Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hotel - (logement)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hotel zn. ‘logement’
Nnl. hôtel ‘verblijfplaats in de stad van een aanzienlijk persoon’ in 't hôtel van de minister [1811; Blussé] ‘groot, voornaam huis; beroemde herberg’ [1824; Weiland], ‘voornaam logement’ [1855; WNT].
Internationaal woord, ontleend aan het Franse hôtel ‘aanzienlijk huis’ uit het begin van de 19e eeuw. Frans hôtel is ontwikkeld uit Laatlatijn hospitale > Oudfrans ostel > Middelfrans hostel (met etymologische h in de spelling) > Nieuwfrans hôtel. Het Latijnse woord is het zelfstandig gebruikte bn. uit klassiek Latijn hospitāle cubiculum ‘gastenverblijf’, afgeleid van hospes ‘gast’, zie → hospita.
De oudst geattesteerde Franse betekenis is algemeen ‘tijdelijk onderdak, kampement’ [1080; Rey], in het Middelnederlands nog ontleend als hosteel, hosteil ‘onderkomen, verblijf’ [1265-70; CG II, Lut.K]. Eén van de specifiekere betekenissen is vanaf de Middelfranse periode ‘de tijdelijke of vaste verblijfplaats in de stad van een aanzienlijke persoon of publieke instantie’; het Vroegnieuwnederlands ontleende daaruit hostel ‘id.’ [1626; WNT], later ook wel in de vorm hôtel of hotel, maar in het moderne Nederlands zijn daar geen sporen meer van over en het Frans heeft hierbij alleen nog enkele vaste verbindingen, zoals hôtel de ville ‘stadhuis’. De andere Franse hoofdbetekenis was ‘prestigieuze, gemeubileerde woning’ [13e eeuw; Rey]; hieruit heeft zich de neutrale 19e-eeuwse betekenis ‘betaald logement voor reizigers’ ontwikkeld, die internationaal furore maakte. Als nieuw woord in het Nederlands onderscheidde hotel (eerst ook nog hôtel) zich desondanks nog lange tijd qua voornaamheid van oudere begrippen als → herberg en → logement.
Via het Engels is het Franse woord ontleend als → hostel, en zie ook → hospitaal, → motel en → botel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hotel [logement] {1626 in de betekenis ‘stadsverblijf van een aanzienlijk persoon’; vgl. hosteel [onderkomen] ca. 1300} < oudfrans (h)ostel [verblijf] (frans hôtel) < latijn hospitale (vgl. hospitaal).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hotel znw. o., in de 17de eeuw ‘stadsverblijf van een aanzienlijk persoon’, sedert het midden van de 19de eeuw in de tegenwoordige betekenis < fra. hôtel < ofra. hostel < lat. hospitale.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hotel znw. o., reeds in de 17. eeuw = “stadsverblijf van een aanzienlijk persoon”, sedert ’t midden van de 19. eeuw in de gewone bet. van nu. Uit fr. hôtel; dit uit ofr. (h)ostel (< lat. hospitâle). Uit ’t Ofr. reeds mnl. hosteil o. “toevluchtsoord, asyl”. Uit ofr. hostelier (> fr. hôtelier, weer in ’t Ndl. overgenomen) komt mnl. hostelier m. “waard, herbergier”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

hotel s.nw.
Groot gebou waar akkommodasie en etes teen betaling verskaf word.
Uit Eng. hotel (1765). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
Fr. hôtel, Ndl. hotel (ongeveer 1850).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hotel: m. klem op tweede letg., “herberg”; Ndl. hotel (in die 17e eeu “stadsverblyf v. aansienlike pers.”, sedert mid. 19e eeu in huidige bet.) kon via Ndl. of via Eng. hotel uit Fr. hôtel (Ofr. hostel) in Afr. gekom het; doeb. v. hospitaal en hostel (q.v.).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hotel (Frans hôtel)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hotel ‘logement’ -> Indonesisch hotel ‘logement; (Bahasa Prokem) gevangenis’; Ambons-Maleis hotèl ‘logement’; Boeginees hotêlé ‘logement’; Jakartaans-Maleis hótèl ‘logement’; Javaans otèl ‘logement’; Madoerees hotel ‘logement’ (uit Nederlands of Engels); Makassaars hotêl, hotêlé ‘logement’; Menadonees hotèl ‘logement’; Minangkabaus hotel ‘logement’; Papiaments hotèl ‘logement’ (uit Nederlands of Spaans); Sranantongo otel ‘logement’; Aucaans oteli ‘logement’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hotel logement 1855 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal