Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hor - (gaas voor raam tegen insecten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hor zn. ‘vliegenraam’
Mnl. horde ‘vlechtwerk, mat van gevlochten tenen’ [1284; CG I, 785]; vnnl. ‘van vlechtwerk of gaas e.d. voorzien raampje dat men voor de ramen of in de vensteropening zet’ in horde in de venster ‘tralievenster’ [1599; Kil.]; nnl. een venster met een hordetje bedekt [1733; WNT], dan over het horretje staan kyken [1784; WNT wilhelmus], door de horretjes gluuren [1785; WNT], horre [1887; WNT], muggenhor [1898; WNT zetter]. Minder algemeen is de betekenis mnl. ‘houten afscheiding, stellage, kraam’ [1285; CG II, Rijmb.], die alleen in West-Vlaanderen voorkwam en overeenkomt met de betekenis van het verwante Engelse woord hurdle (zie → horde 1 ‘hindernis bij een wedren’).
Door terugvorming ontstaan uit ouder horretje, met assimilatie uit hordetje ‘vliegenraam’, een verkleinwoord met specifieke betekenis van mnl. en vnnl. horde ‘vlechtwerk’.
Os. hurth ‘vlechtwerk’ (mnd. hōrt, hōrde); ohd. hurt ‘id.’ (nhd. Hürde, met umlaut o.i.v. de verbogen vormen, ‘verplaatsbare omheining; schaapskooi’, ook jonger ‘hindernis’, daarnaast ook een oorspr. Midden- en Nederduitse vorm Horde ‘vlechtwerk, lattenwerk, rooster’); oe. hyrd ‘deur’, hyrdle ‘gevlochten hekwerk’ (ne. hurdle ‘hindernis’); on. hurð ‘uit vlechtwerk bestaande deur’; got. haurds ‘id.’; < pgm. *hurdi-.
Verdere etymologie onbekend. Traditioneel wordt de Germaanse woordgroep vergeleken met een of meer van de volgende woorden: Latijn crātis ‘vlechtwerk’ (zie → krat en → grill); Grieks kúrtos ‘visfuik’, kártallos ‘korf’; Sanskrit káṭa- (*karta-) ‘vlechtwerk’, kṛṇatti ‘spinnen’; Oudpruisisch corto ‘omheining’; Middeliers ceirtle ‘kluwen’. Maar van geen ervan is verwantschap onderling of met pgm. *hurdi- evident.
Een horde in de algemene betekenis ‘vlechtwerk’ kon dienen als al dan niet verplaatsbare afscheiding, als slaapmat, om vis of andere waar op te drogen te leggen, als vlot, als dijkversterking, als mat waarop misdadigers of heksen werden verbrand, etc. etc. De horde als vensterbedekking verschijnt in de 16e eeuw; ze kan dienen ter bescherming van het glas, of tegen inkijk, of, zoals in de hedendaagse taal gebruikelijk is, om insecten tegen te houden. Omdat horden voor vensters meestal kleiner waren dan andere horden, werd vaak het verkleinwoord gebruikt.
In het BN is hor bekend vanuit het NN, maar gebruikelijker is vliegenraam.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hor1* [gaas voor raam tegen insecten] {horde, hu(e)rde [mat van gevlochten teen, horde, stellage] 1317} oudsaksisch hurth, oudhoogduits hurt [vlechtwerk], oudengels hyrdel, oudnoors hurð, gotisch haurds [deur]; buiten het germ. latijn cratis [vlechtwerk (van rijshout), horde].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hor znw. v. ook horde, naam voor verschillende soorten van vlechtwerk, mnl. horde, hurde ‘gevlochten mat, horde’, md. horde (nhd. hürde), verder os. hurth, ohd. hurt, ‘vlechtwerk’, me. hirde, on. hurð, got. haurds ‘deur’. — lat. crãtis ‘vlechtwerk, horde’, gr. kártalos ‘korf’, kurtía ‘vlechtwerk’, oi. kaṭa- (< *karta-) ‘mat’, kṛṇatti ‘spinnen’, osl. kratŭ ‘ineengedraaid’, opr. korto ‘omheind gebied’, oiers ceirtle ‘kluwen’ (IEW 584).

Men neemt als idg. wt. *kert aan, dentaal-afl. van *(s)ker ‘draaien, buigen’ (IEW 935); dus een typisch woord voor het vlechten met takken of biezen. Hoger op te verbinden met de wt. *ker, een begrip van het primitieve bosbedrijf, vgl. Trier, Holz 1952, 77.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] hor. Lat. crâtis is ook voor ’t nauwst verwant met lett. krâtińš “käfig; gefäss, womit gefangene Fische geschöpft werden”, lit. krotaĩ “traliewerk” gehouden: idg. ablautstrap qrâ-.

hor, horde znw. (dial. nog voor andere soorten van vlechtwerk gebruikt dan in ’t alg. Ndl.), mnl. horde, hurde v. “gevlochten mat, horde”. Gaat terug op denzelfden germ. stam *χurþi-, *χurði- v., waaruit ohd. hurt (mv. hurdi, mhd. ook met t) v. “vlechtwerk van takken” (nhd. hürde, in md. vorm horde), os. hurth v. “vlechtwerk”, meng. hirde, on. hurð, got. haúrds v. “deur”. Een verlengde stam in ags. hyrdel m. “vlechtwerk” (eng. hurdle). Verwanten buiten ’t Germ.: ier. certle “kluwen”, lat. crâtis “vlechtwerk” (= germ. *χurþi-, idg. *qerə-ti-), gr. kártalos “korf”, kúrtos “vlechtwerk van biezen, vischfuik”, opr. korto “omheining”, oi. káţa- “vlechtwerk, mat”, cṛtáti “hij bindt”, kṛṇátti “hij spint”. Naast qeret-, qerâxt- staat qre-n-t- in ksl. krętati “flectere”. Voor de verhouding tusschen deze basis-vormen zie brengen. Idg. qeret-, qerâxt- is een verlenging van een wortel qere-, qerâx-, waarvan o.a. ier. cor “kring”, lat. curvus “krom”, gr. korōnós “gebogen”, alb. kur̄is “rug”. Vgl. ring, raat en harst.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hor, horde. Lat. crâtis ‘vlechtwerk’ kan zijn = germ. * χurþi-, maar ook dezelfde ablautsphase hebben als lett. krâts, gewoonlijk krâtiņš ‘kooi; gefäss womit gefangene fische geschöpft werden’, lit. krotaĩ ‘traliewerk’ (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hor 2 v. (horde), opgemaakt uit horretje.

horretje o., assim. uit hordetje, dimin. van horde 2.

horde 2 v. (vlechtwerk), Mnl. id. Os. hurth + Ohd. hurt (Mhd. id., Nhd. hürde), Ags. hyrdel (Eng. hurdle), On. hurd. Go. haurds (= deur) + Skr. wrt. kṛt = spinnen, Gr. kártalos = gevlochten korf. Lat. cratis = vlechtwerk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

hord 2, hoort, zn.: kippenroest. Zelfde woord als hord 1.

hord 1, hoort, hoeët, heurd, nord, eurtje, zn.: rond taartrooster; hor; poortje van latten of spijlen. Nord door metanalyse. Ook Rijnl. Hurde ‘gevlochten schijf voor gebak’; Mnl. horde ‘mat van gevlochten teen, vlechtwerk’, Vnnl. horde, hurde ‘horde’ (Kiliaan), waaruit Ndl. horde ‘vlechtwerk van tenen, houten raam’, maar ook hor. Os. hurð ‘vlechtwerk’, Mnd. hôrt, hôrde, Ohd. hurt, D. Hürde ‘verplaatsbare omheining’, Oe. hyrd ‘deur’, hyrdle ‘gevlochten hekwerk’, On. hurð ‘uit vlechtwerk bestaande deur’, Got. haurds ‘deur’ < Germ. *hurdi-. Wellicht verwant met Lat. cratis ‘vlechtwerk’, Gr. kúrtos ‘visfuik’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

hord, zn.: kippenroest. Mnl. horde ‘mat van gevlochten teen, vlechtwerk’, Vnnl. horde, hurde ‘horde’ (Kiliaan), waaruit Ndl. hor. Os. hurð ‘vlechtwerk’, Mnd. hôrt, hôrde, Ohd. hurt, D. Hürde ‘verplaatsbare omheining’, Oe. hyrd ‘deur’, hyrdle ‘gevlochten hekwerk’, On. hurð ‘uit vlechtwerk bestaande deur’, Got. haurds < Germ. *hurdi-. Wellicht verwant met Lat. cratis ‘vlechtwerk’, Gr. kúrtos ‘visfuik’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

horde, horre zn. v.: zeef (voor het schiften van aardappelen, uien). Zoals Ndl. hor ‘muggenraam’ door assimilatie rd/rr < Mnl. horde ‘mat van gevlochten teen’, Vnnl. horde van wissen ghevlochten ‘une claye faicte d’osier’ (Lambrecht), horde, hurde ‘vlechtwerk, rijswerk’ (Kiliaan). Os. hurth, Ohd. hurt ‘vlechtwerk’, Mnd. hort, hurt, Oe. hyrdel, Me. hirde, E. hurdle, On. hurð, Gotisch haurds ‘deur’ < Germ. *xurþi. Verwant met Lat cratis ‘vlechtwerk’, Gr. kartalos ‘korf’. Idg. wortel *ker(ǝ)t ‘winden, vlechten’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

horre (ZV), zn. v.: zeef (voor het schiften van aardappelen, uien). Zoals Ndl. hor 'muggenraam' door assimilatie rd/rr < Mnl. horde 'mat van gevlochten teen', Vnnl. horde van wissen ghevlochten 'une claye faicte d'osier' (Lambrecht), horde, hurde 'vlechtwerk, rijswerk' (Kiliaan). Os. hurth, Ohd. hurt 'vlechtwerk', Mnd. hort, hurt, Oe. hyrdel, Me. hirde, E. hurdle, On. hurð, Gotisch haurds 'deur' < Germ. *xurþi. Verwant met Lat cratis 'vlechtwerk', Gr. kartalos 'korf'. Idg. wortel *ker(ǝ)t 'winden, vlechten'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

er hekwerk (Leuven). = nl. hor = mnl. horde ‘gevlochten mat’, hgd. hürde, got. haurds ‘deur’, ono. hurð ‘vlechtwerk’, ~ lat. crātis ‘vlechtwerk’ ~ gr. kártalos ‘korf ‘ ~ opruis. korto ‘omheining’. Van een basis die ‘winden, vlechten’ betekent.
Goemans 187, EW 174.

hoeët vlaschotel, poortje van latten of spijlen (Kerkrade). = nl. hor (= got. haurds ‘deur’, ~ lat. crātis ‘horde’, ~ oind. kaţa- ‘mat’). Oorspronkelijke bet.:’gevlochten iets’.
Amkreutz e.a. 109.

hord kippenroest (Oost-Noord-Brabant). = hor, horde = got. haurds ‘deur’, fri. hoerde ‘schutting van rijswerk’, hgd. hürde ‘horde’. ~ eng. hurdle ‘horde’ ~ lat. cratis ‘vlechtwerk’.
WBD 114.

hork II bewaarplaats voor appels (Drente). Afleiding bij hord. Oorsponkelijk werd er wel een gevlochten mand mee bedoeld.
Oeze volk I 187-188.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Horde (vlechtwerk), verkleinw.: horretje, voor ’t raam, van den Skr. wt. krt = spinnen, vlechten. Vandaar dat bijv. deur (oorspr. van teenen gemaakt) in het Got. aan ons horde beantwoordt, n.1. haurd-s (de s is 1e nv.-uitgang).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hor(de) ‘stellage’ -> Frans hourd ‘(verouderd) tribune; uitspringende omloop om een toren’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hor* gaas voor raam tegen insecten 1599 [Kil.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kert-, kerǝt-, krāt- ‘drehen, zusammendrehen’, vielfach vom Biegen und Verflechten von Ästen zu Flechtwerk; ‘fest zusammengedreht = kompakt, massiv, Knorren’, Erweiterung von ker-7, S. 574; s. unten (s)ker-3., kr̥ti- ‘Flechtwerk’;

Air. kr̥ṇátti ‘dreht den Faden, spinnt’, karttar- ‘der Spinner’, cr̥táti ‘bindet, heftet zusammen’, kaṭa- m. ‘Geflecht, Matte’ (mind. für *kr̥ta-), wohl auch kuṭí-, kuṭī f. ‘Hütte’ (*kr̥tī̆), kuḍya- n. (*kr̥tya-) ‘(*geflochtene) Wand’, pāli koccha- ‘Flechtwerk’ (ai. *kr̥tsa-); ai. kr̥tsná- ‘vollständig, ganz’ (vgl. lat. crassus, slav. *čьrstvъ);
gr. κάρταλ(λ)ος m. ‘Korb’, κροτώνη ‘Astknorren’ (*κρατώνᾱ); mit u-farbiger Reduktionsstufe κύρτος, κύρτη ‘Binsengeflecht, Fischreuse, Käfig’, κυρτία ‘Flechtwerk’;
alb. kjerthull ‘Kreis, Garnwinde, Haspel’ (: mir. ceirtle s. unten);
lat. crātis ‘Flechtwerk aus Ästen oder Ruten, Hürde, Rost, Faschinen’, crātēs dentatae ‘Eggen’, crātiō, -īre ‘eggen’ (*kerǝti-, oder *krāti-, vgl. lett. krâtińš, lit. krõtai); crassus ‘dick, derb, grob’; wahrscheinlich cartilāgo ‘Knorpel’ (wohl ker[ǝ]t-, vgl. palma : παλάμη);
mir. ceirtle f. ‘Knäuel’ (*kerteli̯ā); cert f. ‘Fetzen, Kleinigkeit’;
got. haúrds (*kr̥tis) ‘Tür’, anord. hurð ds., as. hurth ‘Geflecht’, ahd. hurd, Pl. hurdi ds., nhd. ‘Hürde’, ags. hyrdel und (alt) hyrþil ‘Flechtwerk’;
unsicher (*kert-s-to-, *kr̥t-s-ti-?) as. harst m. ‘Flechtwerk, Rost’, harsta ‘Rost’; mnd. harst ds., ‘Reisig, Gebüsch, Rost’ (wovon mnd. harsten, ahd. hersten, ags. hierstan ‘rösten’), norw. dial. rust ‘Gehölz’, ags. hyrst m. ‘Wald’, mnd. horst, hurst ‘Gebüsch’, ahd. horst, hurst m. ‘Gebüsch’, nhd. Horst ‘Raubvogelnest’;
apr. corto ‘Gehege’; nasaliert (wie slav. krę[t]nąti) vielleicht lett. krìetns (wäre lit.*kreñtnas) ‘tüchtig, tapfer’ (wenn ursprüngl. soviel wie russ. krutъ, s. unten);
lit. krañtas ‘steiles Ufer’; vgl. klr. krutýj ‘gewunden, steil, schroff’, krúča ‘steiles Ufer’ (Trautmann 142);
r.-ksl. črьstvъ, čьrstvъ ‘fest; lauter, echt’, russ. čerstvъ ‘hart, trocken; fühllos; altbacken’, serb. čvȓst ‘fest, hart; vollfleischig’ usw. (*kr̥t-tu̯-os);
nasaliert slav. *krętati, *krę[t]nąti, russ. kŕátatь, kŕánutь ‘von der Stelle bewegen, umwerfen; berühren’, sloven. krę́tati ‘wenden, lenken, drehen, rücken’ usw., ablautend *krǫtъ in russ.-ksl. krutъ ‘tortus, immitis’, russ. krutъ ‘drall; jäh, steil (s. oben zu lit. krañtas); dick eingekocht; kalt; hart, streng’, serb. krȗt ‘heftig’, poln. kręty ‘drall; gewunden, krumm; gedreht, gekräuselt’, ksl. krąštǫ, krątiti sę ‘torqueri’, russ. krutítь ‘drehen, winden, wirbeln, schnüren’ usw., sloven. krotíca ‘Knoten im Gespinst’, čech. krutína ‘ds.; Windung: Wiege’, poln. skrętka ‘Weidenseil’;
nach Pedersen Toch. Sprachg. hierher toch. В kerccīye ‘Palast’.

WP. I 421 f., WH. I 285 f., Trautmann 142, 146.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal