Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

horloge - (uurwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

horloge zn. ‘uurwerk’
Mnl. orloy ‘uurwerk’ in dat dorloy begonste slaen [ca. 1374; MNW], hoorlodium [eind 14e eeuw; MNW], orloge [1434; MNW]; vnnl. ook in de samenstelling sack orloogie ‘zakhorloge’ [1673; WNT zakhorloge].
De uiteindelijke bron van dit woord is het Griekse woord hōrológion ‘uurwerk’, gevormd uit hṓrā ‘uur’ (zie → uur) en légein ‘(ver)tellen’ (zie → -logie), letterlijk dus ‘dat wat de uren telt (en aangeeft)’. Dit is door het Latijn overgenomen als horologium ‘uurwerk’. Zowel in het Oudfrans [vanaf de 12e eeuw; Rey] als, al dan niet via het Oudfrans, in het Middelnederlands is dit woord in diverse vormen overgenomen. Zo duidt de vorm orloy bijv. op een Franse bron (met y om de Franse klank /ž/ weer te geven); hoorlodium wijst daarentegen op middeleeuws-Latijnse invloed (met di als poging de klank /dž/ weer te geven). De vorm horloge [15e eeuw; Rey] is in het Frans uiteindelijk gaan overheersen, en daardoor ook in het door het Frans zo beïnvloede Nederlands.
De klassieke betekenis is algemeen ‘uurwerk, tijdaanwijzer (bijv. zonnewijzer)’. In het Frans en het Middelnederlands werd dat specifieker ‘uurwerk dat met geluidssignalen de hele uren (etc.) aanduidt’, maar misschien was deze betekenisvernauwing het logische gevolg van het feit dat de meeste geconstrueerde uurwerken die eigenschap hadden, want in het Frans betekent horloge nu gewoon ‘uurwerk, klok’, ook zonder geluid. In het Nederlands moest horloge echter vanaf de Nieuwnederlandse periode concurreren met → klok dat zich in betekenis van ‘bel’ naar ‘uurwerk’ had uitgebreid. Dit leidde in de NN standaardtaal tot een strikt onderscheid tussen horloge ‘uurwerk in een kleine uitvoering, bijv. voor in een zak of om de pols’ en klok voor alle overige uurwerken, met uitzondering van het staand horloge ‘grote staande klok’. In de Nederlandse dialecten in België wordt horloge voor nagenoeg alle uurwerken gebruikt; in het standaardtalige BN wordt het als Frans aangevoelde horloge uit purisme vaak vervangen door uurwerk. Het woord klok wordt in België alleen gebruikt in de betekenissen ‘bel’ en ‘staand uurwerk’, en in de uitdrukking op de klok kijken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

horloge [zakuurwerk, polshorloge] {orloge, (h)orloy [uurwerk, klok] 1434, horologie [zakuurwerk] 1688-1696} < frans horloge < latijn horologium [uurwerk (wateruurwerk of zonnewijzer)] < grieks hōrolog(e)ion [tijdaanwijzer], van hōra [tijd, uur] + logos [getal, rekening, het vermelden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

horloge znw. o., mnl. horologium, hoorlodium, orloghe, orloy enz. ‘klok, uurwerk’ < lat. horologium of < het daaruit ontstane ofra. orloge, oreloge, orologe. De nnl. uitspraak wijst althans op het verband, dat men met fra. horloge voelt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

horloge znw. o. (zuidndl. nog v.), mnl. horolōgium, hoorlōdiun, orlōghe, orloy e.a. vormen, o. v. “klok, uurwerk”. Zoowel uit gr.-lat. hôrologium als uit ’t daaruit ontstane ofr. orloge, oreloge, orologe. Nnl. horloge wordt als een ontl. uit fr. horloge gevoeld.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

horloge v., uit Fr. id., van Gr.-Lat. horologion = zonnewijzer, gevormd met Gr. hṓra = uur en logíon, een afleid. van Gr. légein = zeggen, berichten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

gerloge, gerlozie, reloge, logie, loze, lozie, zn.: horloge. Vervorming van Fr. horloge, resp. metathesis en aferesis. Horloge < Lat. horologium < Gr. hôrologion ‘wat het uur zegt’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

lozie, leuzie, luzie, leurzie, lesse, gelozzie, zn.: horloge. Door aferesis uit horlozie, horlogie, Fr. horloge. En een afleiding met vv. ge-.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

horlozie, horloos, holozie, harlozie, hallozie, hurlozie, hurloos, lozie zn.: horloge. Een al oud Frans leenwoord horloge. 1418 van dat hij dorloge int scepenenhuus stelt ende verwaert, Kortrijk (Debrabandere 1994). Harlozie, hurlozie met voortonig versterkte klinker. Holozie, hallozie door assimilatie rl > l. Samenst. horloziesleutel ‘horlogesleutel; kleine zeester, Ophiura texturata’. De tweede betekenis vanwege de kleine afmeting. Vgl. horlogeslingertje ‘kleine rog’ aan de Wvl. kust (WVD).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

lozie 1 (B, ZV), zn.: horloge. Verkort uit horlogie < Fr. horloge, een leenwoord dat al in het Mnl. voorkomt, b.v. 1418 dorloge int scepenenhuus, Kortrijk.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oorlosie s.nw.
Horlosie.
Uit verouderde Ndl. orloge (al Mnl.). Eerste optekening in vroeë Afr. in 1734 in die vorm orlogie (Scholtz 1972: 127), waarna in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm orlosie en by Kern (1890) in die vorm oorlosie.
Ndl. orloge uit Oudfrans orloge (12de eeu).

horlosie s.nw.
1. Toestel wat die tyd meet en aandui. 2. (plantkunde; streektaal) Turksnael. 3. (minder gebruiklik) Hart.
In bet. 1 uit Ndl. horlozie, 'n minder beskaafde vorm van horlogie, 'n wisselvorm van horloge (Mnl. horloy). Bet. 2 en 3 het in Afr. self ontwikkel, in bet. 2 so genoem omdat die sade van die plant lang baarde het wat soos horlosiewysters in die rondte draai wanneer die sade oopbars, en in bet. 3 omdat die klop van die hart aan die tik van 'n horlosie herinner. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
Ndl. horloge uit Fr. horloge 'horlosie' uit Latyn horologium uit Grieks hôrologion, 'n samestelling van hôra 'tyd, uur' en logos 'getal, rekening, die vermeld van'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

horlo’ge (de, -s), (ook:) klok. Grote koekoeksklok tikte tevreden. Max, je moet die horloge ketting* geven, bekte Airis zomaarzo (Cairo 1979b: 20). - Etym.: Ook in BN, in AN veroud. (zie WNT 1912). S oloisi = horloge, klok. - Zie ook: pols*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

horlosie: – oorlosie – , Cha se allosie veroud. en seker plat, in Afr. oorg. v. intervok. g tot s en rekking v. o voor r in h-lose vorm; Ndl. horloge/orloge (Mnl. horloy/orloy) via Fr. horloge uit Lat. horologium, Gr. (h)ōrologion ((h)ōra, “uur”, + logos, “(ver) telling”), v. oorlosie.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

horloge (Frans horloge)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

horloge ‘zakuurwerk, polshorloge’ -> Duits dialect Allosie, Allosje, Haralo, Hollosje, Horloge ‘zakuurwerk, polshorloge’; Indonesisch airloji, arloji, orloji ‘zakuurwerk, polshorloge’; Ambons-Maleis arlosi ‘zakuurwerk’; Boeginees harilôji, arellôji, harellôji ‘zakuurwerk, polshorloge’; Jakartaans-Maleis èrloji, èrluji ‘zakuurwerk’; Javaans èrloji ‘zakuurwerk’; Keiëes arlud ‘zakuurwerk, polshorloge’ <via Indonesisch/Maleis>; Kupang-Maleis orlosi ‘klok die het uur aanwijst’; Madoerees erloji, erlōji, erlōjih, errōji ‘zakuurwerk, polshorloge’; Makassaars arilôji, aralôji, haralôji, horolôji ‘zakuurwerk, polshorloge’; Menadonees orlosi ‘klok die het uur aanwijst’; Minangkabaus araloji, arloji, loji ‘zakuurwerk, polshorloge’; Muna arilodhi ‘zakuurwerk, polshorloge’; Nias torosi ‘zakuurwerk, polshorloge’; Soendanees erloji ‘zakuurwerk’; Ternataans-Maleis orlosi ‘klok die het uur aanwijst’; Petjoh airlodji ‘zakuurwerk, polshorloge’ <via Indonesisch/Maleis>; Creools-Portugees (Batavia) horlogie ‘klok’; Creools-Portugees (Ceylon) orlozo, orlozi ‘zakuurwerk, polshorloge’; Creools-Portugees (Malakka) orlozi, olozi ‘klok, zakuurwerk’; Singalees oralōsu-va, orlōsu-va ‘uurwerk, klok’; Negerhollands horlooschi, holosi, holochi ‘klok’; Skepi-Nederlands holósi ‘klok’; Papiaments oloshi (ouder: horlosji, holósji) ‘klok, zakuurwerk, polshorloge’; Sranantongo oloisi ‘zakuurwerk, polshorloge; wekker’; Aucaans oloisi ‘zakuurwerk, polshorloge’; Saramakkaans olóísi ‘klok’ <via Sranantongo>; Karaïbisch olosi ‘klok’ <via Sranantongo>; Tiriyó (j)oroisi ‘zakuurwerk, polshorloge’ <via Sranantongo>; Surinaams-Javaans arloji ‘klok, zakhorloge, polshorloge’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † holosi ‘zakuurwerk, polshorloge’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

horloge zakuurwerk, polshorloge 1688-1696 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal