Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoe - (op welke wijze)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hoe bw. ‘op welke wijze’, ‘met welke naam’, ‘om welke reden’, ‘in welke zin’, ‘in welke mate’, ‘in gelijke mate’
Onl. huo ‘op welke wijze’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. huo ‘op welke wijze’ [1236; CG I, 23], meestal al hoe [1254; CG I, 60].
Os. hwō, hwuo, (mnd. , ); ohd. wuo; ofri. , ; oe. (ne. how); < pgm. *hwō, oorspr. wrsch. een instrumentalis van de stam *hwa-. Vergelijkbare vormen zijn daarnaast: os. hwī; oe. hwī (ne. why ‘waarom’); on. hví ‘hoe, waarom’ (nde. hvi); < pgm. *hwī. En ohd. hwē, (h)wēo, (h)weo, (h)wio, (h)wie (nhd. wie); got. hwē; < pgm. *hwē(-).
Pgm. *hwa- gaat terug op een adjectivische stam pie. *kwo-, waarbij ook horen: Sanskrit ká-ḥ ‘een of ander’; Avestisch ‘wie’; Litouws kas ‘wat, welk’; Oudiers nech ‘niemand’; Armeens o ‘wie’. Bij de intrumentalis pgm. *hwō < pie. *kwoh1 horen o.a. Grieks põs ‘hoe’; Avestisch ‘hoe’. Hiernaast komen ook de stammen pie. *kwe- en *kwi- voor, eveneens met instrumentalisvormen, die dus alle kunnen betekenen ‘waardoor, waarom, hoe’: voor *kweh1 gaf dat o.a. pgm. *hwē; en voor *kwih1: pgm. *hwī en Latijn quī.
In anlautpositie verloor Proto-Germaans *hw- in het Nederlands voor geronde klinkers het labiale element w en voor ongeronde klinkers het velare element h. Dat verklaart het bestaan van hoe naast alle andere vragende voornaamwoorden met w- (→ wat, → wie enz.).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hoe* [op welke wijze] {oudnederlands huo 901-1000, middelnederlands hoe} oudsaksisch huo, hwo, identiek met middelnederlands, oudsaksisch, oudfries, oudengels hu (engels how), waarnaast ablautend oudsaksisch, oudengels hwi (engels why), oudnoors hví, gotisch hwe; waarschijnlijk buiten het germ. te verbinden met latijn quo [waarheen], grieks oupō [nog niet], pōpote [ooit].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hoe bijw., mnl. hoe, onfrank. huō, os. hwō, huo, owfri. evenzo: mnl. os. ofri., oe. (ne. how), ozw. , waarvan de û wel uit ô zal zijn ontstaan. — lat. quō (abl.) ‘waarheen’, gr. , ‘hoe dan ook’, vormen van het pronomen idg. *ko: ke (IEW 644-5). — Een vorm met ē is got. hwē ‘waarmee’, on. hvē ‘hoe, waarom’. Met de instr. *ki zijn te verbinden os. oe. hwī (ne. why), on. hvī ‘hoe, waarom?’ In het zuidduitse taalgebied heerst de vorm wie < ohd. wio < hwio, hweo, maar het was ook bekend in mnl. wie; deze vormen zal men wel op *hwē moeten herleiden, terwijl got. hwaiwa anders te beoordelen zal zijn: met een suffix -wa gevormd van hwai = olat. quoi (eig. locatief) op Duenos-inscriptie. — Oost-mnl. woe (nog Achterh.) beantwoordt aan mnd. , , dat op *hwō zal teruggaan (en niet alleen als compromisvorm van hoe en nhd. wie zal zijn te beschouwen).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hoe bijw., mnl. hoe. = onfr. huo, os. hwô, huo, owfri. “hoe”, waarmee mnl. os. ofri. ags. (eng. how), ozw. hû- “hoe” identisch is (voor < vgl. -î < -ê in hij en mnl. bedî = got. biþe; minder wsch. is met kymr. cw “vanwaar”, lat. ne-cu-ter “geen van beiden”, kret. ó-pui “waarheen”, obg. kŭ-de “waar”, alb. kur “toen”, oi. ku-ha “waar”, met idg. u-vocalisme, direct gecombineerd): germ. *χwô, instrumentalis van den stam *χwa-, idg. *qo-; zie wie. Voor den dial. wegval van w vgl. hoest. Met ablaut germ. *χwê, got. hwe, os. ags. hwî (eng. why), on. hvî. *χwô is misschien = gr. in oúpō “nog niet”, pṓpote “ooit”, dan is *χwê = lak. in pḗpoka “ooit”; ook lat. quô “waarheen” kan hierbij hooren: maar de oorspr. uitgang van deze gr.-lat. vormen is niet vast te stellen. Voor een formatie evenals hoe zie toen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hoe. Vooral oostmnl. is woe (nog Achterh.) = mnd. , . Onder invloed van hd. wie wint deze vorm sedert de 2e helft der 14e eeuw veld in gelderse oorkonden, maar mag daarom niet uitsluitend als compromisproduct van hd. wie en mnl. hoe worden beschouwd. (Tille Spr. d. Urk. Geld. 202 vlg.; Holmberg Best. d’Am. 120 vlgg.). In hoeverre er grond is om ten dele in dit woe een kruising te zien van mnl. hoe en mnl. (niet uitsluitend oostmnl.) wie ‘hoe’, is wegens de onzekerheid omtrent de vroegere geografie der vormen niet uit te maken. Dit mnl. wie = ohd. hweo, hwio (nhd. wie) ‘hoe’, dat formeel dicht staat bij of identisch is met got. hwaiwa ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hoe bijw., Mnl. id., Onfra. huo, Os. hwó + Ohd. wuo, Ags. (Eng. how), Ofri. : staat tot wie als doe (z. toen) tot die; het Go. zei ƕe, ƕaiwa, On. hví, Ohd. hweo, wio (Mhd. en Nhd. wie): alle van den stam van wie. Waar de w met de u of o samensmolt, moest de h niet wegvallen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

woe, woei, woes, bw.: hoe. Ablautend bij D. wie: Os. hwô ‘hoe’, Mnd. wô, wu, Ndd. , Mnl. hoe, Oe. , E. how < Wgerm. *hwô. Woes met adverbiale -s, zoals in zondags, mogelijks.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

boo hoe (Achterhoek). ‹ woe ↑. Vgl. voor de klankontwikkeling: tong. boo ‘waar’ ‹ waar.
Hulshof/Schaars 24.

oes hoe (Belgisch-Limburg). = hoe met adverbale s van bv. zondags.
Roukens 393-394.

woe, woei hoe (Venray en omgeving). Meestal beschouwd als contaminatie van hoe en wie ‘hoe’, maar waarschijnlijk identiek met hoe: immers woe komt in praktisch heel N.-Duitsland voor.
Roukens krt. 85, ZDL 55 (1988), 9-16.

woes hoe (Belgisch-Limburg). = woe ↑ met adverbiale s van bv. zondags, blindelings.
Roukens 393-394.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

woe (GG), bw.: hoe. Gezelle situeert het woordje niet, hij zegt alleen dat het nog dagelijks voorkomt in Vlaanderen. Maar met Vlaanderen bedoelt hij ongetwijfeld Nederlandstalig België. Het is heel waarschijnlijk niet West-Vlaams. De Bo vermeldt het trouwens ook niet. Het MW kent woe ‘hoe’ alleen in oostelijke tongvallen. En Kiliaan noemt woe voor hoe ‘quomodo’ Sicambrisch, dus ook oostelijk. Net zoals hoe gaat woe terug op Onfr. huô, Os. hwô, Germ. *xwô < Idg. *kwo-. Vgl. Ohd. wuo, Mnd. woe, met h Ofri. , Oe. hu, E. how. Na consonant viel de w voor een geronde klinker in het Ndl. nl. weg, vgl. zoet > < E. sweet. Maar als een andere klinker dan o, u volgde, viel de h van wh weg, dus b.v. waar, wie, wat. De gewone Ndl. vorm is dus wel hoe.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

hoe vw., (ook.) zoals. Hoe die man daar staat! - Etym.: Het gebruik is gelijk aan dat van S fa.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

hoe? (meestal met een ontkenning): waarom?; hoe heet? (< Jidd. wos hejst): wat zal ik zeggen? (wanneer men even nadenkt, wat men zeggen wil).

— Ursule barstte in een lach, iets dat tante Jeannette beslist afkeurde: “Hoe lacht men daar nu zo om?” (CORNÉLIE NOORDWAL, 1905)
— Juffrouw Coronel sprak hem aan. “‘n Aardige kuif heb je op je hoofd! Schaam je je niet, om zo tegen Sjabbes bij de mensen aan te komen? Hoe gaat men niet eerst naar de barbier, om zich zijn haar te laten knippen?” (SANI VAN BUSSUM, 1929)
— Hoe nam hij niet nog vanavond ’n misjemesjinne in? (IS. QUERIDO, 1931)

Zie ook over wat, voorwat

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hoe ‘bijwoord van hoedanigheid: op welke wijze’ -> Negerhollands hoe, ho, hue ‘bijwoord van hoedanigheid: op welke wijze’; Berbice-Nederlands ho ‘bijwoord van hoedanigheid: op welke wijze’; Skepi-Nederlands hosmetju ‘hoe is het met je, hoe gaat het’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hoe* bijwoord van hoedanigheid: op welke wijze 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ko-, ke-, fem. kā; kei- die betonten Formen sind Interrogativa, die unbetonten Indefinita, (vermutlich einst nur im Nom. Akk. Sg.); ku- (nur im Adv.); einzelsprachlich z. T. Relativum geworden

1. Stamm ko-, ke-, fem. kā-; Gen. keso, Instr. kī, Zeitadverb kom.
A. Kasuelle Formen und nur einzelsprachlich belegbare Ableitungen:
Ai. ká-ḥ (= phryg. κος ‘irgendeiner’, got. ƕas ‘wer?’), fem. ‘wer?’ und indefinit; idg. kos wohl der alte Nom. Sg. m.;
av. (Gen. gthav. ka-hyā, ča-hyā), fem. ‘wer?, welcher?’, apers. kaš[-čiy], als Indef. mit -čī̆t̰, oder in Doppelsetzung, oder in neg. oder rel. Sätzen; av. ‘wie?’; apers. ada-kaiy ‘damals’ = gr. ποι bei Pindar ‘ποῦ’ gesetzt;
arm. о ‘wer?’ (*ko-, Meillet Esquisse2 189), indef. o-k’ ‘irgendwer’ (-k’ = lat. que), o-mn ‘wer’ (relativ o-r ‘welcher’); k’ani ‘wieviel’, k’an ‘als, nach dem Komparativ’ (= lat. quam), k’anak ‘quantita’ u. dgl.; lat. quantus ‘wie groß’, umbr. panta ‘quanta’ ist von quām mit Formans-to- abgeleitet;
gr. Gen. Sg. hom. τέο, att. τοῦ ‘wessen?’ (= abg. ceso, ahd. hwes; idg. *kes(j)o); Dat. Sg. f. dor. πᾳ̃, att. πῃ̃, ion. κῃ̃ (*kā-) ‘wohin?, wozu?, wie?’; Instr. f. ion. att. πῆ ‘wohin’; Instr. Sg. m. n. kret. ὀ-πῆ ‘wo, wohin’, dor. πή-ποκα, πώ-ποκα, att. πώ-ποτε ‘je einmal, noch je’, πω, ion. κω ‘(*über einen Zeitraum hin, irgendwann =) noch’ und modal ‘irgendwie’ in οὔ πω ‘noch nicht’ und ‘nicnt irgendwie, keinesfalls’ (vgl. got. ƕē sowie lat. quō ‘wohin’, wenn nicht Ablativ); πῶς, ion. κῶς ‘wie’; ποδαπός ‘von woher stammend’ (neutr. *kod + Formans -ŋ̣ko-, vgl.ἀλλοδ-απός oben S. 25 unter *alios ‘anderer’); att. usw. ποῖ ‘wohin’, dor. πεῖ ‘wo’ (Lok.); att. ποῦ, ion. κοῦ ‘wo’ (Gen.); πόθεν ‘von wo?’; hom. πόθι, ion. κόθι ‘wo’; πότε ‘wann?’ (dor. πόκα ‘wann’, vgl. Schwyzer Gr. Gr. 1, 629), ποτέ, lesb. πότα, ion. κοτέ ‘irgendeinmal, einst’, wozu auch ποτέ nach Interrogativen, z. B. τί ποτε ‘was dann’ und - mit erst gr. Red. - τίπτε ds. (s. dazu unter poti-s), πόσε ‘wohin’ (-σε aus -τε) = got. ƕaþ, ƕad ‘wohin’; kret. τεῖον· ποῖον Hes., att. ποῖος ‘qualis’ aus *ko- + oiu̯o- = ai. ḗva- ‘Art und Weise’, ahd. ēwa, vgl. got. laiwa ‘wie?’, s. unter ei- ‘gehen’; zum Wechsel von π- (: ion. κ-): τ- s. Schwyzer Gr. Gr. 1, 293 f.
alb. kë ‘wen?’ (*ko-m), se ‘was?’ (Abl. *kōd mit analogischer Palatalisierung?), si ‘wie?’ (*kei?);
lat. quī (alat. quoi aus *ko + Demonstr. ), quae, quod Rel. und Indefinitum, osk. pui, paí, púd ‘qui, quae, quod’, umbr. po-i, -e, -ei ‘quī’, puře, porse ‘quod’, lat. cuius, cui, quō, quā usw., umbr. pusme ‘cui’; Adv. lat. quō ‘wohin’ (Abl.) = umbr. pu-e ‘quō’ (u = ō, das vor Enklitika nicht verkürzt ist); lat. quam ‘wie, als’ (Akk. Sg. f.) = umbr. [pre-]pa ‘[prius-]quam’, osk. pruter pam ds. (av. kąm-čit̰ ‘in irgendeiner, jeder Weise’, alat. quam-de = umbr. pane, osk. pan ‘quam’; lat. quantus s. oben;
lat. quom, cum ‘wenn, als; so oft als’ (Akk. Sg. n. wie primum usw = av. kǝm ‘wie’, got. ƕan ‘wann’, apr. kan, lit. (dial.) ką ‘wenn’; aksl. ko-gda aus *ko-g(o)da, Meillet Slave commun2 470;
mit -de erweitert umbr. pon(n)e, osk. pún ‘quom’; lat. quandō ‘wann’ (*quām Akk. der Zeiterstreckung + ), umbr. panu-pei ‘quandōque’, mnd. wante ‘bis’; lat. quantus, umbr. panta ‘quanta’ (S. 644);
air. nech, adj. (proklit.) nach ‘aliquis; ullus, quisquam’, cymr. corn. bret. nep (*ne-ko-s, mit Verblassen der Negation in neg. Sätzen mit wiederholte Negation, ebenso lit. kaz-ne-kàs ‘etwas’, kadà-ne-kadà ‘zuweilen’, abg. někъto ‘jemand’); air. cāch, verbunden cach, mcymr. pawp, verbunden pop, corn. pup, pop, pep, bret. pep ‘jeder’ (*kā- oder kō-ko-s; zu abg. kakъ ‘welcher?’), ir. cech ‘jeder’ (das e nach nech); air. can, mcymr. pan (*kanā), mbret. ре-ban ‘woher?’; air. cuin ‘wann?’, mcymr. usw. pan, pann ‘als, wenn’ (*kani?), air. ca-ni, mcymr.po-ny ‘nonne’ (*kā-);
got. ƕas (*ko-s) ‘wer?’ und indefinit (Gen. ƕis, ahd. hwes = abg. ceso, gr. τέο), aschwed. hvar, har, adän. hvā, ags. hwā ‘wer’, mit dem e des Gen. as. hwē, ahd. hwer (*ke-s) ‘wer’; neutr. got. ƕa (*ko-d), ahd. hwaz, an. hvat, ags. hwæt, as. hwat ‘was’; fem. got. ƕō ‘wer? welche?’ : got. ƕan ‘wann, wie’, as. hwan, ahd. hwanne ‘wann’ (näherer Vergleich mit air. can ‘woher’ ist wegen der Bed. fraglich), as. hwanda ‘weil’, ahd. hwanta ‘warum’; got. ƕē ‘womit?’ (Instr.); afries. , as. hwō, ahd. hwuō ‘wie’ zu lat. quō ‘wohin’ (Ablat.), gr. πω, κω ‘irgendwie’;
lit. kàs ‘wer?, was?’ auch indefinit, fem. kà, apr. kas m., ka n. ‘wer?’, kas f. quai, quoi, n. ka (Akk. auch kan, kai) ‘welcher, -e, -es’; lit. kad ‘wenn, daß, damit’ (Konjunktion wie lat. quod, aus dem fragenden Gebrauch, vgl. ai. kad, av. kat̰ adv. Fragewort ‘nun, ob?’); lit. kaĩ, kaĩ-p, apr. kāi-gi ‘wie?’ (= abg. cě; aber über gr. καί s. unter *kai ‘und’);
abg. kъ-to ‘wer?’ (Gen. česo), kyjь, f. kaja, n. koje ‘qui, ποῖος?’, cě ‘καίτοι, καίπερ, εἴπερ’ (s. oben).
B. Ableitungen, die sich durch mehrere Sprachen verfolgen lassen: ko-tero- ‘wer von zweien?’; kā-li- ‘wie?’; ko-ti-, ke-ti- ‘wie viele?’.
Ai. katará-, av. katāra- ‘wer von zweien’, gr. πότερος, ion. κότερος ds., osk. Lok. pútereí-píd ‘in utroque’, umbr. podruh-pei adv. ‘utroque’, putres-pe ‘utriusque’, got. ƕaþar, aisl. hvārr, ags. hwæþer ‘wer von beiden’ (ahd. hwedar, nhd. noch in weder, mit e, wie hwer ‘wer’ : got. ƕas), lit. katràs ‘welcher von beiden, welcher?’, abg. koteryjь, kotoryjь ‘welcher’ Komparativbildung (Beschränkung auf die Wahl zwischen zwei Gegensätzen); superlativisch ai. katamá- ‘welcher von mehreren’; vgl. vom Stamm ku- : lat. uter.
Ai. kadā, av. kaδa ‘wann?’; aber lit. kadà ‘wann?’ aus *kadā̀n; zum Ausgang siehe oben S. 181 ff. (auch für abg. kǫdǫ, kǫdě ‘woher’, lat. quan-do).
Gr. πηλί-κος ‘wie groß? wie alt?’, lat. quālis ‘wie beschaffen’, lit. kõlei, kõl’ ‘wie lange’; vom St. ko- aus: abg. kolikъ ‘wie groß’, kolь ‘quantum’ (Trautmann 111).
Ai. káti ‘wie viele’ = hitt. kuwatta, lat. quot ds. (vom apokopierten quot aus: quotus ‘der wievielte’), ai. kati-thá- ‘der wievielte’ = lat. *quotitei (Lok. m.) diē > cottī-diē ‘amwievielten Tage auch immer, täglich’; gr. lesb. πόσσος (hom. ποσσῆμαρ), att. πόσος, ion. κόσος ‘wie groß’ (*koti-os; πόστος ‘der wievielte’ aus *ποσσοστός; daneben mit idg. e av. čaiti ‘wie viele’, bret. pet in pet dez ‘wieviel Tage’, petguez ‘quotiēns’.
Ai. kár-hi ‘wann?’ = got. ƕar, aisl. hvar (*kor) ‘wo?’ und relativ (davon got. ƕarjis, aisl. hverr ‘welcher’, eig. ‘wo er’, wie aus lit. kur̃ [*kū̆r] ‘wo’ + jìs ‘er’ das lit. Rel. kurìs, kur̃s ‘welcher’ erwuchs); ē-stufig ags. hwǣr, ahd. as. hwār ‘wo’; ō-stufig lat. cūr ‘warum, weshalb’, alt quōr.
Eine Parallelbildung zu lat. quis in alat. quir-quir ‘ubicunque’.
2. Stamm kei-, gleiche Form für Maskul., Neutr. und Femin.:
Ai. kím ‘was? was’, kíḥ ‘wer?’, ná-ki-ḥ ‘niemand’ (mit k statt c; letzteres lautgesetzlich in:) ai. cit (cid), av. cit̰, apers. čiy ‘sogar, jedenfalls’ (ursprüngl. Nom. Sg. n. *ki-d; s. auch unter ke ‘und’); av. čiš ‘wer’, čišca = lat. quisque, gr. τίς τε, apers. čiš-čiy ds.; av. čī ‘wie’ (Instr.);
arm. in in-č ‘etwas’ (= ai. kimcid), das auch im ersten Glied hierher, mit Abfall des k- wie i (z-i) ‘was?’ (*kid-), Instr. i-v ‘wodurch, womit’, (s. auch oben zu arm. о ‘wer’); zum Alb. s. oben unter 1;
gr. τίς (*kis) m. f. (thess. κίς, ark. kypr. σίς), n. τί (*kid) ‘wer? welcher, -e, -es?’ und τὶς, τὶ ‘(irgend) wer, was’, Akk. m. *τιν (*kim) erw. zu τίνα, wonach τίνος, τίνι, Pl. n. *ki̯ǝ in megar. σά μάν ‘wieso?’ τὶ μην; böot. τά ‘warum’ = lat. quia; auch in ion. ἄσσα, att. ἄττα, ‘τινὰ Nom. Pl.’ (durch falsche Trennung aus ὁποῖά σσα) und mit dem relativen ἅ verbunden ἅσσα, att. ἅττα;
lat. quis, quid ‘wer, was’ (fragend, indefinit, relativ), quī Adv. ‘wodurch, wovon (rel.); wie denn, warum (frag.); irgendwie (in Wunschformeln)’ (könnte Abl. *kīd sein, aber doch wohl auf Grund eines Instr. *ki = av. čī, sloven. či ‘wenn’, čech. či ‘ob’, ags. usw. hwī ‘wie, wozu, warum’); quī-n (aus -ne) ‘wie nicht; daß nicht, ohne’, quia-nam ‘warum’, quia ‘daß, weil’ (Akk. Pl. *k) s. oben;
osk. pis, píd ‘quis, quid’ (fragend, indefinit, unbestimmt-relativ), umbr. sve-pis ‘sī quis’, pis-i ‘quis, quisquis’; gedoppelt osk. pispis, lat. quisquis, argiv. τίστις in verallgemeinernd indef. Sinne;
air. cid ‘was?’ mit dem i von c-id ‘obwohl es sei’; ursprüngl. wie das adj. ced aus *ce ed;
air. cia ‘wer’, cymr. pwy, corn. pyw, bret. piou ‘wer’ (*kei); verbunden cymr. py, pa, p- usw. (air. cote, cate ‘was ist’, ‘wo ist’ ist unklar);
got. ƕi-leiks, ags. hwilc ‘wie beschaffen’; ags. hwī, as. hwī, hwiu, aisl. hvī ‘wie, wozu, warum’ (kī Instr.);
abg. čь-to ‘was’; Instr. kī (s. oben) in sloven. či ‘wenn; auch Fragepartikel’, čech. či ‘ob’, poln. czy ‘ob’, russ. alt či ‘wenn’, abg. či-mь Instr. daraus erweitert;
über toch. A kus, В kuse ‘welcher’ s. Pedersen Toch. 121;
hitt. Frage- und Relativpron. kuiš ‘wer, welcher’, verallgemeinernd kuiš kuiš usw. (= lat. quisquis) ‘wer immer’, Indefinitum kuiš-ki (= lat. quisque) ‘irgend jemand’, n. kuit-ki (= lat. quidque); lyk. ti-ke (= hit kuiš-ki); s. P. Tedesco Lang. 21, 128 ff., A. Hahn Lang. 22, 68 ff.
3. Stamm ku-:
Ai. kū́, av. ‘wo?’, ved. kuv-íd ‘ob, etwa’, av. čū ‘wie, in welchem Maße?’ (č- nach čī ‘wie?’); ai. kúva, kvá ‘wo, wohin’; ai. kútra, av. kuθra ‘wo? wohin?’; ai. kútaḥ ‘woher’; ai. kúha = gathav. kudā ‘wo’ (= abg. kъde; idg. *ku-dhe; s. unten lat. ubi); av. kuθa ‘wie’; hierher auch ar. ku als 1. Zsglied zum Ausdruck des Schlechten, Mangelhaften (eig. ‘was für ein...!’), z. B. ai. ku-putra- ‘schlechter Sohn’, av. ku-nāiri ‘Hure’, vgl. böot. πούλιμος ‘Heißhunger’ (*πυ-), aböot. Πυλιμιάδᾱς, auch von den Stämmen ko- und ki-: ai. ka-, kā-, kad-, kim-, z. B. kā-puruṣa- ‘Wicht’, ka-pūya- ‘übelriechend’, kiṃ-puruṣa- ‘Kobold, Zwerg’ (W. Schulze Kl. Schr. 399 f.);
kret. ὄ-πυι ‘wohin’, syrak. πῦς (*πυι-ς), rhod. ὅπῡς ‘wohin’ (*πυι neugebildet zu ποῖ);
alb. kur ‘als, wann’ (s. unter 1. В bei den r-Bildungen = lit. kur̃, arm. ur), kurrë ‘je’ (*kur-nei), ku ‘wo’, ku-sh ‘wer’, kü-sh ‘wie’ (ü aus idg. ū);
lat. ubī̆ ‘wo’ (dazu unde gebildet nach ibi : inde), woneben inlaut. -cubī in nē-cubi, sī-cubi, ali-cubi, nesciō-cubi, nun-cubi (nē-cunde usw.); es ist das durch die Stämme lat. quo-, quā, quī vor der Entlabialisierung durch u bewahrte q- vor u zu qw- geworden und qwu- hat anl. wu-, u- ergeben, während in *nē-qwubi usw. infolge der Silbentrennung nēq-wubī der Gutt. erhalten blieb; ist ubī̆ nach Lok. auf (*ei, *oi) aus *ubĕ = ai. kúha, av. kudā, abg. kъde umgebildet = osk. puf ‘ubi’ (umbr. erweitert zu pufe ‘ubi’)?; nach Pedersen Hitt. 50 f. enthalten ubi, ibivielmehr die idg. Adverbialendung -bhi (gr. -φι), vgl. hitt. ku-wa-pi (kwabi) ‘wo, wann?’; entsprechend lat. ut ‘wie, damit, daß’ (uti-nam, -que) und utī, alat. utei (Umbildung wie in ubī) aus *ku-ti (us-piam, -quam ‘irgendwo’ aus ut + adv. s = osk. puz, umbr. puz-e aus *kut-s-), uter, utra, -um ‘welcher von beiden’ aus *ku-teros (parallel mit πότερος usw.), unquam, umquam ‘irgendeinmal’ (kum- temporaler Akk.); ob umbr. pu-e (-o Part.) ‘wo’ = ai. ist oder *kō, ist fraglich;
mcymr. cw, cwd (= ð), cwt (= d) ‘wo, wohin’ (*ku-) = air. со ‘wie?’;
got. -hun zur Bildung unbestimmter Pronomina: ni ains-hun ‘nicht irgendeiner’, usw.; ags. ‘wie’, engl. how, afries. , mnd. ;
lit. kur̃ ‘wo’ (s. oben 1. B); auch lit. dial. kũ ‘was?’ aus *kun? apr. quei ‘wo’ aus *ku-ei und wohl der Ausgangspunkt des qu- statt k- im fem. Nom. quai, quoi usw.;

WP. I 514 ff., WH. I 313, II 397 f., 404 ff., 408 f., 410 ff., Trautmann 110 f., 120 f., 133, 134, Meillet Slave commun2 442 ff., 469, Schwyzer Gr. Gr. 1, 293 f., 615 ff., Wackernagel-Debrunner 3, 558 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal