Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

horen - (ww.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

horen ww. ‘waarnemen met de oren; passen, betamen, behoren’
Onl. gi-, gehōron (alleen in verbogen vormen) ‘(toe)horen, luisteren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. horen ‘luisteren’ [1200; CG II, Servas], ‘horen’ [1240; Bern.], horen ‘ondergeschikt zijn, vallen onder’ in bijv. alle de portren van middelburg horen tenen rechte ‘alle burgers van Middelburg zijn onderworpen aan één rechtstelsel’ [1254; CG I, 54], ‘toebehoren’ in dat hort te hare ‘dat behoort haar toe, dat is van haar’ [1265-70; CG II, Lut.K].
Os. hōrian; ohd. hōren (nhd. hören); ofri. hēra, hōra; oe. hēran (ne. hear); on. heyra (nzw. höra); got. hausjan; < pgm. *hauzjan-; alle met dezelfde betekenis ‘waarnemen met de oren’, in de West-Germaanse talen ook ‘behoren’. Daarnaast mnl. (nu alleen nog dialectisch) horken, hurken ‘horen, luisteren’; ohd. hōrehhen (nhd. horchen ‘luistervinken’); ofri. hērkia (nfri. harkje); oe. hearken (ne. hark); wrsch. een intensiverende afleiding van horen, zoals bijv. ook Engels talk ‘spreken’ naast tell ‘vertellen’.
Alleen verwant met Grieks akoúein ‘horen’ (zoals in → akoestiek); bij pie. *h2kous-. Andere opvattingen, zoals verband met → oor < pie. *aus- < *h2eus- (vergelijk Latijn audīre <*aus-dire ‘horen’), of een verdere ontleding van het Griekse woord in pie. *h2eḱ- ‘scherp’ en oũs ‘oor’ (en dus horen = ‘de oren spitsen’), zijn achterhaald en verouderd.
Voor de betekenisontwikkeling ‘horen, luisteren’ > ‘passen, betamen’ zie → behoren, dat nu vooral nog schrijftalig voorkomt en waarmee horen in die betekenis synoniem is. Zie ook → horig en → gehoorzaam.
Hoor als tussenwerpsel aan het eind van een gesproken uiting [1671; WNT] is ontstaan uit hoor je?

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

horen* [geluiden waarnemen] {1200} oudsaksisch horian, oudhoogduits horen, oudfries hera, oudengels hieran, oudnoors heyra, gotisch hausjan; buiten het germ. grieks akouein [horen], oudkerkslavisch čuchati (vgl. akoestiek).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

horen 1 ww., mnl. hôren, os. hōrian, ohd. hōren (nhd. hören), ofri. hēra, oe. hīeran (ne. hear), on. heyra < germ. *hauzjan, waarnaast got. hausjan. — lat. caveo ‘in acht nemen’, gr. akoúō (< *a-kousiō) ‘hoor’, koéō ‘bemerk’, oi. kavi ‘verstandig, wijs; dichter, ziener’, osl. čúti, čują ‘voelen, bemerken’, čudo ‘wonder’ (IEW 587). — Zie verder ook: schouwen.

Daarnaast een k-afl. in mnl. horken (nog vla.), mnd. horcken, laat-ohd. hōrechen (nhd. horchen), fri. harkje, me. herken (ne. hark).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hooren ww., mnl. hôren. = ohd. hôren (nhd. hören), os. hôrian, ofri. hêra, ags. hȋeran (eng. to hear), on. heyra “hooren”, met r uit z; waarnaast got. hausjan “id.”. Is niet te scheiden van gr. akoúō “ik hoor”, dat wsch. als *a-koúsjō op te vatten is. De beoordeeling van de a- is voor ons van geen belang. Vgl. verder akeúei; tēreĩ Kúprioi (Hes.), russ. čúchať “waarnemen, hooren”, wsch. ook lat. custôs “bewaker”. Zonder -s- vergelijkt men obg. čują, čuti “voelen, bemerken” en de heele bij schouwen behandelde woordfamilie: dat woorden voor verschillende soorten van zinnelijke waarneming verwant zijn, is niet ongewoon.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ho[o]ren. Lat. custôs ‘bewaker’ zal wel niet verwant zijn. — Met k-suffix (vgl. hurken) hierbij mnl. (nog vla.) horken = laat-ohd. hôrechen (hd. horchen), mnd. horcken, fri. harkje, meng. herken (eng to hark) ‘luisteren’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hooren 2 ono.w. (toebehooren), uit behooren (z.d.w.), gelijk hoeven uit behoeven.

hooren 1 o.w. (luisteren), Mnl. horen, Os. hôrian + Ohd. hôren (Mhd. hœren, Nhd. hören), Ags. híeran (Eng. to hear), Ofri. héra, On. heyra (Zw. höra, De. høre), Go. hausjan, met afwisselende r en s (z. verliezen) + Gr. akoúein (d.i. *ak-ous-jein), Lat. audire (d.i. *aus-dire), waarnevens auscultare (= Fr. écouter), alle afleid. van oor (z.d.w.); Gr. ak- en Germ. h- zijn overblijfsels van een onverklaard voorvoegsel, dat door sommigen tot den wrt. ak van aar 2 gebracht wordt; hooren dus = de ooren spitsen (z. ook hoozen en horken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hure (ww.) horen, vernemen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) hu(u)re(n), Aajdnederlands gihoron <901-1000>.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

horen: luisteren; horen naar: luisteren naar; gehoorzamen | < Jidd. heern, of < D. hörn. In beide talen vindt men de betekenissen ‘luisteren’, ‘gehoorzamen’.

— “As ‘k u was dan zou ‘k maar liever doen, was as de dokters teuge u gezegd het, voorwat laat u die man hierkomme as u toch niet naar ‘m hoort?” (JULES DE VRIES, 1907)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hooren, afl. van oor; de h is een overblijfsel van ’t Idg. voorvoegsel ak = scherp (zie Egge): ak-ous = een scherp oor (hebbende), zoodat hooren bet.: een scherp oor hebben.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

horen ‘geluid waarnemen’ -> Negerhollands hō, hōr, hoor, horǝn ‘geluid waarnemen’; Berbice-Nederlands horo ‘geluid waarnemen’; Skepi-Nederlands horə ‘geluid waarnemen’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † hoor ‘geluid waarnemen’ <via Negerhollands>.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

960. Die niet hooren wil, moet voelen,

die niet naar vermaningen wil luisteren, moet maar op onaangename wijze de gevolgen dragen van zijn onwil; ook gezegd tot een kind dat men door lichamelijke straf tot rede brengt. Vgl. C. Wildsch IV, 307: Keetje wilde nooit naar haar luisteren, en die niet hooren wil, moet ondervinden; Harreb. III, 32: Die niet hooren wil, moet voelen; Antw. Idiot. 1410: Die nie hooren wilt, moet vulen; evenzoo Waasch Idiot. 296; hd. wer nicht hören will, muss fühlen (Wander II, 779).

961. Hooren en zien vergaan.

Men zegt dit bij een hevig gedruisch, een geweldig leven, waarbij men doof wordt en alles voor de oogen begint te draaien. Vgl. voor de koppeling dezer twee wkw. Lanc. III, 3595: Soo dat hi syn sien verloos ende dat horen; vgl. verder Hooft, Ned. Hist. 319: Dit getier en de duisternis die den vyandt hooren en zien benaamen; Spaan, 16: Het derde (kind) schreeuwt dat je hooren en zien vergaat; Halma, 675: Het is als of mij hooren en zien vergaan, la tête me tourne, je perds le sens; c'est comme si je ne voyois ni n'entendois; C. Wildsch. IV, 25; Harreb. III, 32 b; Ndl. Wdb. VI, 1079; Waasch Idiot. 296: Een gerucht (geroep, geschreeuw) dat hooren en zien vergaat, oorverdoovend; Antw. Idiot. 1770: E lawijt dat hooren en zien vergaat, oorverdoovend. Ook in het fri. zegt men: hearren en sjen forgiet.

1443. Iemand niet kunnen luchten of zien,

d.w.z. iemand niet kunnen uitstaan, niet kunnen ruiken noch zien (fr. ne pas pouvoir sentir qqn.; hd. einen nicht riechen können), welke beteekenis het wkw. luchten in de middeleeuwen reeds had. Zie Despars, 4, 383: Dies hem tghemeente zo overgrootelix belchde, dat zy hem niet langher ghesien en mochten nochte luchten. Vgl. het Mnl. Wdb. IV, 864; Anna Bijns, N. Refr. 16; 87; Uitlegk. Wdb. op Hooft II, 224; Winschooten, 146: Iemand niet mogen lugten, iemand niet kunnen dulden, en hier van seid men: ik mag die vent niet sien nog lugten; Brederoo I, 59, 1523; 231, 511: De dingen die teghen menkander strijen en mogen menkaar in 't minste luchten noch lyen; Gew. Weeuw. III, 70: Al was je mijn dood Vyand, die ik pas zien of luchten mocht; C. Wildsch. I, 189; III, 279; IV, 81; Tuinman I, 171; Sewel, 463; Halma, 328: Zij mag die vent zien nog lugten, elle ne peut ni voir ni souffrir ce drolle-là; Sewel, 463; Harrebomée III, 45; Nest, 75; Prikk. V, 15; Gunnink, 165; De Bo, 354: ik kan hem gezien noch geluchten; Schuerm. 146: ik en kan dien vent niet geluchten (of ook geduchten); in het Waasch Idiot. 250 a: iemand niet kunnen gerieken, niet kunnen verdragen; Claes, 202: ik kan hem niet rieken, d.i. dulden, lijden; fri. ik mei dy loaije kerel net luchtsje; syn. van iemand niet kunnen hooren of zien o.a. bij Campen, 109: Ick en mach hem niet hoeren oft sien.(Aanv.) Zie nog Ndl. Wdb. VIII, 3164.

2440. Een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep

d.i. men hoort en doet nog gaarne hetgeen ons in de jeugd het meest bezig hield of vermaakte; ‘een afgeleefde liefhebber van de vrouwen hoort nog gaarne over de sekse en het minvermaak spreken’ (Weiland). Vgl. Campen, 127: Een olt Voerman hoert noch het knappen van der sweepen geerne; Sart. III, 3, 97: Een out wagenaer hoort noch geern het klappen van de sweep ter verklaring van lupus pilum mutat non mentem; III, 8, 87; Cats, I, 537: Een out voerman hoort gaerne 't geklap van de sweep:

 Men vint 'er overal die in hun oude jaren
 Nogh even zijn gemoet dan zy te voren waren;
 Men siet dat hun de jeught nogh in de leden rijt,
 Al is haer kranck gestel verwonnen van den tijt.

Westerbaen II, 660; Coster, 524, vs. 883; Brederoo I, 230, vs. 465: Ick slacht de ouwe wagenaers, ick hoor gaeren 't clappen van de swiep; II, 204, vs. 1498; R. Ansloo, 297; Asselijn, 302; Van Effen, Spect. III, 64: Men zoende lustig aan beide kanten, 't geen my niet kwalyk aanstond volgens het bekende spreekwoord, dat oude voerluiden nog graag het klappen van de zweep horen; Sewel, 901; Halma, 266: Een oud voerman hoort nog gaerne het klappen van de zweep, proverbe burlesque qui signifie, qu'un vieillard qui n'est plus en état de caresser une femme, en parle encore souvent avec plaisir; Tuinman I, 161; Harrebomée II, 395 b; fri. alde foerljue hearre graech it klappen fen 'e swipe; Joos, 140; Waasch Idiot. 772. Syn. was een out jager hoort gaerne van de weyery; zie Mergh, 23; Cats I, 537, waar gewezen wordt op het fr. il souvient toujours Robin de ses flûtes; en vgl. geen smid zoo oud of hij vraagt nog gaarne naar ijzer en kolen (Harreb. I, 360); een oude bok (of geit) lust nog wel een groen blaadje, gezegd van een ouden snoeper (zie o.a. Menschenw. 13; Nederland, Juni 1914, p. 159); syn. oude katten lusten ook melk (Harreb. II, 77); hd. alte Ziegen lecken auch gerne Salz; eng. an old hunter loves to talk of game. (Aanv.) De zegswijze ‘een oud paard hoort graag het klappen van de zweep’, die nu en dan ook gehoord wordt, is een verbastering.,

2693. (Aanv.) Het gras hooren groeien,

‘een bewijs van bovenmenschelijke fijnheid van gehoor; de Edda schrijft dit vermogen aan Heimdaller, een der Asen, toe. Thans gewoonlijk ironisch gebezigd, in toepassing op neuswijze, ingebeelde personen’. (Ndl. Wdb. V, 579). Vgl. Molema, 133a: Hij kan 't gras wassen hooren; hij is in de hoogste mate eigenwijs; Handelsblad, 26 Febr. 1925 (O) p. 5 kol. 1: Drie onderwerpen in hoofdzaak vroegen de aandacht der hoorders. Het beleid der regeering in het verleden, het politiek perspectief en de financieele toestand. Dit is het moment, waarop de politieke tinnegieters het gras hooren groeien. Vgl. hd. er höret das Gras wachsen, die Mücken niesen, die Flöhe husten, die Schafe feisten, er ist überklug; Bebel no. 85. Ille audit gramina crescere; dicitur in eos, qui sibi prudentissimi videntur; fr. il entend l'herbe lever.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

keu-1, skeu-, dehnstufig kēu- ‘worauf achten (beobachten, schauen)’, dann ‘hören, fühlen, merken’, schwere Basis kou̯ǝ-; s-Erweiterung keu-s-; über Formen mit anlaut. s- s. am Schlusse; kou̯o-s ‘sorgsam’; d-Erweiterung kēud-: kūd- in kēudos : kūdos ‘Ruhm’.

1. Ai. kaví- ‘klug, weise; Seher, Dichter’, kavārí- ‘eigennützig; karg’, á-kava- ‘nicht geizig’; ā-kúvatē ‘beabsichtigt’, ā-kūta- n., ā-kūti- f. ‘Absicht’;
av. čǝvīšī 1. Sg. Med. Aor. ‘ich erhoffte, versah mich’;
gr. κοέω ‘merke, höre’ (Denomin. von *kou̯os; = lat. caveō); *κοϝος steckt in ion.-att. ἀνακῶς ἔχειν ‘Sorge tragen’; dor. ἐκοᾶμες· ἠκούσαμεν Hes.; κοίης, κοιόλης ἱερεύς; κοῖον, κώιον· ἐνέχυρον; κοῦα, κῶα ἐνέχυρα Hes.; maked. κοῖος ‘Zahl’; PN Λᾱο-κό(ϝ)ων, Λᾱο-κόωσα, usw.; κῦδος n. ‘Ruhm’ (s. unten zu slav. čudo);
von der Basis keu-s-: ἀκούω ‘höre’ (*ἀκουσι̯ω), ἀκοή, hom. ἀκουή ‘Gehör’ (*ἀκουσά̄), ὑπήκοος ‘gehorsam, untertan’, lak. ἐπά̄κοος ‘Zeuge’, ἀκεύει· τηρεῖ Hes., gort. ἀκεύοντος (mit altem e-Vok., während ἀκούω von *ἀκουσά: abhängt); über κῦδος s. unten;
ἀκούω usw. zunächst mit got. hausjan usw., s. unten, verwandt; ἀ- ist kaum = ‘ἐν’, sondern = ἁ- (*hα-κουhι̯ω, *hα-κευhω) durch Hauchdissimilation, oder idg. sm̥- ‘zusammen’; anders oben S. 18, wobei ἀκεύω Ablautneubildung sein müßte oder fernzuhalten wäre, was wenig wahrscheinlich ist;
lat. caveō, -ere ‘sich in acht nehmen, sich vorsehen’ (*covḗre, Denom. von *kou̯os), cautus ‘vorsichtig’, umbr. kutef wohl ‘*cautens’, ‘vorsichtig’;
got. hausjan, aisl. heyra, ags. hīeran, as. hōrian, ahd. hōr(r)en ‘hören’ (s. oben); dehnstufiges *kēu- in ags. hāwian ‘schauen’;
lett. kavēt (: lat. cavēre) ‘zaudern, zögern’;
wruss. s-kumá-ju, -ć ‘verstehen’, čech. koumati, s-koumati ‘merken, gewahr werden’ (Denominativ eines (s)kou-mo-, -mā); abg. čujǫ, čuti ‘fühlen, merken’, serb. čȕjēm čȕti ‘hören, fühlen’ (usw.; *kēu-);
abg. čudo, -ese ‘Wunder’, čuditi sę ‘sich wundern’ (*kēu-dos, ablautend mit:)
gr. κῦδος ‘Ruhm, Ehre’, κύ̄διστος ‘ruhmreichst’, eigentlich ‘wovon man hört’;
serb. čúvati ‘hüten’; ursl. *čevǫ, *čeviti in ačech. vš-čieviti, na-vš-čieviti, heute navštíviti ‘besuchen’.
keu-s- in russ. dial. čúchatь ‘wahrnehmen, hören’, sloven. čȗha-m, -ti ‘spüren, ahnen’, čech. čich ‘Sinn, Witterung, Spur’; vgl. oben zu ἀκούω.
2. Mit anlautendem s-:
miran. śkōh, np. šikōh, šukōh (uriran. *skau̯aθa-) ‘Pracht, Herrlichkeit, Majestät, Würde’; arm. c̣uc̣anem ‘lasse schauen, zeige’, c̣oyc ‘das Zeigen, Schau’ (skeu-sk̑ō);
gr. θυοσκόος ‘Opferschauer’;
got. us-skaws ‘(*ausschauend =) besonnen’, ags. scēawian, as. skauwōn, ahd. scouwōn ‘schauen’; aisl. skygn ‘sehend’, skygginn ‘klar’ (*skuvvini-), wovon skygna ‘spähen’; got. skauns ‘schön’ (ibna-skauns ‘von gleicher Gestalt’), ahd. scōni ds., aisl. skjōni, as. skōni ‘glänzend, schön’, ags. scīenc ds. (eigentlich ‘conspicuous’); tiefstufiges *sku-ni- in aisl. skyn f. n. ‘Ordnung, Bescheid, Einsicht’, skynja ‘untersuchen, verstehen’; aisl. skoða ‘spähen’;
apr. au-schaudītwei ‘vertrauen’.

WP. I 368 ff., WH. I 186 f., Trautmann 132.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal