Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoorn - (uitsteeksel aan dierenkop, blaasinstrument)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hoorn zn. ‘hard uitsteeksel aan een dierenkop; voorwerp in die vorm’
Onl. horni (mv.) ‘hoorns van een dier’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. horn ‘id.’: met svarabhaktivocaal horen ‘id.’ [1240; Bern.], horne, ook als blaasinstrument in daer was geblasen menech hor[en] [1260-70; CG II, Boeve], als drinknap in ute enen orne [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Os. horn (mnd. hōrn); ohd. horn (nhd. Horn); ofri. horn (nfri. hoarn); oe. horn; on. horn (nzw. horn); got. haurn; < pgm. *hurna- ‘hoorn’. Daarnaast de afleiding pgm. *hurnjō-, waaruit ofri. herne ‘hoek, landpunt’; oe. hyrne ‘hoek, bergplaats’ (ne. dial. hern, hirn); on. hyrna ‘hoek’ (nde. hjörne).
Aan de basis hiervan staat een wortel pie. *ḱer- ‘hoorn’. Daarbij enerzijds een n-stam *ḱ(e)r-no- ‘hoorn’, waaruit met nultrap o.a. de Germaanse vormen, Keltisch karno- ‘hoorn’ (Welsh carn ‘hoef’, Gallisch karnux ‘trompet’), Vroeglatijn cornum, klassiek Latijn cornū ‘hoorn’ (Frans corne), en verder o.a. de afleidingen → rund (< pgm. *hrunda- < pie. *ḱr(e)n-to-), Sanskrit śarabha- ‘soort hert’ < pie. *ḱer-n-bho- met een diernaamvormend achtervoegsel, en Balto-Slavisch *sirnā ‘ree’ (Lets vero. sirna, Kerkslavisch srĭna etc.) < pie. *ḱr-n-. Anderzijds een u-stam *ḱ(e)r-(e)u- ‘hoorn’ dat alleen in afleidingen bestaat, bijv. in → hert en in Litouws karvė ‘koe’, Oudkerkslavisch krava ‘id.’.
Nussbaum (1986) veronderstelt een abstractum pie. *ḱ(e)r-(e)h2- ‘hoorn (als materiaal)’, waaruit nieuwe paradigmata ontstaan, enerzijds o.a. Grieks kéras ‘hoorn (voorwerp)’ < pie. *ḱer-h2-s, en anderzijds o.a. Grieks kárā ‘hoofd’, krāníon ‘schedel’, Latijn cerebrum ‘hersenen’ < *kerh2sro-.
Traditioneel worden hierbij nog vele andere Indo-Europese woorden genoemd die ‘hoorn’ of ‘hoofd’ betekenen. Nussbaum (1986) toont echter aan dat dat secundaire ontwikkelingen moeten zijn. Hij veronderstelt daarbij vóór alles een abstractum pie. *ḱ(e)r-(e)h2- ‘hoorn (als materiaal)’. Hieruit zijn dan, mede op basis van verbogen vormen, diverse nieuwe paradigma's ontstaan, met enerzijds opnieuw een betekenis ‘hoorn (voorwerp)’, bijv. Grieks kéras < pie. *ḱer-h2-s, en met anderzijds een betekenis ‘hoofdbeen’ > ‘schedel’, ‘hoofd’, ‘hersenen’ etc., bijv. Grieks kárā ‘hoofd’, krāníon ‘schedel’ (zie → migraine), Latijn cerebrum ‘hersenen’ < *kerh2sro- (zie ook → cerebraal en → cervelaatworst) en de Germaanse woordgroep bij → hersenen. Voor een Germaanse afleiding die in dit rijtje past, zie → horzel.
De verschillende betekenissen die het huidige woord hoorn in het Nederlands heeft, kunnen alle worden toegeschreven aan vormgelijkenis met de oorspr. dierenhoorn of aan het materiaal daarvan. Een van de minder duidelijke betekenissen is telefoonhoorn, waarbij de vormgelijkenis met een hoorn alleen geldt voor de oudste technologische voorgangers van de huidige telefoon. Verder komt hoorn van oudsher veel voor in toponiemen met een betekenis ‘hoek, landpunt’, bijv. in Hoorn en Uithoorn (beide Noord-Holland).
Lit.: A.J. Nussbaum (1986), Head and Horn in Indo-European, Berlin

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hoorn1*, horen [uitsteeksel aan dierenkop, blaasinstrument] {oudnederlands horni (mv.) 901-1000, middelnederlands ho(o)rn, horen [uitsteeksel aan dierenkop]; als ‘(beestenhoorn als) blaasinstrument’ 1582} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels, oudnoors horn, gotisch haurn; buiten het germ. latijn cornu, grieks keras, welsh carn [hoef], oudindisch śṛṇga- [hoorn]; verwant met hersenen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hoorn, horen znw. m., mnl. hoorn, hōren, horn, mnd. hōren, os. ohd. horn o., ofri. oe. horn m., on. horn o., got. haurn o. — Idg. stam *kor, gen. *kernés (H. Petersson SVS Lund 1, 1921, 5-7), en verder met (sacraal?) u-suffix: lat. cornu; met s-suffix: gr. kéras ‘hoorn’, oi. śiras ‘kop’; met gutturaalsuffix: oi. sṛnga-, oiers congan (< *korngṇ) ‘hoorn’, osl. srǐna ‘ree’, lett. sirnas mv. ‘reeën’. — Zie: hersenen, hert, rendier en rund.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hoorn, horen znw., als stofnaam o., mnl. hoorn, hōren, horn m. = ohd. (nhd.) horn o., os. horn (wsch. o. evenals mnd. hōren), ofri. ags. (eng.) horn m., on. horn o., got. haúrn o. “hoorn”. Een idg. o-stam evenals kárnon; tēn sálpinga. Galátai (Hes.), waarmee kymr. carn “hoef, handvat” identisch is, — en niet een u-stam zooals lat. cornu “hoorn”. Een g-afl. is oi. çṛ́ŋga- “hoorn”, misschien ook gr. krangōn “een soort krab”. Idg. *ern-o-, -u-, -go- “hoorn” komen van een basis *k̑er(e)-, waarbij zich ’t bij hert besprokene k̑erâ- aansluit, wellicht ook de bij hersenen besproken woordgroep benevens, met u-, w-formans, kymr. creuan “schedel”, gr. kórus “helm”, av. srû-, srvâ- “nagel, hoorn” e.a.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hoorn, horen. Ofri. horn o. (ook m?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hoorn, horen o. en m., Mnl. id., Os. horn + Ohd., Ags., Ofri., On., Zw. en De. id., Go. haurn + Gr. kéras, Lat. cornu, Ier. corn: gelijk hert en hersenen van Idg. wrt. ker = hoofd.

hoorntje o., in hoorntje spelen: z. horn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

hörn hoek (met name in: in houken en hörns ‘in hoeken en gaten’) (Noord-Drente, Groningen). = horen ‘bep. dierlijk lichaamsdeel’ (~ lat. cornu ‘horen’).
Hadderingh/Veenstra 125, Ter Laan 336.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

hoorn (de, -s), (ook:) claxon. - Etym.: In AN veroud. E horn is normaal.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

horing: harde uitgroeisel aan kop v. diere; Ndl. hoorn/horen (Mnl. hoorn/horen/horn), Hd. horn, Eng. horn, On. horn, Got. haurn, verb. m. Lat. cornu en Gr. keras, “horing”; oor -ing in Afr. vgl. doring.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hoorn des overvloeds (vert. van Latijn cornu copiae)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hersenen, van ’t Idg. ker, kers, Skr. cirsa = hoofd. (Idg. k wordt Germ.h.) Ook hoorn en hert zijn er mee verwant.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Hoorn ‘Nederlandse plaatsnaam’ -> Schots † hornis ‘(van munten) geslagen door de bisschop van Hoorn’.

hoorn ‘uitsteeksel aan dierenkop; muziekinstrument (oorspr. van het uitsteeksel aan dierenkop); hoel aan zeil’ -> Zweeds horn ‘hoek van een zeil’ (uit Nederlands of Duits); Negerhollands horn ‘uitsteeksel aan dierenkop; blaasinstrument, jachthoorn’; Berbice-Nederlands hurun(u), hornu ‘uitsteeksel aan dierenkop’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hoorn* uitsteeksel aan dierenkop 0901-1000 [WPs]

hoorn* blaasinstrument 1300 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

962. De horens opsteken,

d.w.z. zich verzetten, oproerig worden; trotsch worden, laten zien, dat men rijk is. In het mnl. komt de uitdr. voor in de Exc. Cron. 257 a; ook staat zij opgeteekend bij Sartorius I, 9, 37 met de verklaring: pro eo, quod est animo efferri: translatum a pecoribus, quae cornibus oppositis minantur. Vgl. Ndl. Wdb. XI, 1253; Lucifer, vs. 1717; Erasmus, CCXXIV; het eng. to show the bull-horns en no. 943. Den zin van: trotsch worden, zijne borst opsteken, de granen opsteken (mnl. en 17de eeuw) heeft de uitdr. ontleend aan de beweging van een hert, dat trots den kop in de hoogte steekt; bij Anna Bijns lezen wij haar in die bet. Refr. 322: Metten vercoornen vliet hooverdicheyt, steeckt niet op u hoornen yet; Sewel, 345; Halma, 227: Zijne hoorns opsteeken, zijn gezag toonen als men in bewind geraakt is; hd. seine Hörner aufstecken; fr. lever les cornes.

1208. De koe bij de horens grijpen (pakken of vatten),

d.w.z. eene moeilijke, gevaarlijke onderneming op de juiste manier flink aanpakken; fri. de kou by de hoarnen pakke of it hynsder (paard) by de team (toom) pakke. De spreekwijze is ontleend aan het vangen van eene koe, die wild rondspringt en die men alleen door haar flink bij de horens te grijpen in zijne macht kan krijgen en kan bedwingen. Vgl. D. Doct. II, 2590: God, onse here, gheeft al goet, maer den osse metten hoornen niet; Servilius, 138*: God geeft den os, mer niet metten hoornen (dii bona laboribus vendunt); zoo ook bij Campen, 13: Godt gheeft die Koe, maer niet by den hoornen, dat herinnert aan de fr. zegswijze Dieu donne biens et boeufs, mais ce n'est pas par la corne; Hooft, Ned. Hist. 231: Zy hebben de koe by de hoornen (ze zijn de grootste moeilijkheden te boven). In sommige streken van Zuid-Nederland zegt men het kalf bij den kop vatten: seffens aanvangen met hetgeen men eigenlijk van zin is, seffens naar zijn doel gaan (Schuermans, 216) en de koe bij 't zeel pakken, de zaak juist en goed aanpakken, zooals 't behoort. In vele talen is de uitdr. bekend; zie Wander, IV, 857 en vgl. fr. prendre le taureau par les cornes; hd. den Stier bei den Hörnern fassen; eng to take the bull by the horns. Naar 't schijnt komt ze bij ons eerst in de 19de eeuw voor. Harrebomée, V. Eijk en Weiland vermelden haar niet.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑er-, k̑erǝ- : k̑rā-, k̑erei-, k̑ereu- ‘das Oberste am Körper: Kopf; Horn (und gehörnte Tiere); Gipfel’, sowohl die leichte wie die schwere Basis oft durch -(e)n-, -s-, -s-(e)-n erweitert, so in k̑er-n-, k̑er-s-, k̑erǝ-s- : k̑rā-s-, k̑r̥̄-s(-e)-n-, usw.

Ai. śíras- n. (ved. nur Nom. Akk.) ‘Kopf, Spitze’, av. sarah- n. ‘Kopf’ (in der 2. Silbe nicht genau = gr. κέρας aus k̑erǝ-s von der schweren Basis; die Red.-Stufe der ersten Silbe, statt *śaras-, ist erst ind. oder urarisch aus dem Vorläufer von ai. Gen. śīrṣṇáḥ usw. verschleppt), Gen. ai. śīrṣṇáḥ, Abl. śīrṣatáḥ (*k̑r̥̄sn̥-tos : gr. κρά̄ατος);
śŕ̥ṅga- (*k̑r̥-n-go-) n. ‘Horn’, vom n-St. *k̑er-(e)n- mit vielleicht ursprüngl. bloß nominativischem g, vgl. gr. κραγγών ‘Krabbe’ und von der u-Basis gr. κορυ-γγ-εῖν κερατίζειν (siehe auch unten über ir. congan);
von der u-Basis av. srū-, srvā- ‘Horn; Nagel an Fingern und Zehen’, srvara ‘gehörnt’ (*srū + bhara-), srvī-stāy- ‘mit hörnernen Widerhaken’;
arm. sar ‘Höhe, Gipfel, Abhang’ (ero-);
gr. κάρ in hom. ἐπὶ κάρ ‘auf den Kopf’, Hippokr. ἀνάκαρ ‘nach oben’, ursprünglich wohl *k̑er Gen. *k̑er-ós (καρός), woraus analogisch κάρ, καρός; daneben κάρᾱ, ion. κάρη ‘Haupt’; ein s-loser St. κᾰρ- ist unabweislich für ἔγ-καρος (und ἄ-καpος mit α- als Tiefst. zu ἐν), ἴγ-κρ-ος ‘Gehirn’;
vielleicht hierher ion. κᾱρῖς, -ῖδος, att. κᾱρίς, -ίδος f. ‘Art Krebs’, dor. κωρίς κουρίς ds.;
kerǝs- in gr. κέρας ‘Horn’ (Gen. ep. κέραος, att. -ως, jünger -ατος, später episch -ά̄ατος) s. unten lat. cerebrum;
*καρασ- (*k̑erǝs-) in: att. κάρᾱ ‘Kopf’ (n. *kerǝs-n̥ > *καραα), ion. κάρη ds., obliquer St. *krāsn- (mit -ατ- für -n-) aeol. Gen. κρά̄ατος, daraus κρᾱτός; Mischbildungen sind καρήατος und κάρητος (*κρᾱσν- = ai. śīr̥ṣṇ-); κάρηαρ; dazu καροῦσθαι ‘sich schwer im Kopfe fühlen’; hom. κάρηνα Nom. Pl. ‘Köpfe, Bergesgipfel’ (sekundär Sg. κάρηνον, att. dor. κάρᾱνον, äol. καραννο-), Grundf. *κάρασνᾰ Pl.; vgl. M. Leumann Homer. Wörter 159.
καρά̄ρα· κεφαλή Hes. (*καρασ-ρα; davon Καρά̄ρων, Vater des Κάρᾱνος);
über κρήδεμνον, dor. κρά̄δεμνον ‘Kopfbinde’ s. Schwyzer Gl. 12, 20; über hom. κατὰκρῆθεν (= κατ’ ἄκρηθεν) s. Leumann Hom. Wörter 56 ff.;
vielleicht κρᾱαίνω ‘vollführe’. Wenn κραιπάλη ‘Katzenjammer nach einem Rausch’ wegen lat. crāpula als κρᾱιπαλη aufzufassen ist (im 2. Gliede dann πάλλω), könnte κρᾱ[σ]ι- neben *καρασ-ρᾱ stehen, wie bei Adjektiven z. B. κῡδι-άνειρα neben κῡδρός;
*κρᾰσ- (*k̑rǝs- oder *κρᾱσ-, *kr̥̄s-) in att. κράσπεδον ‘Saum, Rand; Heeresflügel’; ἀμφί-κρᾱνος (*κρᾰ̄σ-νο-) ‘rings mit Köpfen versehen (Hydra)’, ἐκατόγ-κρᾱνος ‘100köpfig’, ion. ἐπίκρηνον· κεφαλόδεσμον Hes., att. κρᾱνίον ‘Schädel’, ὀλε[νο]κρᾱνον, ωλέκρᾱνον ‘Ellbogen’; κρανίξαι ἐπὶ κεφαλήν ἀπορρῖψαι Hes. woneben mit Hochstufe (: κέρας) κερανίξαι· κολυμβῆσαι· κυβιστῆσαι Hes., ναυ-κρᾱρος ‘Schiffshaupt, Schiffsherr’ (diss. ναυ-κλᾱρος, -κληρος), böot. Λᾱκρᾱρίδᾱς von *Λᾱ-κρᾱρος ‘Haupt des Volkes’; dazu κραῖρα f. ‘Kopf’, ἡμίκραιρα usw. (aus *κρασ-ρια);
o-stufig *κορσ- in ion. κόρση, att. κόρρη, dor. κόρρα ‘Schläfe, Haupt’ (idg. *k̑ors-);
vom -(e)n-St. k̑er(e)n- : κράνος ‘Helm’ (*k̑r̥no-s); κάρνος· ... βόσκημα, πρόβατον Hes.; κέρναι, κέρνα Pl. ‘die beiden Hervorragungen an den Knochenfortsätzen der Rückenwirbel’ (*k̑ern- oder *k̑ers-n); κραγγών ‘Krabbe’ (vgl. oben ai. śŕ̥ṅga-); unklar ist die Bildung von κεράμβυξ, -υκος ‘Hirschkäfer’; κά̄ραβος m. ‘Meerkrebs; Käferart; Art Schiff’ (> lat. carābus ds.), vielleicht mit maked. (?) Ableitung (gr. *-φος) zu κᾱρίς ‘Seekrebs’, s. oben; aber alles unsicher.
Von k̑ereu- : κόρυδός m., f. ‘Haubenlerche’ (: germ. herut- ‘Hirsch’); κόρυς, -υθος ‘Helm’, hom. κῦμα κορύσσεται ‘bäumt sich’ κόρυμβος, κορυφή ‘Gipfel’, κορύπτω ‘stoße mit dem Kopf, denHörnern’, κορυγγεῖν κερατίζειv Hes. (zum -γγ- s. oben zu śŕ̥ṅga-).
Von k̑erei- : κρῑός ‘Widder’ (vgl. in ders. Bed. κεραστής), ablaut. mit anord. hreinn, ags. hrān ‘Renntier’.
Vereinzeltes: κάρτην· την βοῦν. Κρῆτες Hes. (wenn *k̑r̥-tā ‘die Gehörnte’); κυρίττω, κυρηβάζω ‘stoße mit den Hörnern’ (wie κορύπτω; *k̑or-);
lat. cerebrum ‘Hirn’ (*k̑erǝs-ro-m, vgl. gr. καρά̄ρα); cervīx ‘Nacken’ (*cers-vīc-); cernuus, cernulus ‘Gaukler, der Purzelbäume macht, sich kopfüber überschlägt’ (*k̑ers-nou̯os; wenn nicht eher Lw. aus der Sprache der gr. Jongleure, vgl. κερανίξαι), crābrō ‘Hornis’ (s. unten). Vom (e)n-St.: cornū ‘Horn’ (der u-St. vielleicht wie gall. κάρνυξ; ‘Trompete’ durch Verquickung des n- und u-St.); vgl. auch illyr. ON Τρικόρνιον (Moesia), PN Cornuīnus usw. (Krahe IF. 58, 222 f.) aus *k̑r̥n-;
zu crābrō ‘Hornisse’ (*crāsrō, erǝsron-) stellt sich (idg. k̑r̥̄s-еn-):
ahd. hurnū̆z, hornaz, m., ags. hyrnet(u) ‘Hornisse’ (*hurznuta); ndl. horzel (*hurzla-), nhd. Horlitze;
lit. šìršė f., širšlỹs m., šìršuolis, alt širšuo ‘Wespe’, šìršuonas, šìršūnas ‘Hornisse’, lett. sirsis, apr. sirsilis ‘Hornisse’;
russ.-ksl. (usw.) sъrъšenь ‘Hornisse, Bremse’, serb. sȑśljén ‘Hornisse’; vgl. Būga Kalba ir senovė I 191, 224;
bret. kern ‘Scheitel, Wirbel des Kopfes’, mir. cern f. ‘Ecke’; gall. κάρνυξ ‘Trompete’, κάρνον· την σάλπιγγα. Γαλάται; cymr. corn. bret. karn ‘Huf der Einhufer’ (aus ‘*Horn’; aber mir. corn. bret. corn ‘Trinkhorn’, cymr. corn ‘Horn’; wegen des brit. VN Cornoviī usw. kaum aus dem Lat.);
ahd. hirni, anord. hiarni ‘Hirn’ (*k̑ersniom), ndl. hersen ‘Hirn’, anord. hiarsi ‘Scheitel, Wirbel des Kopfes’ (*k̑erson-); vom (e)n-St.: got. haúrn, ahd. anord. horn ‘Horn, Trinkhorn, Trompete’ (s. oben zu lat. cornu), mit t-Suffix (vgl. oben gr. κάρτην) dazu ahd. (h)rind, ags. hrīðer n. ‘Horntier’, tiefstufig ags. hrȳðer ds., nd. ndl. rund ‘Rind’. Von der u-Basis: ahd. hiruz, as. hirot, ags. heorot, anord. hjǫrtr, nhd. Hirsch (-d-Formans wie in gr. κόρυδος; ebenso in:) anord. hrūtr ‘Widder’;
lett. sirnas Pl. ‘Rehe’. (Endzelin KZ. 42, 378) = aksl. srъna ‘Reh’ (: κάρνος); ablautgleich mit cymr. carw;
dazu gehört die Ableitung:
k̑erǝu̯o-s : k̑ṝu̯o-s ‘gehörnt, hirschköpfig, als Subst. Hirsch’ oder ‘Kuh’.
gr. κεραός ‘gehörnt’;
lat. cervus, m. ‘Hirsch’, cerva f. ‘Hirschkuh’, davon cervīnus ‘isabellfarben’, gall.-lat. cervēsia, cervīsia ‘hirschfarbenes, braunes Getränk, Bier’ (Pokorny Vox Rom. 10, 259);
cymr. carw, corn. carow, bret. karo m. ‘Hirsch’ (*kr̥̄u̯o-s); dazu der Gebirgsname Karawanken;
apr. sirwis m. ‘Reh’ (daraus entlehnt finn. hirvi ‘Elentier, Hirsch’ vgl. auch sarve, lapp. čuarvi ‘Elentier’);
wahrscheinlich aus einer Kentumsprache stammen:
alb. ka ‘Ochse’ (*k̑r̥̄u̯-);
lit. kárvė ‘Kuh’; dazu kárviena f. ‘Kuhfleisch’ (: čech. kravina ‘Kuhhaut’);
russ.-ksl. krava, poln. krowa, russ. koróva f. ‘Kuh’ (*k̑orǝu̯ā); ablaut. apoln. karw (*k̑r̥̄u̯o-s) ‘alter Ochse’ (daraus entlehnt apr. curwis Vok., Akk. kurwan ‘Ochse’).

WP. I 403 ff., WH. I 164, 203 f., 206, 207, 276, 283 f., 284, 856, 858, Trautmann 119, 305 f., Schwyzer Gr. Gr. I 583, Benveniste Origines 24 f., 175.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal