Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoek - (scherpe punt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hoek zn. ‘scherpe punt’
Onl. -huc ‘landpunt’ in Bertenhuc ‘ligging onbekend in Zeeland’ [1177-87; Künzel]; mnl. hoec ‘ruimte bij een hoek, tussen twee elkaar snijdende vlakken of lijnen’, vaak als aanduiding voor een stuk land of als veldnaam: jn den hoec .ij. linen. preter .iiij. roden ‘in de hoek twee lijnen (=oppervlaktemaat) minus vier roeden’ [1268; CG I, 129], in die tve oeke an die oest side ‘in de twee hoeken aan de oostzijde’ [1285; CG I, 1038], ‘schuilplaats’ in die dieue haer entare ondersochten huse ende hoeke ‘de dieven doorzochten overal huizen en schuilplaatsen’ [1285; CG II, Rijmb.].
Os. hōk ‘haak’ (mnd. hōk, hūk ‘hoek, landpunt’); ofri. hōk ‘id.’ (nfri. hoek(e)); oe. hōc ‘hoek, haak’ (ne. hook); on. hœkja ‘haak, kruk’; < pgm. *hōk- ‘hoek’.
Er zijn geen exacte verwanten buiten het Germaans. Pgm. *hōk- is een van de varianten van de groep substraatwoorden die onder → haak worden beschreven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hoek* [ruimte tussen twee lijnen of vlakken] {in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Bertenhuc 1177-1178, hoec 1268} oudsaksisch, middelnederduits hōk, oudengels hōc; ablautvorm van haak. De uitdrukking het hoekje omgaan [sterven] is ontleend aan de scheepvaart. Veel zeelieden gingen rond de hoek van onze zeegaten uit het zicht en men moest maar afwachten of zij ooit weer terugkeerden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hoek znw. m., mnl. hoec, houc ‘hoek, oord, haak’, os. hōk ‘soort paal’, mnd. hōk, hūk ‘hoek’, oe. hōc ‘haak’ (ne. hook) en on. hœkja ‘kruk’. — Abl. naast haak.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haak znw., mnl. hâke, hāke, haec m. NB. N.-Brab. hook (oo < â), maar achterh. hake (ā). = ohd. hâko (hâgo, hâggo; nhd. haken) m. “haak” resp. os. hako m. “haak”, ags. haca m. “pessulus” (met germ. a ook ags. hæcce “bisschopsstaf”), de. hage, zw. hake “haak”. Een derde ablautstrap in ndl. hoek, mnl. hoec, houc m. “hoek, oord, haak”, os. hôk (m.?) “soort paal”, mnd. hôk (hûk) m. (o.) “hoek”, ags. hôc m. “haak” (eng. hook), on. hø̂kja v. “kruk”. Wsch. verwant met lett. keg’is “kruk”. Opvallend is de ohd. wisseling g, gg, k. Vgl. hekel I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hoek m., Mnl. id., On. hôk + Ags. hóc (Eng. hook), On. hókja (= kruk): z. haak; de bet. zijn: 1. haak, 2. haakvormig voorwerp.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hook (zn.) hoek; Aajdnederlands huc <1177-1187>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hoek: “wyns.”, bv. Worcesterhock; uit Eng. hoek uit Hochheimer na plekn. Hochheim in Duitsland (WAT).

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

hoek 'scherpe bocht, (afgelegen) plaats'
Veel voorkomend toponymisch grondwoord in vooral jongere namen met de betekenis 'scherpe of uitspringende bocht'. Het benoemingsmotief varieert. In poldergebieden gaat het veelal om een knik in de dijk, vergelijk het synoniem horn 'uitspringende bocht, hoek'. Elders is de ligging tussen twee elkaar snijdende wateren of wegen van invloed geweest. Soms heeft ook de afgelegenheid een rol gespeeld: hoek wordt dan tot een algemene benaming voor een afzijdige ligging, een aan de rand gelegen groepje huizen, een uithoek, hier weergegeven als '(afgelegen) plaats', te vergelijken met toponymische grondwoorden als eind en kant.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hoek ‘ruimte tussen twee snijdende lijnen’ (bet. van Latijn angulus)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De vier of alle hoeken der aarde, de verste uithoeken van de aarde, alle windstreken.

De vier verst verwijderde plaatsen of hoeken der aarde kan men genoemd zien in de Openbaring, bijvoorbeeld in het volgende visioen: 'Hierna zag ik vier engelen bij de vier hoeken van de aarde staan. Zij hielden de vier winden van de aarde in bedwang' (Openbaring 7:1, NBV). Hier spreekt een oud wereldbeeld uit waarin de aarde een plat vlak was met een centrum en met streken die daarvan het verst verwijderd waren. De uitdrukking is niet meer algemeen bekend.

Liesveldtbijbel (1526), Openbaring 7:1. Ende dair na sach ic vier ingelen staen op die vier hoecken der aerden die hielden, die vier wijnden der aerden.
Dan leg ik U voorzichtig op het bed / waar de vier hoeken van de wereld stonden, / aan de vier einden van die grote sponde / als wachters in de kamer uitgezet. (G. Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985 (Monogram, 1949), p. 737)
De voortdurende toevoer van nieuws uit alle hoeken der aarde heeft de actualiteit dusdanig gemeengoed gemaakt, dat men ook van de literatuur een weerspiegeling verwacht van de stromingen en tendenties die de werkelijkheid van nu dagelijks te zien geeft. (De Groene Amsterdammer, 23-7-1960)

Hoeksteen, gehouwen steen ter versterking en verbinding op de hoek van een gebouw geplaatst; (fig.) belangrijkste onderdeel van iets, dat de overige elementen verbindt en ondersteunt. Ook van personen.

Het figuurlijk gebruik van hoeksteen is wel aan de bijbel ontleend; zie bijvoorbeeld in Zacharia 10:4, waar wordt voorzegd dat God uit zijn volk de hoeksteen van het huis van Juda zal laten voortkomen. In de jongere vertalingen komt hoeksteen ook voor in Psalmen 118:22: 'De steen die de bouwers afkeurden / is een hoeksteen geworden' (NBV). Hier wordt gedoeld op de nietige mens die toch door God gezien wordt. Later is deze uitspraak betrokken op Jezus. In het Nieuwe Testament wordt hij dan ook eenmaal hoeksteen genoemd.
Tegenwoordig is vooral de verbinding het gezin is de (of het gezin als) hoeksteen van de samenleving bekend, een slogan die door het CDA naar voren werd gebracht. Daardoor wordt er wel een rechtstreekse relatie tussen het woord hoeksteen en het gezin gelegd; zie de citaten met hoeksteen-idealen 'op het gezin gerichte idealen' en hoeksteen-achtig 'verwijzend naar het gezin', waarbij 'gezin' enigszins negatief als burgerlijk, bekrompen verschijnsel wordt voorgesteld.

Statenvertaling (1637), Zacharia 10:4. Van het selve sal de hoeck-steen, van het selve sal de nagel, van het selve sal de strijt-boge, te samen sullen van het selve alle drijvers voort-komen.
In tegenstelling tot de mensen die het geloof in hun eigen gelijk voor de hoeksteen van hun geestelijke gezondheid houden. (J.J. Voskuil, Het A.P. Beerta-Instituut (Het Bureau 4), 1998, p. 83)
De oude vos Hans Hillen, in vorige levens journalist en woordvoerder van het ministerie van Financiën en sinds jaren de hoeder van het gezin als hoeksteen van de samenleving. (De Volkskrant, 13-2-1999, p. 7)
De zo gerieflijk getrouwden, veilig opgeborgen in de door hun ouders volgebouwde maatschappij, waren dan wel te bewegen tot partnerruil, groepssex en andere gelegenheidscomposities maar zeker niet tot afstand doen van het bankstel en de hoeksteen-idealen in het algemeen. (H. Pleij, Het Nederlandse onbehagen, 1991, p. 59)
'Harmonie' klonk weer te zijig en hoeksteen-achtig voor hun verbond (wat niet betekende dat zij geen evenwicht en eendracht hadden bereikt waar vagelijk bevriende stellen soms wat ongemakkelijk van raakten). (J. Zwagerman, De buitenvrouw, 1995, p. 34)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hoek ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken; landtong; haak’ -> Engels hook ‘scherpe bocht; landtong’; Duits dialect Hoek, Huk, Hok, Huok ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken; hok; kamertje’; Duits Huk ‘landtong, die het rechtlijnige verloop van een kust onderbreekt’; Deens huk ‘uitsteeksel bij de kust’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors hukk ‘scherpe bocht; hoge landtong’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans † houcle ‘chirurgisch instrument dat dient om de randen van een wond samen te trekken’; Frans † houlx ‘vishaak’; Russisch guk ‘uitstekende punt van het land’; Zuid-Afrikaans-Engels hoek ‘landschapselement gekenmerkt door in- of uitwendige hoeken’; Indonesisch huk ‘ruimte tussen twee lijnen of (verticale) vlakken (kamer, straat); slag die van opzij komt (boksen)’; Ambons-Maleis huk ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’; Jakartaans-Maleis huk ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken, donkere plek’; Kupang-Maleis huk ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’; Menadonees huk ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’; Ternataans-Maleis huk ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’; Japans hokku ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’; Amerikaans-Engels hook ‘scherpe bocht in rivier; landtong’; Negerhollands hoek ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken, puntig uitsteeksel’; Berbice-Nederlands huku ‘haak, binnenhoek’; Papiaments huki (ouder: hoeki) ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’; Sranantongo (h)uku ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken; vishaak’; Karaïbisch ukuru ‘met een vishaak vangen’ <via Sranantongo>; Sarnami huku ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’; Surinaams-Javaans uku ‘ruimte tussen twee lijnen of vlakken’ <via Sranantongo>.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels hook, landpunt (Craigie, Webster).
- Van Nederlands hoek; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog bewaard in plaatsnamen. Zie ook hooker in 2.12.
* Engels hook en Nederlands hoek zijn met elkaar verwant, maar de betekenissen van deze twee woorden zijn uiteen gelopen: qua betekenis komt het Engelse hook overeen met het Nederlandse haak; zo heet een vishaak in het Engels een fishhook. Het Nederlandse hoek betekent in eerste instantie ‘scherpe punt, bocht’, en vandaar ‘landpunt’ - zoals in Hoek van Holland. En in die betekenis ‘landpunt’ heeft het Amerikaans-Engels het woord overgenomen. Het is voornamelijk bewaard gebleven in plaatsnamen. Stewart schrijft in zijn Concise Dictionary of American Place-Names dat Hook vooral voorkomt in Delaware, New Jersey en New York. Als voorbeelden noemt hij Bombay Hook Point, Marcus Hook, Hook Brook.
Nog steeds bekende Nederlandse hoeken zijn Ponkhockie (‘Punthoekje’), Primehook (‘Pruimhoek’, omdat er wilde pruimenbomen groeiden), en Sandy Hook: deze naam komt voor op een Nederlandse landkaart uit 1656 als Sant Punt ‘Zandpunt’, maar in plaats van het synonieme punt werd vaak hoek gebruikt; de vorm is later verengelst.
1670 A Plantation with proporcon of meadow ground for Hay for their cattle on Verdrietiges or Trinity Hook at Delaware.
1781 I am just informed that the British Fleet have again sailed from the hook.
1848 Hook. (Dutch, hoek, a corner.) This name is given in New York to several angular points in the North and East rivers; as, Corlear’s Hook, Sandy Hook, Powles’s Hook. (Bartlett)
1872 It was in the same way that the Dutch hoek, a corner, though generally modified into English-looking hook, is still found as part of the name of certain corners or angular points in the Hudson and the East Rivers, such as Sandy Hook, the first land sighted by the traveller from abroad, and Kinderhook, high up the river, made famous by the name of its owner, Martin Van Buren. (Schele de Vere)
De bekendste Hook-naam is wel Kinderhook NY, letterlijk ‘kinderhoek’; de naam dateert uit het begin van de zeventiende eeuw en verwijst waarschijnlijk naar een of ander voorval waarbij indiaanse kinderen waren betrokken. Dit Kinderhook speelt een belangrijke rol in wat Quinion noemt ‘het bekendste en wijdverbreidste amerikanisme, overal gebruikt en herkend, zelfs door mensen die nauwelijks een woord Engels kennen’ - namelijk het tussenwerpsel OK.
Er zijn meer dan drieëndertig verklaringen voorgesteld voor OK, maar uiteindelijk heeft Allen Walker Read aangetoond dat het staat voor Oll Korrect, een opzettelijke verschrijving van all correct ‘alles in orde’. In 1838 en 1839 was het in Boston en New York City een populair spel om afkortingen te verzinnen, en dit was er een van. Het oudste citaat stamt uit de Boston Morning Post:
1839 He ... would have the ‘contribution box’, et ceteras, o.k. - all correct - and cause the corks to fly, like sparks, upward.
OK is als enige van die vele afkortingen een blijvertje gebleken. Als oorzaak daarvoor komt Kinderhook om de hoek kijken. In Kinderhook is Martin van Buren, de achtste president van de VS, geboren en gestorven. Zijn voorouders kwamen uit Nederland en thuis spraken ze Nederlands. Toen Van Buren in 1840 campagne voerde om herkozen te worden, maakten zijn tegenstanders hem uit voor ‘the Dutchman of Kinderhook’ en ‘Old Kinderhook’. De democraten kozen dit laatste als geuzennaam en richtten The Democratic O.K. Club op, om Van Buren te helpen aan een tweede termijn. Zij gebruikten O.K. of OK als slogan. Als gevolg hiervan werd OK met als betekenis ‘all correct’ algemeen bekend, ook al verloor Van Buren de verkiezingen. Er ligt dus weliswaar geen Nederlandse naam aan ten grondslag, maar zonder een Nederlandssprekende president uit een plaats met een Nederlandse naam had OK nooit de bekendheid en verbreiding gekregen die het tegenwoordig heeft.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hoek* ruimte tussen twee lijnen of vlakken 1177-1187 [Claes]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

hoek: iemand alle —en van de kamer laten zien, iemand een stevig pak ransel geven, hevig bekritiseren. Deze informele uitdrukking is mogelijk ontleend aan de bokssport: iemand alle hoeken van de ring laten zien. Begin jaren tachtig populair geworden.

Dan zoek je een hondje voor hem, een niet al te harde bijter. Hij moet er dan echt ‘inklappen’ en niet een beetje staan afwachten. Dat ging prima, hoewel die andere hond, die zwaarder was, hem drie minuten lang alle hoeken van de kamer liet zien. (NRC Handelsblad, 29/07/88)
We hebben Feyenoord vijf kwartier lang alle hoeken van het veld laten zien. (Elsevier, 20/04/96)
Want ja, Kok en Bolkestein zullen ervoor waken om deze dame tijdens het beslissende verkiezingsdebat alle hoeken van de televisiestudio te laten zien. (Elsevier, 07/06/97)
Het was in 1992 (denk ik) en Steffi Graf was op weg al haar tegenstandsters alle hoeken van de baan te laten zien. (Nieuwe Revu, 25/06/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

909. Uit den hoek komen (of schieten),

d.w.z. te voorschijn komen, optreden; zich op een bepaalde wijze voordoen, (be)toonen. Vgl. C. Wildsch. II, 37: Maar nu zij mijn' man tegen mij opzet, nu zal ik ook uit den hoek komen, en haar eens ter deeg de waarheid zeggen; IV, 193: Nu ben ik recht boos op haar: zij moest mij dat evenwel niet weer bakken of ik zou anders uit den hoek komen; Harreb. I, 310; Kippev. 111; 268; II. 155; Schakels, 40: God, vader, wat kan je onnoozel uit de hoek kommen! Zoek. 92: Ze was werkelijk wellis 'n beetje ordinair in 'r mond, ja ze kon wellis 'n beetje grof uit de' oek komen; Het Volk, 3 April 1914 p. 2 k. 2: Gisteravond zijn de patroons uit den hoek gekomen, en is los gekomen wat de heeren in hun schild voeren; Nkr. IX, 6 Maart p. 6: Ik wou dat je er een beteren kijk op hadt gehad, wat arme menschen zijn. Dan was je niet zoo plomp verloren uit den hoek gekomen; 15 Mei p. 4: Bravo! bravo! riep de eed'le d'Aumale van Hardenbroek en Van Wassenaar van Katwijk kwam ook met applaus uit den hoek; fri. ut 'e hoeke komme, onbekrompen zijn in 't geven of uitgeven voor zeker doel; onbewimpeld zijn meening zeggen.

910. Het hoekje om zijn (gaan of raken),

d.w.z. dood zijn, gestorven zijn; sterven; de bocht omgaan, - om zijn (Harreb. II, LXIII b; Molema, 43 b); eigenlijk zooveel als heengaan, uit het oog verdwijnen. De uitdr. is ontleend aan de zeelieden, die bij het uitzeilen den hoek van een onzer zeegaten omgingen en vaak nooit weer gezien werden; vgl. bijv. Abr. Blank. I, 23: Hoe veel Leeraars gaan 'er alle jaar het hoekje van Westcappèl niet om, om Heidenen en Mooren te bekeeren. Zie het Ndl. Wdb. X, 212-213; VI, 801 en vgl. Kluchtspel III, 130: Waer sy maer 't hoeckjen om, ick niet een traentjen liet; Vondel's Joseph in Dothan, vs. 426: Wij zullen hem terstond gaan helpen om een hoek (= dooden), waarvoor de Duitschers ook zeggen einen um die Ecke bringen; ook bij hen beteekent um die Ecke sein, plotseling gestorven zijn: ‘lautlos verschwindet der um die Straszenecke biegende aus dem Gesichtskreis’ (Borchardt no. 271); eng. to hook it, er uitsnijden, wegloopen. Zie nog Antw. Idiot. 563; no. 335 en vgl. het Friesch: hy giet de hoeke om.

911. In het hoekje zitten, waar de slagen vallen,

d.w.z. aan allerlei leed bloot staan, een Jan Ongeluk, een Jonas zijn. Zie bij Sartorius II, 8, 79: Sus sub fustem. In het hoeckxken daer de slagen vallen. Ubi quis sese in praesens discrimen aut pernitiem praecipitat; Winschooten, 278: Hij wierd met het spit gesmeeten: en hij heeft van het gebraad niet gegeeten: dat is, hij komt altijd in het hoekje, daar de slaagen vallen; De Brune, 462: Hy heeft het vijfde vierendeel. In 't hoeckjen daer de slaghen vallen; Tuinman I, 298; nal. bl. 7: Men is gehouwen of geslagen. Dit wil zeggen men komt altyd slecht uit, men is altyd in 't hoekje daar de slagen vallen; II, 197; Halma, 220: Hij komt altijd in 't hoekje daar slagen vallen, hij krijgt altijd eenig ongemak; Sewel, 337; Harreb. I, 310; Nkr. I, 5 Jan. p. 3; VII, 15 Mrt. p. 2.

2583. De wind waait uit een anderen (of een verkeerden) hoek,

eig. gezegd door den schipper, die een anderen of ongunstigen wind krijgt; vandaar bij uitbreiding gebezigd van omstandigheden, die zich wijzigen of voor een bepaald doel ongunstig zijn, het tegenwerken, niet bevorderenOok bezigt men: de wind is gedraaid of gekeerd, de omstandigbeden zijn veranderd (vgl. reeds Roode Roos, 173: t Is messelyck hoet windeken gedrayt is) of de wind is om (Hooft, Brieven, IV, 34); Harreb. II, 469: De wind is bij hem gansch omgedraaid; Nkr. I, 20 Juli p. 6: De wind begint te keeren, Bram weet er alles van; Teirl. II, 120: de wend es gekeerd.. Vgl. Tuinman I, 949: Het waait uit dien hoek, dat wil zeggen, van die zyde heeft men de gunst en drift, van daar komt het; II, 162: de storm kwam uit dien hoek niet, dat is, vandaar kreeg het quaad zynen oorsprong niet, het waaide uit eenen anderen hoek; Boerekrakeel, 236:

 Loop, loop, zei Kees, jy weet niet waer
 De wynt van daen komt; maar wy weeten
 De zaek al aers, des zwyg maer stil.

W. Leevend, VI, 13: Al waait het eens uit den verkeerden hoek, dat is fut; V. Janus, 143: Die wind begint uit een' geheel anderen hoek te waaien, die bortjens schijnen deerlijk voor u verhangen te zijn; Harreb. I, 310: De wind waait daar uit geen goeden hoek. Weten uit welken hoek de wind waait, weten hoe 't met iets gelegen is, hoe de zaken staan; weten, waar men zich aan te houden heeft; zie Harreb. I, 380: Hij weet wel van welken kant de wind waait; Ndl. Wdb. VI, 799; afrik. Waai die wind uit daar die hoek? staan de zaken zoo? fr. regarder de quel côté vient (ou souffle) le vent, observer le cours des événements pour y conformer sa conduite (Hatzf. 2227 a); eng. tho know in what quarter does the wind sit, which way (or how) the wind blows; according as the wind blows; hd. wissen woher der Wind kommt; Zuidnederl. weten, zien hoe of vanwaar de wind komt, zien welke wending de zaken nemen, of hoe iemand gezind is (Joos, 99; Rutten 279 a; Waasch Idiot. 746; Schuerm. 865 a); de wind komt uit het noorden of 't is vandaag noordenwind, gezegd van iemand die er kwaad uitziet (Schuerm. 414 b); fri.: min moat witte ut hwet hoeke de wyn waeit, men moet altijd de noodige omzichtigheid in acht nemen.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

keg-, keng- und kek-, kenk- ‘Pflock zum Aufhängen, Haken, Henkel’; auch ‘spitz sein’, vgl. das ähnliche k̑ak-, k̑ank-; und k̑enk-, k̑onk-

Npers. čang ‘Klaue, Faust’ (*kengo-);
mir. ail-cheng f. ‘Rechen, Waffengestell’ (: lit. kéngė, s. unten);
germ. *hakan-, *hōka-, *hēkan- m. ‘Haken’ in: aisl. PN Haki m. ‘Haken’, haka f. ‘Kinn’, ags. haca m. ‘Riegel’, hæcce f. ‘Krummstab’; aisl. hākr m. ‘Frechling’, ahd. hāko, hāggo ‘Haken’, ags. hōc m. ‘Haken’, mnd. hok, huk m. ‘Winkel, Ecke, Vorgebirge’, aisl. høkja f. (*hōkiōn-) ‘Krücke’, høkill m. ‘Hinterbug’; mit intensiver Gemination: ags. haccian ‘hacken’, mnd., mhd. hacken ds., und die j-Verba: ags. ofhæccan ‘amputare’, ahd. hecchen ‘beißen, stechen’, mhd. hecken ‘hauen, stechen’; nasaliert mnd. hank ‘Henkel’ (daraus aisl. hǫnk m., hanki f. ‘Henkel’), ndl. honk, ostfries. hunk ‘Pfahl, Pfosten’;
germ. *hakilō f. ‘Hechel’ (von den gekrümmten Eisenzähnen) in: asächs. hekilon ‘hecheln’, engl. hatchel, mhd. hechel ‘Hechel’, norw. hekla ‘Hechel, Stoppel’;
germ. *hakuda- m. ‘Hecht’ (nach den spitzen Zähnen) in ags. hacod; *hakida in ags. hacid m., ahd. hachit, hechit, mnd. heket ‘Hecht’;
lit. kéngė f. ‘Haken, Klinke’;
slav. *kogъtь m. in russ. kógotь ‘Klaue, gekrümmte Eisenspitze’, osorb. kocht ‘Dorn, Stachel’ (: germ. *hakuda-);
vielleicht hierher, als ‘auf einen Haken hinaufhängen, wie mit einem Haken kratzen, reizen’: bulg. káčъ, káč(u)vam ‘erhebe, erhöhe, hänge’, za-káčъ, -káčam ‘hänge, fasse, necke’, serb. zàkačiti ‘anhaken’, sloven. káčiti ‘necken, ärgern’ (Berneker 465 f.).

WP. I 382 f., WH. I 307, Trautmann 112, Wissmann Nom. postverb. 182 f., Petersson, Heterokl. 91 f.; Stokes BB. 25, 252.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal