Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hotemetoot - (hoge piet)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

hotemetoot, hotepetoot, hotepetoter, hoetepetoeter zn. m.: de man om wie alles draait, de baas; (de vormen op –er ook) klein mannetje, klein kind. Bargoens woord (Endt 49). Hotemetoot komt voor het eerst voor in 1896. Het komt misschien uit Japans hatamoto ‘directe leenman van de sjogoen’ (Van der Sijs 2005). De betekenis als troetelwoord voor ‘klein kind’ is beïnvloed door hittepetit.

hotepetote zn. v.: bazige vrouw. Vrouwelijke var. van hotepetoot. Zie hotemetoot.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

hotemetoot: hoge ome; hoge piet; belangrijk persoon. Dergelijke reduplicerende vormingen zijn in het Nederlands niet ongewoon. Denken we maar aan woorden als hittepetit of werkwoorden als rampetampen en rollebollen. Hotemetoot wordt al vermeld door Opprel. Oudenaarden (1986, p. 80 en 81) suggereert ontlening aan het Japanse hatamoto (directe leenman van de shogun). Oorspronkelijk is het echter een gewestelijk woord (het WNT geeft voorbeelden uit Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant), sedert eind jaren tachtig meer algemeen ingeburgerd. Volgens Endt (1974) is het ook een ‘scheldwoord voor een vrouw, ongeveer in de betekenis ‘treuzelaarster’. In de jeugdtaal van de jaren tachtig betekent hotemetoot ‘iemand met een spits uiterlijk’ (zie Laps).

… de hotemetoten van de onderwereld… (Theun de Vries, Wieken tegen tralies, 1982)
Niet een of andere hotemetoot, maar mensen met AIDS zelf hebben de vijfde Wereld-Aids-conferentie geopend. (Haagse Post, 18/11/1989)
In de hoerenkasten sterft het van de hotemetoten. (Chris Bos, De woede van de bassist, 1992)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hotemetoot (Japans hatamoto)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hotemetoot hoge piet 1896 [WNT] <Japans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

hotemetoot (mog. ← Jap. hatamoto ‘directe leenman van de shogun’), hoge piet. Oorspronkelijk een gewestelijke term (al in het WNT, met vermeldingen van het gebruik in Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant; ook bij A. Opprel in Het dialect van Oud-Beierland, 1896), maar sinds het begin van de jaren tachtig ook ingeburgerd in het algemene taalgebruik.

... de hotemetoten van de onderwereld. (Theun de Vries: Wieken tegen tralies, 1982)
Voor het eerst waren geen psychiatrische, medische of juridische hotemetoten aan het woord, maar de ‘unspeakables’ zelf. (Haagse Post, 05/11/89)
Het zal je als Nederlandse pers maar gezegd worden door een paar OSM-hotemetoten. (Elsevier, 08/06/96)
De Lage Landen pendant van Vito Corleone, hasj-hotemetoot De Hakkelaar, is nog niet veroordeeld. (Nieuwe Revu, 02/01/97)
Per 1 juli is hij burgemeester; de strijdbare actievoerder wordt een chique hotemetoot in Tilburg. (HP/De Tijd, 04/06/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal