteekent eig. vocht (vgl. Bank. II, 288); ook menging van vochten in het menschelijk lichaam, die men in het nauwste verband achtte te staan met 's menschen karakter; zie Ndl. Wdb. VI, 1312 en vgl. temperament van het lat. temperare, fr. tremper; flegmatiek van het lat. gri. phlegma, slijm, en ons bnw. hardvochtig, zoetsappigNdl. Wdb V, 2197. en droog in een droog (saai) mensch, een droogkomiek (vgl. eng. dry, grappig), iemand die grappig is met een uitgestreken gezichtTijdschrift IV, 207., dien de Zuidnederlanders een droogscheerder noemen (De Bo, 272) of een plezante droge (Antw.Van Ginneken, Leuv. Bijdr. X, 97 meent dat deze beteekenissen op gevoelsoverdrachten berusten: ‘droogheid is dikwijls eentonig; vandaar is droog: onbewogen of bij langer voortduren saai en vervelend; nat, sappig, is daarentegen dikwijls opwekkend, maar altijd varieerend’. Zie no. 590.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal