Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hiel - (achtereinde van de voet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hiel zn. ‘achtereinde van de voet’
Mnl. eerst als persoonsnaam in Arnulfus Hiele [1217; Debrabandere 2003], mar die romeine quamen mede ende volchden hem so vp die hielen ‘maar de Romeinen kwamen ook en volgden hem op de hielen’ [1285; CG II, Rijmb.], vander nollen toten hielen ‘van top tot teen’ [1300-25; MNW-R].
Oude afleiding met een achtervoegsel zoals in → enkel 1 en → oksel van de stam *hanh- die ook ten grondslag ligt aan mnl. haessen ‘kniegewricht’, zie → haas 2. Binnen het Nederlandse taalgebied is dit woord oorspr. alleen West-Nederlands; op grond van Oudfries hēla, dat tot Nieuwfries *hiel zou hebben moeten leiden, meende men vroeger dan ook wel met een Fries leenwoord te maken te hebben. Hiel komt echter niet meer voor in het Fries (ten gunste van hakke) en juist wel in Vlaanderen; daarom lijkt het eerder een Noordzee-Germaans woord uit een oudere vorm *hēl-.
Ofri. hēla; oe. hǣla, hēla ‘hiel’ (ne. heel); on. hæll (nzw. häl); < pgm. *hāhil- uit ouder *hanh-il-.
In de standaardtaal is hiel alleen een lichaamsdeel en is daarmee te onderscheiden van → hak 1 die alleen aan schoeisel zit. Dialectisch komen beide betekenissen voor, net als in het Engels.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hiel* [achterste deel van voet] {hiel(e) 1285} oudfries hel(a), oudengels hela, oudnoors hæll, een kustwoord van de Noordzee. Buiten het germ. litouws kinka, kenklė [kniebocht], oudindisch kaṅkāla- [geraamte].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hiel znw. m., mnl. hiele v., is een typisch woord van de kusttaal blijkens de daarin optredende umlaut van â (het voorkomen van het woord ook in de Z. Nl. behoeft daartegen niet te pleiten, daar zogn. Inguaeonismen verder reiken dan alleen de kuststrook). Het woord is zelfs een eigenaardig woord van het gebied der Noordzee, want het is verwant met oe. hēla (ne. heel) en on. hœll; grondvorm dezer woorden is *hanhila-. — Zonder suffix vgl. nog oe. hôh (< *hanha-). Het binnenland-Duits heeft het woord hak, dat zich tot in de Saksische en Friese dialecten uitgebreid heeft.

Men vergelijkt oi. kañkāla- ‘been, geraamte’, lit. kinkà, kenklė̃, ‘kniegewricht’, lett. cinksla ‘kniepees’, bij de idg. wt. *kenk ‘knieholte, hiel’ (IEW 566). Deze beide betekenissen liggen echter niet zo dicht bij elkaar, dat men ze als bet. van één idg. wortel waarschijnlijk kan achten; eerder moet men aannemen, dat er begripsverschuiving heeft plaats gehad. — Kieft, Homoniemen 11 verklaart *hanhila als ‘lichaamsdeel, waaraan het wild werd opgehangen’ (dus van hangen), wat te overwegen is. Minder gelukkig is zijn verklaring van het voorkomen van fri. hiel in plaats van het te verwachten *haal door homonymie met andere ‘haal’-woorden. — Een dialectkaart geeft P. J. Meertens, Taalatlas afl. 4, 6, waaruit blijkt dat in het Oosten, maar ook in Zeeland en Zuid- en Noord-Holl. daarvoor hak gebruikt wordt, terwijl in Limburg en het ZO. van België de woorden vaars, vers, varsem, vossem e.a. voorkomen, die dus beantwoorden aan het woord verzenen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hiel znw., mnl. hiele v. (m.?). Wordt gewoonlijk gelijkgesteld met ags. hêla m. (eng. heel) “hiel”, dat op *χaŋχilan- teruggaat, evenals on. hæ̂ll m. “id.” op *χaŋχila-; uit *χaŋχa- ags. hôh m. “id.” (eng. hough); van ofri. heila m. staat de bet. niet vast; misschien is ’t een heel ander woord. De ndl. vorm levert dan echter groote moeilijkheden op. Gew. ziet rnen er een fri. vorm in: maar hiertegen pleit het reeds in ’t zuidelijke Mnl. voorkomen van hiele; nog komt hiel tot in ’t Zuidbrab. voor en in ’t tegenwoordige Fri. is hakke het gewone woord voor “hiel”. Vermoedelijk moeten we voor hiel van een anderen grondvorm: *χeulô(n)- of *χé²(n)- of *χeχalô(n)- uitgaan. Germ. *χaŋχa- enz. is verwant met lit. kínka, kenklė̃ “kniebocht”, (kymr. cesail “oksel”? Idg. q̟ŋqs-?). Verwantschap van *χeulô(n)- met lit. kulnìs “hiel” is zeer onzeker, aangezien dit ook met lit. kulksz(n)ìs “bot aan den menschelijken voet”, ksl. klŭka “poples” bij lat. calx, “hiel” kan hooren. Toch is de grondvorm *χeulô(n)- ’t waarschijnlijkst; hij kan met hollen ablauten. Een grondvorm *χeχalô(n)- zou met hak gecombineerd kunnen worden: kk > idg. ḱn of < qn: zie echter hak I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hiel. Sedert het vroeg en zuidelijk voorkomen van ‘ingwaeonismen’ onweersprekelijk is (vgl. bijv. Mansion Oudg. Naamk. 114 vlgg.; NGN. 6, 88 vlgg.), schijnt het beter tot de oude verklaring van de vocaal als ingwaeoonse umlaut van â terug te keren. Dit heeft het voordeel, dat men het ndl. woord niet op een afzonderlijke, van het Ags. geheel afwijkende grondvorm behoeft te herleiden. Tegen de onbekendheid van hiel in het tegenwoordige Fri. weegt wel de verbreiding in de overige ndl. diall. op: het is een typisch westelijk (Noordzeekust-) woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hiel m., Mnl. hiele met dial. umlaut van â + Ags. héla (Eng. heel), On. hæ'll (Zw. häl, De. hæl): samentrekking van *hâhil, dimin. van een woord dat zich in ’t Ags. vertoont als hóh (Eng. hough) = hiel: Ug. *haŋh+ Lit. kenklẽ = knieboog; kan nasaleering zijn van den wortel van hak.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hiel. In het Waasch Idioticon noteert A. Joos de platte verwensing kus mijn hielen! en geeft haar de betekenis ‘loop naar de maan!, verhaar!’ En Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen ge hebt schone hielen, kapt het maar aan! Een bevredigende verklaring voor deze verwensing heb ik niet, omdat ik niet kan gissen waarop het terugslaat. Ik ga uit van een ironische onderlaag. Het slachtoffer heeft zogenoemd mooie hielen die de verwenser graag wil zien, maar dan wel uit afkeer of woede. Hij zegt eigenlijk op een metonymische wijze dat iemand weg moet gaan, op moet sodemieteren. Het werkwoord aankappen betekent letterlijk ‘beginnen te kappen’, maar dat is ambigu en betekent zowel ‘(af)hakken’ als ‘ergens een hoog bovenstuk opzetten’ en in relatie met hiel misschien zelfs ‘bedekken’. Maar, zoals gezegd, het strooit roet in het eten. Sanders en Tempelaars (1998) geven zich in hun betekenisomschrijving ‘je hebt mooie hielen, zo mooi dat je moet beginnen ze te kappen’ te weinig rekenschap van de functie van het. Uit een enquête van 1999 blijkt dat slechts 4 van de 111 Vlaamse zegslieden deze verwensing (nog) kennen. → rollen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hiel ‘achterste deel van voet’ -> Fries hyl ‘achterste deel van voet’; Duits dialect Hiel ‘achterste deel van voet’; Duits dialect Hiel ‘achterste deel van voet’; Negerhollands hiel, houe, hil ‘achterste deel van voet’; Papiaments hilchi (ouder: hieltje) ‘achterste deel van voet; hak’; Sranantongo iri ‘achterste deel van voet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hiel* achterste deel van voet 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

905. De hielen lichten,

d.i. vluchten, er vandoor gaan; ook heengaan, vertrekken. In de 17de eeuw zeer gewoon; vgl. o.a. Hooft, Ged. I, 294; Pers, 164 a; 787 b en Vondel's Maeghden, vs. 1722. Verder Halma, 316: De hielen ligten, wegvluchten, lever les talons, s'enfuir; Tuinman I, 283; Harreb. I, 307 b; Ndl. Wdb. VI, 726. Synoniem is het 16de-eeuwsche de hielen wijsen, dat Plantijn vertaalt door monstrer les talons, s'enfuir; Halma, 218: de hielen toonen. Zie no. 773.

772. Iemand op de hakken zitten (of zijn),

hetzelfde als iemand op de hielen zitten, d.w.z. iemand op zeer korten afstand volgen, doch inzonderheid gebezigd met betrekking tot vijanden, vluchtelingen en derg. en vandaar: dicht achtervolgen, nazitten. In de 17de eeuw, evenals nu, zeer gebruikelijk, ook met de werkwoorden hangen, volgen (vgl. in het mnl. enen up sine hielen hangen of volgen) en zijn. Zie Ndl. Wdb. V, 1540; Hooft, Ged. I, 111; Bank. II, 330; Vondel's Maeghden vs. 1566; vooral Huydec. Proeve, II, 129-130; Waasch Idiot. 188; Antw. Idiot. 524; vgl. ook de fri. uitdr. hja sitte him efter 'e hakken, de schuldeischers maken het hem lastig; bij Eckart, 180: enen up de Hacken sitten, waarmede te vergelijken is iemand achter de broek, - achter 't gat, achter zijn vessemen (Claes, 269) zitten, iemand narijen; fr. être sur les (ou aux) talons (ou aux trousses) de quelqu'un; talonner quelqu'un; eng. to be at (or upon) one's heels.

773. De hakken (of hielen) laten zien,

d.w.z. zich van iemand afwenden, hem in den steek laten, ‘hem het gat toekeeren’; fr. montrer le cul. Vgl. in het mnl. die hielen laten bliken; zie verder Servilius, 191: syn lappen laten zien; Sart. 4, 61: sijn hielen laten sien, vertaling van lat. volam pedis ostendereGr. το κοιλον του ποδος δειξαι.; Pers, 405 b: de hielen laten zien; met de hielen schermen (Huygens, Oogentroost, 565); Idinau, 182: sijn lappen toonen, syn. van het 17de-eeuwsche de hakken (hielen) bieden, en verder Harreb. I, 273 b; Erasmus, CCXLI. In het fri. hja litte jo de hakken sjen, zij willen niets meer van u weten; in het Groningsch: de hakken zijn loaten. In het hd. Fersengeld geben; eng. to show one's heels; fr. montrer les talons, le dos.

1312. Iets aan zijn laars (zijn zolen, zijn botten of zijn hielen) lappen (of plakken),

d.i. iets niet tellen, er niets om geven, er geen drukte over maken hetzelfde als iets aan zijn gat vegen (fr. se ficher de quelque chose; 17de eeuw iets aan zijn been binden, knoopen); Tuinman II, 207: hij vaagt daar zyn hielen aan; Harreb. I, 308: iets achter zijne hielen lappen of plakken; II, 253: dat lap ik onder mijn schoenen. Zie Jord. 309: Haar zenuwachtige praatzieke opwinding lapte hij aan zijn laars; Het Volk, 15 Juli 1913, p. 1 k. 4: De S.D.P. heeft toen deze ‘grondwet’ aan haar laars gelapt en blijft tweedracht zaaien waar zij kan; 13 Dec. 1913, p. 1 k. 1.: Als er een regeering was opgetreden, die de uitspraak der kiezers aan haar laars had gelapt; 24 Oct. 1913, p. 1 k. 4: Hij lapte het besluit van de volksvertegenwoordiging aan zijn laars; 20 Nov. 1913, p. 8 k. 2: De soc. dem. fraktie heeft zonder meer de eisch der vakorganisatie aan haar laars gelapt; Nkr. II, 29 Maart p. 2: En ten slotte zei ik toen, dat ik haar opinie aan mijn laars lapte; De Amsterdammer, 24 Mei 1914, p. 7 k. 3; Ppl. 74: Zij lapte alles aan d'r modderlaarzen; bl. 207: Ja of u nou nee zegt, dat lap ik toch amme laars; Nkr. IV, 13 Nov. p. 6; V, 5 Febr. p. 4; vgl. ook Kmz. 303: Trane, die 'k an me kont veeg, komedietrane; Dievenp. 126: Ik heb altijd als 'n brave schooljongen opgelet, maar ik lapte alle theorie aan m'n zool; Nkr. III, 14 Febr. p. 6:

Vraag je dan: Agent ga mee!
Daar wordt ginds gestolen,
Zegt hij daad'lijk: Mij 'n biet,
Dat lap ik aan mijn zolen.

Zevende Gebod, 55: Jouw brave engel lap ik an me zole! Lvl. 171: Ik wil 'r maar mee zeggen, dat 'k het heele leger aan m'n zool lap; Peet, blz. 353; Nkr. III, 5 Sept. p. 6; Schakels, 168: Jouw ondervinding! Die lap 'k an me botten! De Telegraaf, 10 Dec. 1914 (avondbl.) p. 5 k. 1: Mars, de oorlogsgod, is de rechte er naar om alle Kerstengeltjes ter wereld aan zijn schoenzolen te lappen; Groot-Nederland, 1914 (Oct.) bl. 457: Ik ben geen jonkheer! An me zolen 'r mee!; Jord. II, 62: An me sool links!; II, 176: An me linkerzool; II, 335: Maar de jonge meiden lapten alle vermaningen aan hun linkerzool; syn. ergens zijn botten mee of aan vegen, o.a. Handelsbl. (avondbl.) 6 Juni p. 5 k. 4: Literatuur veegt-ie an z'n botten; Sjof. 253: Maar met die praatjes, daar veegden-ie zijn botten mee af; Nkr. II, 15 Maart p. 2: De tyran schijnt er weinig om te malen, hij vaagt er zijn botten an; Het Volk, 14 Maart 1914, p. 5 k. 2: Onvervaard vaagden burgemeester Roëll en diens getrouwen hunne botten aan het advies der Schoonheidscommissie. - Van daar ook an me laars!, maakt dat een ander wijs! of ook: dat kan me niet schelen, o.a. Kmz. 176: Denk je dat 't liefde is? Liefde.... an me laars!; Jong. 145: Wijlui, vrouwe, motte d'r toch 't eerst in (in den schouwburg)! - An me laars! 'k Heb ook me cente betaald. - In denzelfden zin aan mijn kont, o.a. in Kmz. 375. Naast ik lap het aan mijn laars hoort men ook het laarst me nietVgl. Leuv. Bijdr. X, 182..

Voor Zuid-Nederland vgl. De Bo, 304: aan iets zijn ende vagen; 1235: iemand of iets aan de zool van zijn schoe'n vegen, er zich niet over bekreunen, er mede lachen; Schuermans, 497 a en 325 b: iet aan zijn pollevieën, aan zijn achterlappen vegen; Antw. Idiot. 285: aan iet zijn botten vegen; ook zijn gat, zijn klooten aan iets vegen; Schuerm. 80 en Rutten, 41: zijne broek aan iets vagen (in Noord-Nederland: afvegen), zich om iets niet bekreunen, er den bliksem van geven; Teirl. II, 159; 169: an iemand of an iet zijn konte (of kodde) vagen (of wrijven), er zich niet aan gelegen laten; Harreb. I, 183: daar veeg ik mijn elleboog aan. In Twente: 't gat der an ofwisschen; fri. de kont er oan offeije; eng. to set a th. at one's heels. Zie no. 604.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kenk-3 ‘Kniekehle oder Ferse’

Ai. kaŋkāla- m. n. ‘Knochen, Gerippe’;
anord. (*hanha-) in hā-mōt m. ‘Sprunggelenk, Fersengelenk’, hā-sin f. ‘Kniesehne des Hinterbeins bei Tieren, Fersensehne beim Menschen’, ags. hōh-sinu f., afries. hō-sene ‘Fersensehne’, ags. hōh ‘Ferse’ (*hanha-), anord. hǣll ‘Ferse’ (*hanhila-), ags. hēla m. ‘Ferse’;
lit. kenklė̃ ‘Kniekehle’, kìnka ‘ds., Hachse’, lett. cinksla ‘Sehne in der Kniebeuge’.

WP. I 401.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal