Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heul - (opening in dijk, riool)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heul3* [opening in dijk, riool] {hole, hool, heul [open riool, duiker, brug] 1284} afgeleid van hol2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heul 2 znw. v. ‘opening in een dijk; dakgoot, riool; hulpbrug over een sloot voor het inrijden van hooi; uitholling in de grond als doel bij een balspel’, mnl. hōle, huele, heule ‘riool, duiker; houten of stenen boogbrug’, vgl. ohd. holi (nhd. höhle) ‘holte’, dus een afl. van hol. Verwant maar niet gelijk van formatie is het on. hylr (< *hulwiō) ‘plas, holte met water gevuld’, dat te vergelijken is met ohd. huliwa, hulwa, mhd. hülwe ‘poel, plas, vijver’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heul II (opening in een dijk, goot, brug), mnl. hōle, hȫle v. “id.”. = ohd. holî (nhd. höhle) v. “holte”. Van hol gevormd. Een ander znw. hierbij is on. hylr m. “diepe uitholling in den bodem van een rivier (vooral onder een waterval)”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heul 3 v. (brug), = holle, boogvormige brug + Hgd. höhle = holte.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

heul, hool, hul(d), hult, zn.: sloot. Mnl. hole, heul(e) ‘riool, duiker’. De grondbetekenis is ‘hol’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

hool 1, zn.: smalle sloot. Mnl. hole, hool, heul(e), huel ‘open riool, duiker’. Teruggaand op hol, dus een ‘uitholling’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

heule zn. v.: gemetselde brug (met koker) over sloot of beek, houten brug tussen bouwland en weg. Ook Wvl. heule, syn. met duker. Mnl. hole, heule ‘open riool, duiker, boogbrug’. Van bn. hol ‘uitgehold’. Met deze betekenis ook de plaatsnaam De Heul in NH en Utrecht. Samenst. steenheule ‘stenen brug met koker’.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

heule (DB), zn. v.: meestal stenen brug over sloot of beek, met koker; syn. Wvl. duker. Mnl. hole, heule ‘open riool, duiker, boogbrug’. Van bn. hol ‘uitgehold’.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

heul 'overwelfde of overbrugde doorgang in een waterkering'
Mnl. heule, huele, hole 'riool, duiker, houten of stenen boogbrug', 1279 kopie 17e eeuw unum pontem, qui vulgo en hole dicitur1, nnl. heul 'overwelfde of overbrugde (vaak ook afsluitbare) doorgang in een waterkering', ohd. holî (nhd. Höhle) 'holte', een afleiding van hol.
Lit. 1OSU 2004.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heul (wetering) komt van hol = gat.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal