Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heulenteer - (vlierboom)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heulenteer* [vlierboom] {holdertere, hollertere, holentere 1599} (vgl. hoogduits Holunder); het tweede lid is middelnederlands -tere [boom], alleen in samenstellingen, zoals mispeltere, noteltere, oudsaksisch treo, oudfries trē, oudengels treow (engels tree), oudnoors tré, gotisch triu; buiten het germ. grieks drus [boom, eik], oudkerkslavisch drěvo [boom], oudiers daur [eik], oudindisch druma- [boom] (vgl. druïde); het eerste lid is vermoedelijk middelnederlands hole [riooltje e.d. (de vlier heeft mergkanaaltjes in de takken)] → hesselteer, heul3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

holender, hullender, heulenteer, hulleter, heulenteul, heulenteulder, hullentul, heunenteun, heulenteut, heutelenteut, heuteter, zn.: vlierstruik, vlier; vlierbes. Ohd. holuntar, Mhd. holunder, holunter, D. Holunder, Obd. Holder ‘vlier’. Het stamwoord is verwant met De. hyld, Ozw. hylle, Zw. hyll ‘vlier’, verder met Gr. kelainos ‘zwart’. De naam is dan ontleend aan de blauwzwarte kleur van de vlierbessen. Voor het tweede lid, zie teer ‘boom’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

holenteer, heulenteer, heulenteen, heunenteun, zn.: vlierboom, Sambucus nigra. Mnl. holendere, holentere ‘vlier’, Vnnl. holderboom, holler, vlierboom ‘Sambucus’, holdertere, hollertere, holentere ‘Sambucus’ (Kiliaan). Ohd. holuntar, holantar, Mhd. holunter, holunder, holder, holre, D. Holunder ‘vlier’. De stam is verwant met De. hyld, Ozw. hylle, Zw. hyll ‘vlier’ en gaat terug op Idg. *kel­ ‘zwart, donker’. Het tweede lid is het Germ. suffix -ðra < Idg. *-tro, dat we ook in andere boomnamen kennen, zoals vlie(de)r, Flieder, mispelter, appelter, heester (Claes 204-207).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

holender, hullender, heulenteulder, heulenteer, heulenteul, heunentēun, hölentöt vlierstruik (Zuid-Limburg, Noordoost-Luik). = hgd. holunder; het eerste deel ~ hol (de struik is hol), het tweede deel = het tweede deel van vliender ↑.
Van Sterkenburg afb. 20, HCTD XXV 323-338, TT VI 116, TT Themanr 8, 204-206.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal