Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoeker - (vissersschip)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hoeker* [vissersschip] {1685} zo genoemd omdat men op het schip viste met hoekwant, dus afgeleid van hoek.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hoeker znw. m. ‘vaartuig dat met hoekwant vist’ (eerst vroeg-nnl.), is dus afgeleid van hoek, wat nog blijkt uit Kiliaen: hoeck-boot q.d. haeck-boot ‘navis piscatoria, ab hamis dicta’, vgl. nog mnd. hūkebōt, hūkbōt. — > nhd. huker, ne. hooker, fra. houcre.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hoeker znw., sedert ’t oudere Nnl. Oorspr. bet.: “visschersboot voor de “vaart te hoeke”, d.i. voor de hoekwantvisscherij”, dus een afl. van hoek, evenzoo Kil. “hoeck-boot q.d. haeck-boot. Navis piscatoria, ab hamis dicta”, mnd. hûk(e)bôt “een soort schuit”. Uit ’t Ndl., deels via ’t Ndd., nhd. huker, eng. hooker, verouderd de. hukkert, fr. houcre.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hoeker m., boot voor de vaart te hoeke. Hieruit Hgd. huker, Eng. hooker en Fr. houcre.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hoeker ‘vissersschip’ -> Engels hooker ‘vissersschip’; Duits Huker ‘breed, plat zeilschip dat bij de visserij in open zee ingezet wordt’; Deens hukkert ‘in Scandinavië en Nederland gebruikt klein, breed handelsschip’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors † hukkert ‘op een galeas lijkend, enigszins platbodemd handelsvaartuig met drie masten’; Zweeds huckert ‘in Scandinavië en Nederland gebruikt vrachtschip’; Fins hukertti ‘vissersschip’ <via Zweeds>; Frans † houcre ‘soort schip, voornamelijk bestemd voor de vangst van kabeljauw’; Russisch gúkar ‘platboomde tweemaster’; Amerikaans-Engels dialect hooker ‘werkboot, vooral om mee te vissen; oude of plompe boot’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels hooker, werkboot, vooral om mee te vissen; een oude of plompe boot (DARE).
- Van Nederlands hoeker ‘bepaalde vissersboot’; overgenomen in de zeventiende of achttiende eeuw en nog in gebruik.
* De Nederlandse naam hoeker is een afleiding van hoek (zie hook in 2.5) dat verschillende betekenissen heeft waaronder die van ‘vishaak’ - een betekenis die inmiddels is verouderd. Een hoeker was oorspronkelijk een vissersboot waarop men vis ving met een hoek. De naam hooker is ook overgenomen door het Brits-Engels, maar waarschijnlijk is de ontlening in het Amerikaans-Engels onafhankelijk daarvan gegaan. Er zijn twee redenen die daarvoor pleiten: de eerste is dat het woord in het Amerikaans-Engels een specifieke betekenis heeft gekregen die niet bestaat in het Brits-Engels, namelijk die van ‘werkboot’ en ‘oude, plompe boot’; en ten tweede dat uit DARE blijkt dat het woord vooral in New England voorkomt, waar het overigens enigszins ouderwets aandoet.
1830 My debut as a blue jacket took place in 1815, on board an “old barn of a hooker,” that was built during the war, down east.
1910 “He wrote me that he came up the river on a brig.” “Yes, I commanded the old hooker.”
1918 Hooker ... A boat, especially of an inferior sort. “It was pretty rugged out there for his old hooker.”
1969 They had two ... they always called them hookers, boats ... They’d load the day’s fish and then go that night [from Washington Island] to Green Bay. (DARE)
1975 Hooker - Originally a Dutch fishing boat with sturdy lines; hence any good workboat.
Bij hooker zullen de meeste mensen niet zozeer aan een boot denken als wel aan The Happy Hooker Xaviera Hollander - een pseudoniem voor Vera de Vries. Van haar openhartige autobiografie met deze titel, die in 1971 verscheen, gingen wereldwijd meer dan zestien miljoen exemplaren over de toonbank. Komt ook hooker ‘hoer’ uit het Nederlands? Is de vrouwelijke hooker afgeleid van de naam van de boot, zoals de zwervende tramp is afgeleid van een tramp steamer, omdat de oudste tramps zich verplaatsten via boten?
Een aannemelijkere verklaring wordt gegeven door Bartlett. In de tweede druk van zijn Dictionary of Americanisms uit 1859 veronderstelt hij dat het woord hooker is afgeleid van de naam Corlear’s Hook, kortweg Hook, een landpunt in de East River in New York waar verschillende bordelen voor zeelieden waren ingericht.
1859 Hooker. A resident of the Hook, i.e. a strumpet, a sailor’s trull. So called from the number of houses of ill-fame frequented by sailors at the Hook (i.e., Corlear’s Hook) in the city of New York.
Corlear’s Hook heette eerder Corlaers Hook en was genoemd naar Jacobus van Corlaer, die zich daar vestigde vóór 1640 - hij was familie van Arendt van Corlaer die in 1662 de kolonie Schenectady aan de oevers van de Mohawk stichtte, en wiens naam in het Irokees de titel voor hooggeplaatsten werd.
De herkomst die Bartlett geeft, wordt echter in twijfel getrokken omdat hooker al eerder, in 1845, is aangetroffen in North Carolina, ver weg van Corlear’s Hook. Maar inmiddels is er een nieuwe vindplaats opgedoken, en wel in de New York Transcript van 25 september 1835. Daarin wordt verslag gedaan van een verhoor voor de politierechter waarin een vrouw een hooker wordt genoemd, omdat zij ‘hangs around the hook’ - en hier is opnieuw sprake van Corlear’s Hook. Desondanks houden sommige etymologen, zoals Quinion en Wilton, de mogelijkheid open dat hooker niet een afleiding is van het aan het Nederlands ontleende hook, maar van het inheemse Engelse hook ‘haak’, en dat de naam impliceert dat een hooker haar klanten ‘hooks’, dus aan de haak slaat. Maar een compromis is ook niet uitgesloten: de hookers uit de omgeving van Corlear’s Hook werden wellicht naar deze wijk genoemd, en in andere plaatsen dacht men aan een (fish)hook.
Hoe dit ook zij, er is één etymologie van het woord hooker die in geen geval klopt, hoewel zij vaak wordt herhaald: een hooker is niet genoemd naar Joseph ‘Fighting Joe’ Hooker, generaal-majoor in het Noordelijke Leger tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog en berucht om zijn levenswandel. Hoewel zijn hoofdkwartier gold als een kruising tussen een bar en een bordeel, kan hij zijn naam niet geleend hebben aan de hooker, om een eenvoudige chronologische reden: Fighting Joe was commandant in 1863 en toen was er al bijna 30 jaar sprake van hookers.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

keg-, keng- und kek-, kenk- ‘Pflock zum Aufhängen, Haken, Henkel’; auch ‘spitz sein’, vgl. das ähnliche k̑ak-, k̑ank-; und k̑enk-, k̑onk-

Npers. čang ‘Klaue, Faust’ (*kengo-);
mir. ail-cheng f. ‘Rechen, Waffengestell’ (: lit. kéngė, s. unten);
germ. *hakan-, *hōka-, *hēkan- m. ‘Haken’ in: aisl. PN Haki m. ‘Haken’, haka f. ‘Kinn’, ags. haca m. ‘Riegel’, hæcce f. ‘Krummstab’; aisl. hākr m. ‘Frechling’, ahd. hāko, hāggo ‘Haken’, ags. hōc m. ‘Haken’, mnd. hok, huk m. ‘Winkel, Ecke, Vorgebirge’, aisl. høkja f. (*hōkiōn-) ‘Krücke’, høkill m. ‘Hinterbug’; mit intensiver Gemination: ags. haccian ‘hacken’, mnd., mhd. hacken ds., und die j-Verba: ags. ofhæccan ‘amputare’, ahd. hecchen ‘beißen, stechen’, mhd. hecken ‘hauen, stechen’; nasaliert mnd. hank ‘Henkel’ (daraus aisl. hǫnk m., hanki f. ‘Henkel’), ndl. honk, ostfries. hunk ‘Pfahl, Pfosten’;
germ. *hakilō f. ‘Hechel’ (von den gekrümmten Eisenzähnen) in: asächs. hekilon ‘hecheln’, engl. hatchel, mhd. hechel ‘Hechel’, norw. hekla ‘Hechel, Stoppel’;
germ. *hakuda- m. ‘Hecht’ (nach den spitzen Zähnen) in ags. hacod; *hakida in ags. hacid m., ahd. hachit, hechit, mnd. heket ‘Hecht’;
lit. kéngė f. ‘Haken, Klinke’;
slav. *kogъtь m. in russ. kógotь ‘Klaue, gekrümmte Eisenspitze’, osorb. kocht ‘Dorn, Stachel’ (: germ. *hakuda-);
vielleicht hierher, als ‘auf einen Haken hinaufhängen, wie mit einem Haken kratzen, reizen’: bulg. káčъ, káč(u)vam ‘erhebe, erhöhe, hänge’, za-káčъ, -káčam ‘hänge, fasse, necke’, serb. zàkačiti ‘anhaken’, sloven. káčiti ‘necken, ärgern’ (Berneker 465 f.).

WP. I 382 f., WH. I 307, Trautmann 112, Wissmann Nom. postverb. 182 f., Petersson, Heterokl. 91 f.; Stokes BB. 25, 252.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal