Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

het - (lidwoord, voornaamwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

het lw., vnw. 3e pers. o. ev.
Eerst als persoonlijk vnw. 3e pers. ev. onzijdig: onl. it [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. het, minder vaak et, (h)it etc., vaak enclitisch -t of -et. Als lidwoord: mnl. in het ghemeen convente ‘de gezamenlijke kloosterlingen’ [1370; MNW], het ghestant ‘de toestand, gesteldheid’ [1380; MNW], ook vaak proclitisch t-.
Algemeen Germaans voornaamwoord uit < pgm. *it. In het Noordzee-Germaanse gebied werd een van origine wrsch. aanwijzend partikel h- voor deze oorspr. stam geplaatst, zowel bij het als bij → hij, → hem, → haar 1 en → hun, hen. Zie daarvoor onder → hier. In de Wachtendonckse Psalmen ontbreekt deze h- in de meeste gevallen, omdat in het meer landinwaartse dialect van de bewerker ervan op deze plaats geen h gebruikt werd.
Os. it (mnd. it); ohd. iz (mhd. ez, nhd. es); ofri. hit (nfri. it); oe. hit (ne. it); on. hit; got. ita; < pgm. *it.
Persoonlijke voornaamwoorden voor de derde persoon bestonden in het Proto-Indo-Europees niet als apart paradigma en zijn terug te voeren op aanwijzende voornaamwoorden. Voor het Germaans is dat in de meeste gevallen het paradigma van pie. *h1e, waarvan *(h1)id de nominatief onzijdig enkelvoud is. Verwant zijn o.a. Latijn id ‘dat’; Sanskrit idám; Oudiers ed ‘het’.
Het is oorspr. alleen een persoonlijk vnw., zoals ook nu nog de verwante woorden Duits es en Engels it; als lidwoord is het typisch Nederlands. Het oude onzijdige bepaalde lidwoord was → dat (te vergelijken met Duits das). Het lidwoord was vroeger identiek aan het aanwijzend voornaamwoord (zie ook → d(i)e). In de onbeklemtoonde positie, de proclise, verzwakte dat tot t-: dat kint > tkint; eventueel stemhebbend d voor l, w, b en klinkers: dwater. In de spreektaal is de vorm /t/ of /ət/ nog steeds de standaard. Doordat de volle vorm dat als lidwoord al in het Middelnederlands geleidelijk verdween, ging men in de schrijftaal de korte vorm t- identificeren met de proclitische/enclitische t- of -t uit het persoonlijk vnw. het en begon men ook het lidwoord als het te schrijven. In het Nieuwnederlands schreef men alleen in min of meer verheven schrijfstijl nog wel 't; in de tweede helft van de 20e eeuw begon men 't daarentegen te reserveren voor weergave van de spreektaal. In het BN is de spellinguitspraak /hət/ opmerkelijk.
De overgang van aanwijzend vnw. naar lidwoord is een bekend verschijnsel en heeft bijv. ook plaatsgevonden in de Romaanse talen, waar de meeste lidwoorden teruggaan op het Latijnse aanwijzend vnw. ille, en bij de Griekse lidwoordstam to, die ook oorspr. een aanwijzend vnw. is.
Frings neemt aan dat Nederlands het al in 12e eeuw in het Nederlands moet hebben bestaan. Hij komt tot deze conclusie omdat er een lidwoord het bestaat in het Duitse gebied Fläming, dat in die tijd door Nederlanders is gekoloniseerd.
De Friese schrijfwijze it ‘het’ voor lidwoord en voornaamwoord is opvallend, maar of het hier een eigen ontwikkeling als die in het Nederlands betreft, of dat deze vormvereenzelviging is ontstaan onder invloed van het Nederlands, is niet te zeggen.
Lit.: J. Franck (1910), Mittelniederländische Grammatik mit Lesestücken und Glossar, 178; Th. Frings (1947), ‘Das märkische det “das, dass”’, in: Niederdeutsche Mitteilungen 3, 7; L. Koelmans (1975), ‘Lotgevallen van het lidwoord I (de geboorte van het)’, in: NTg 68, 173-175; E. Seebold (1984), ‘Das System der Personalpronomina in den fruehgermanischen Sprachen’, 64 e.v.; S. Krogh (1996), ‘Die Stellung des Altsächsischen im Rahmen der germanischen Sprachen’, 319-323

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

het vnw., lidw., mnl. het, ofri. hit, het, oe. hit (ne. it). De h is een latere toevoeging onder invloed van de nvv. van het nl.-fri.-oe. paradigma van het pers. vnw., waarvoor zie: hij. De oorspr. vorm is dus te vinden in onfrank. it, os. it, ohd. , , got. ita. — idg. id, vgl. lat. id ‘het, dat’, oi. id-am ‘dit’, oiers ed (< *id-a), van de vnw. stam *e-, ei-, i- (IEW 281-286). — Zie ook: een.

De vorm met h is eigenlijk schrijftaal, in de spreektaal gebruikt men altijd ǝt, ’t. — De overgang van vnw. > lidw. (reeds mnl.) is toe te schrijven aan het samenvallen van ǝt met de verzwakte vorm van het lidw. dat.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] het. Ospr. alleen vnw. Het nnl. gebruik van het als lidw. kwam op, doordat de reeds mnl. toonlooze vorm van ’t lidw. dat (= dat vnw.) samenviel met t, den toonloozen vnw.-vorm naast het.

het o. vnw. lidw., mnl. het. = ofri. hit, het, ags. hit (eng. it) “het”. Niet = got. hita in und hita “tot nu toe”, maar voor een grondvorm = got. ita, onfr. it (voor ic te lezen), ohd. , ëʒ (nhd. es), os. it “het” in de plaats gekomen op dezelfde wijze als de andere h-casus in ’t ndl.-fri.-ags. paradigma van ’t pers. vnw.: zie hij. Ndl. ’t, ət (ook mnl.) kan een overblijfsel van het oude *it zijn, maar evengoed kan het door den zwakken toon en het enclitische gebruik uit *hit, het zijn ontstaan. Got. ita bestaat uit idg. *id + een partikel. Dit *id ook in lat. id “het, dat”, oi. id-ám “dit”; wsch. ook hierbij ier. ed “het”, dat blijkens zijn leneerende kracht een vocaal na de d gehad heeft (vgl. bij dat). Idg. *id is ’t o. van den vnw.-stam *i-; zie verder gene.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

het, is ospr. alleen pers. vnw., maar is tot lidwoord geworden (reeds mnl. het komt in die functie voor), doordat de verzwakte vorm (e)t samenviel met die van het lidw. (= vnw.) dat (v.Wijk Aanv.). — Zowel voor het pers. vnw. als voor het lidw. is de h-vorm thans zo goed als uitsluitend schrijfvorm.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

het 1 onz. lidw., moest dat zijn (z. dat), hetwelk men met het voornw. het verwarde, omdat beide door procope gewoonlijk tot ’t werden.

het 2 onz. nom. en acc. van hij, Mnl. het + Ags. hit (Eng. it voor hit), Ofri. en On. hit (z. hij).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

het II: pers. vnw. 3e pers. ekv., in Afr. feit. verdring d. dit, maar reste oor soos: het, ’t en in verbg. soos: hetsy en tensy (WAT s.v. het2, I en IRo T DLT 239 s.v. het/’t 2).

het III: bep. lw., grotendeels reeds d. die verdring, maar reste soos: het, ‘t (WAT s.v. het2, II en lRo T DLT 239 s.v. het/’t 1).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

het. De verwensing je kunt het me doen betekent thans ‘bekijk het maar, je kunt me wat’. Voor de letterlijke betekenis moeten wij waarschijnlijk uitgaan van: je kunt het ik-weet-niet-wat met me doen. Ook bestaat de verwensing krijg het! Dit kan een ellips zijn van krijg het heen-en-weer! Het loze object het drukt iets onaangenaams uit. Zo ook in bekijk het even!, dat ongeveer hetzelfde betekent als stik maar!, en in maak het nou!, dat in de buurt komt van ben je nou helemaal van god los! Iemand die in woede een ander iets toewenst, kiest immers altijd voor iets onheilspellends. → krijgen, kunnen.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

Overtollig gebruik van het lidwoord van bepaaldheid. – α) In het Fransch wordt het lidwoord van bepaaldheid gebruikt vóór qualitatieve zelfstandige naamwoorden die gevolgd worden door een eigennaam: le roi Guillaume, la princesse Clémentine, le baron Hirsch, le notaire Jolibois, le docteur Charcot, la mère Prunot, l’avocat Picard, les frères Rantzau, l’ami Fritz enz., uitgezonderd het woord maître, vreemde titels (Maître Jolibois, Lord Byron) en de woorden monsieur, madame, monseigneur, mademoiselle. In het Nederlandsch gebruikt men in dergelijke gevallen echter geen lidwoord: Koningin Wilhelmina, Dokter Winkler, Doctor M. de Vries, advokaat Picard, Vriend Fritz enz. Onder den invloed van het Fransche spraakgebruik wordt daartegen in Zuid-Nederland vaak gezondigd, en in de laatste jaren is vooral het gebruik van het lidwoord bij vriend in de boekentaal zeer gewoon geworden. || De vriend Felix was kortelings uit het Noorden teruggekeerd, SLEECKX 14, 265. De vriend Jakke was destijds nog dat doodvervelend, poseerend en sectarisch schepsel niet dat hij later geworden is, SNIEDERS, Sniderien 104. Ik dank den vriend Vermast voor die mededeeling, DE COCK in Volkskunde 9, 142. De vriend Verrijne! Laat hem binnenkomen, DE VISSCHERE, Zielestr. 61. De vriend Verrijne wenscht u de hand te drukken, 63. En hoe stelt het de vriend Frits? SUETENS, Vergeten 20. De vriend Vlierings heeft gevraagd dat wij zijnen tuin eens zouden komen zien, MELIS, Schuldeloos 15. De heer Swagers … drukte de hoop uit dat wij den vriend Tack … eens als leeraar bij onze Antwerpsche school mogen terug zien, Volksbelang 20 Nov. 1897, 2c (briefwisseling uit Antwerpen). De heer Herman Mulder bood vervolgens den vriend Tack eenen prachtigen palm aan, Ald. Eene opmerking nochtans aan den vriend de Lattin, 25 Dec. 1897, 1c (als boven).

β) In het Fransch wordt het lidwoord van bepaaldheid gebruikt vóór zelfstandige naamwoorden in het meervoud, ook al is er geen sprake van bepaalde wezens of zaken; in het Nederlandsch blijft het lidwoord dan ook weg. Zoo zegt men le lait est une nourriture excellente, surtout pour les enfants, les convalescents et les personnes délicates, waaraan in het Nederlandsch beantwoordt: melk is een uitstekend voedsel, vooral voor kinderen, herstellenden en zwakke menschen. Naar het voorbeeld van het Fransche taalgebruik, en in strijd dus met het onze, gebruiken Zuidnederlandsche schrijvers vaak het lidwoord van bepaaldheid vóór een onbepaald meervoud. || Het is niet aan de ongeletterden gegeven de gevoelens te kunnen uitdrukken, zooals zij in het harte liggen, LOVELING, D. E. 35. De Koningen hebben hunnen oorsprong van menschen, die door den duivel opgestoken, zochten hunne gelijken te beheerschen, HAERYNCK, Boendale 182. Eene waardigheid door de menschen uitgevonden …, moet deze niet ondergeschikt zijn aan dit gezag, welke de Alvoorzienigheid te harer eer en tot heil des menschdoms door genade schonk, 183.

γ) Het zelfstandig voornaamwoord alles kan in het Nederlandsch voorafgegaan worden door het, maar dan is het ook zelf voornaamwoord, terugslaande op hetgeen te voren genoemd of aangeduid is, b.v. Als’er noch geen woort op mijne tonge en is, siet, Heere, gy weet het alles (Ps. 139, 4). Men treft echter het alles ook aan in gevallen, waarin het niet voornaamwoord, maar lidwoord is. In dit gebruik is het alles de vertaling van fr. le tout, d.i. alles, alles te zamen, een en ander of het geheel, al naar het verband. || Vóór zijn vertrek uit Antwerpen ging ik hem (nl. J.-F. Willems) nog bezoeken; hij schikte zich … in zijn lot; hij zag het alles niet te zwart in, en hoopte eerlang uit zijne ballingschap te mogen wederom keeren, G. BERGMANN, Gedenkschr. 201. Van den dag na zijn examen mag hij (t.w. een dokter) polsen voelen, tongen keuren, pillen schrijven, recepten afleveren, het lijdend menschdom in en ook uit de wereld helpen, het alles met toelating der wet en onder goedkeuring der geleerde faculteit, A. BERGMANN, Staas 91. Het alles (t.w. de inhoud van een handschrift) is zeer onbeduidend, DE FLOU en GAILLIARD, 2de Verslag 42. Daar zond hij al, waar hij vroeger ware voor doodgebleven …, als een afzichtelijke vleeschklomp, tot achter in de kamer, waar het alles liggen bleef, MOORTGAT, Versleten 58.

δ) Men zegt in het Fransch b.v. tous les yeux le dévisageaient, en daaraan beantwoordt in het Nederlandsch niet alle oogen, maar aller oogen bekeken hem, aller oogen waren op hem gevestigd. || In de kunst schijnen al de krachten van het ras zich samen te vatten; al de pogingen strekken om haar te doen ontkiemen; al de bewonderingen ondersteunen hare ontluiking, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 1 (by HAVARD 7: tous les efforts …; toutes les admirations, d.i. aller pogingen, aller bewondering).

ε) Beide kan slechts dán door een lidwoord, resp. een ander bepalend woord, worden voorafgegaan, wanneer het bijvoeglijk gebruikt wordt; staat het zelfstandig, dan is dit onmogelijk. Maar in het Fransch zegt men les deux, en naar het voorbeeld daarvan vindt men bij Zuidnederlandsche schrijvers soms de beiden. || Zij zette de beiden tot trouwen aan, dit was echter niet noodig: de verloofden wenschten niets beter, LOVELING, Sophie 49. Des anderdaags komen zij bij de kerk van San Bartolomeo de beiden … nog eens tegen, LOVELING, Wint. in h. Zuid. 303. Meetjen opende nog eenmaal de oogleden, tot groote ontzetting der beiden, LOVELING, D. E. 171 (er wordt vereischt van beiden, en beter nog tot beider … ontzetting).

ζ) Er zijn in het Fransch een zeer groot getal vaste uitdrukkingen, waarin het lidwoord van bepaaldheid gebruikt wordt, terwijl dit niet voorkomt in de Nederlandsche aequivalenten, zoo b.v.: aimer le vin, le lait, la bière, van wijn, melk, bier, enz. houden; avoir, trouver, donner le temps de -, tijd hebben, vinden, geven; commander le respect, ontzag inboezemen; il a le sou, hij heeft geld; comprendre, apprendre le français, Fransch verstaan, leeren; cracher le sang, bloed spuwen; céder la place à quelqu’un, plaats maken voor iemand; donner l’alarme, alarm maken; demander le secret, om geheimhouding verzoeken; garder le secret, geheim houden; être le bienvenu, welkom zijn; souhaiter la bienvenue, welkom heeten; être au service de quelqu’un, bij iemand in dienst zijn; faire la guerre, oorlog voeren; faire la paix, vrede sluiten; faire le commerce, handel drijven; faire la connaissance de quelqu’un, met iemand kennis maken; fouler aux pieds, met voeten treden; jouer la comédie, komedie spelen; jouer au monsieur et à la dame, mijnheer en mevrouw spelen; jouer au soldat, au cheval, soldaatje, paardje spelen; mettre le feu à -, in brand steken; prendre le café, le thé, thee, koffie drinken; souhaiter le bonjour, le bonsoir, goeden dag, goeden avond wenschen; tomber dans l’oubli, in vergetelheid raken; prendre le parti de quelqu’un, voor iemand partij kiezen; le feu s’est déclaré, er is brand uitgebroken; sur les neuf heures, tegen negen uur; dans l’occasion, bij gelegenheid; à l’occasion de -, bij gelegenheid van -; au revoir, tot weerziens, tot genoegen; à la grande joie, surprise de -, tot groote vreugde, verrassing; à la vie et à la mort, in leven en dood; c’est la foire demain, ’t is morgen kermis; c’était l’hiver, ’t was winter; la semaine dernière, l’année passée, verleden jaar, week; le ministre de la guerre, de la justice enz., de minister van oorlog enz. enz. Vele dezer Nederlandsche uitdrukkingen worden in de boekentaal der zuidelijke gewesten, en ook wel in de spreektaal van hen die lezen en schrijven, naar het voorbeeld van het Fransch met een lidwoord van bepaaldheid gebruikt. || Een jaar of drie geleden was ik ook in eene pension, in Engeland; daar maakte ik de kennis van eenen vreemdeling, LOVELING, Wint. in h. Zuid. 156. Meetje was in zwijm gevallen …. Peetje, machteloos om hulp te bieden, had het alarm geseind, LOVELING, D. E. 165. Hij (had) … de kennis gemaakt van verscheidene personen van aanzien, V. CUYCK in Ned. Dicht- en Kunsth. 10, 26. Lang reeds vóór de buitenpriesters in hunne sermoenen tegen de socialisten en hunne leer den oorlog begonnen te voeren, hadden de bewoners van het platteland dezen (sic) in haat en afschuw gekregen, BUYSSE in De Gids 1895, I, 205. Hij volgde haar werktuiglijk, gedwee, … om aan zijn gefolterden geest den tijd te geven te begrijpen of het een geluk dan wel eene ramp moest heeten, dat onduidelijk en almachtig iets, hetwelk zoo plotseling tusschen hen ontstaan was, BUYSSE, Mea Culpa 65.

Het onzijdig persoonlijk voornaamwoord van den derden persoon in plaats van het mannelijk of het vrouwelijk. – In het Fransch gebruikt men het ww. être met het pronomen ce als onderwerp, wat ook het geslacht van het gezegde wezen moge; men zegt zoowel c’est une belle femme en c’est un bel enfant, als c’est un bel homme, en ce kan zelfs een meervoud als onderwerp voorstellen, b.v. ce sont mes nièces. In het Nederlandsch bestaat iets dergelijks: het kan in zinnen met een naamwoordelijk gezegde een mannelijk of vrouwelijk, of een meervoud als onderwerp voorstellen, zoo b.v. Bij mijn terugkeer stond een man (of een vrouw) mij op te wachten; het was een boodschapper (of boodschapster); of stonden eenige mannen mij op te wachten, het waren vluchtelingen. Zijn het kersen? neen het zijn bessen. Ik heb uwe neven ontmoet; het worden aardige jongens. Het zijn deugnieten, die jongens. Maar dit gebruik van het is niet zoo uitgebreid als dat van ce in het Fransch (o.a. komt het in hoogeren stijl nooit voor), al is het moeilijk onder regels te brengen: het taalgevoel moet ten slotte beslissen. Zoo wordt in de onderstaande zinnen een voornaamwoord vereischt in geslacht en getal overeenkomende met het gezegde, maar in het Fransch wordt ook in dergelijke zinnen ce gebuikt; vandaar de fout. || “Hoe komt het, dat uw drapeau uitsteekt?” vroeg juffrouw Haantjes aan Marie, die om likeur kwam. “Het is op bevel van de zwarte,” zei deze … “En mijnheer is niet te huis?” vroeg de juffrouw … “Neen,” antwoordde deze (nl. de meid) kortaf. “Het is een lafaard,” zei Haantjens, als de meid weg was, LOVELING, Sophie 256. Reeds weder in de stad? vroeg ze …, en lachte hem verblijd toe. - Zooals ge ziet, sprak hij, ook glimlachend. Het was een groote man, sterk geschouderd, met een breed aangezicht, een breeden mond, zeer zwarte, rechte, toegegroeide wenkbrauwen, blauwe oogen en donker haar, LOVELING, Idyl. 2. Zij leefde in onmin met haren man, en had hem door haar lichtzinnig gedrag reeds herhaaldelijk redenen tot klagen gegeven. Het was eene vrouw van wispelturigen aard, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 39. Cornelis De Vos ontving, in 1615, in zijne werkplaats twee leerlingen …, het waren Jan Cossiers … en Simon De Vos, SABBE, Vl. Schilderk. 280. Niet minder groot als rechtsgeleerde was Wielant’s tijdgenoot, de Zeeuw Nikolaas Evertszoon of Everardi … Het was een man uit één stuk, die nooit iets deed noch voor gewin noch voor roem noch uit vriendschap voor de machtigen der aarde, FREDERICQ, De Nederl. o. K. Kar. 174.

Het onzijdig persoonlijk voornaamwoord in plaats van de bijwoorden er of daar. – Wanneer het gezegde van een onderwerpszin een werkwoord in den lijdenden vorm is, dan staat aan het hoofd het bijwoord er. Zoo zegt men: het is zeker dat hij vertrokken is, maar er werd bepaald dat ik ’s anderendaags vertrekken zou. In het Fransch gebruikt men in beide gevallen il: il est certain qu’il est parti en il fut décidé que je partirais le lendemain. Als gevolg daarvan gebruiken Zuidnederlandsche schrijvers ook vaak het in de beide gevallen, en zoo schrijft men: het werd bepaald dat enz.; het zal niet gezegd worden dat enz. || Het werd ernstig geloofd dat er geen ander middel was om de maatschappij aan gang te houden dan door velen te laten trekken en weinigen te laten rijden, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 7. Het werd ernstig geloofd ... dat de eenige vaste elementen in de menschelijke natuur, waarop een maatschappelijk stelsel veilig kon gebouwd worden, hare slechtste neigingen waren, 9. Reeds van af 26 Januari 1797 was het door het middenbestuur bevolen in openbare stukken, geen gebruik meer te maken van de Gregoriaansche tijdrekening, MATHOT, Troebele Tijd 110. Het werd bepaald, dat hij zich om vier uren naar den Eikpoel begeven ... zou, LOVELING, Sophie 191. Het zal niet gezegd worden, dat ik, voor het minste heb medegeholpen om de verdeeldheid in ons rampzalig land nog te vermeerderen, 206. Het werd gezegd, dat hij meester Ottevare in de vrije school bekampen zou, 214. Het was haar wel op het hart gedrukt, dat het verhemelte en de tong alleen het menschgeworden lichaam van Christus beroeren mochten, LOVELING, Bruid d. Heer. 101. Maar het zal toch niet gezegd zijn ... dat Vlaanderen ... zonder strijd zal gestorven zijn, VUYLSTEKE, Prozaschr. 1, 186.
– Evenzoo zegt men in onze taal niet het volgt ... dat enz., wat eene navolging is van fr. il suit ... que, maar daaruit volgt ... dat enz. Zie ook de aanhaling. || Het volgt uit het bovenstaande, dat wij van oordeel zijn, dat de stof voor de leesles ontleend moet zijn aan de kinderwaereld en aan het huisgezin, De Toekomst 32, 95 (aan fr. il suit de ce qui précède, dat hier letterlijk vertaald is, beantwoordt in het Nederlandsch uit het bovenstaande volgt of eenvoudigweg daaruit volgt).

Verkeerde weglating van het onzijdig voornaamwoord het. – In het Fransch kan het lijdend voorwerp, wanneer dit uitgedrukt wordt door le, in zekere gevallen weggelaten worden, vooral bij een gebiedende wijs. Zoo zegt men dites! lisez! racontez! refusez! donnez! prenez! faites! (d.i. ga uw gang) Maar ook in enkele andere gevallen, b.v. Elle répondit sans hésiter: je ne crois pas; - j’ai compris, fit-il tristement; - êtes vous toujours décidé à partir? je ne sais, répondit-elle; - je comprends, je comprends, tu es une brave fille, dit-il. Op dezelfde wijze zegt men vous verrez, bij wijze van bevestiging, tot iemand die twijfelt aan de juistheid eener door den spreker geuite bewering. In al deze gevallen is in onze taal het gebruik van het voornaamwoord onmisbaar; maar in Zuid-Nederland wordt het Fransche taaleigen soms nagevolgd. || “Ik kan niet gelooven, dat hij (t.w. zeker patroon) ooit zoo barbaarsch met een onzer handele,” … “Gij zult zien, zeg ik u! - ” hoonlachte de onverbiddelijke Bert, SLEECKX 16, 12.
– Bij het werkwoord wagen wordt altijd een loos voorwerp, uitgedrukt door het onzijdig voornaamwoord het, vereischt; zoo zegt men hij waagde het niet mij aan te zien; ik waag het u nogmaals te vragen enz. In het Fransch bestaat die constructie niet bij hasarder, dat het aequivalent is van wagen, en men zegt il hasarda de demander enz. Dit heeft het gevolg, dat het loos voorwerp het niet zelden door Zuidnederlandsche schrijvers weggelaten wordt. Zie ook in de eerste afdeeling, II, het art. Wagen. || “Hebt gij hem zien sterven?” waagde Reine te vragen, LOVELING, D. E. 131.

Verkeerde weglating van ’t lidwoord van bepaaldheid. – In een groot getal vaste uitdrukkingen, ingeleid door het voorzetsel en, gebruikt men in het Fransch geen lidwoord, terwijl in het Nederlandsch het lidwoord van bepaaldheid vereischt wordt, t.w. étudiant en droit, student in de rechten; docteur en médecine, doctor in de medicijnen: en pleine, en rase campagne, in ’t open veld, in ’t vlakke veld; en français, en hollandais enz., in het Fransch, in het Hollandsch; en été, en automne, en hiver, in den zomer enz.; mettre, jeter en prison, in de gevangenis zetten; mettre, être en train, aan den gang zijn, maken; être en deuil, in den rouw zijn; être fort en histoire, knap zijn in de geschiedenis; entrer en rade, op de reede komen; entrer en gare, het station binnenrijden; monter en voiture, in het rijtuig stappen; monter en chaire, den kansel beklimmen; être en fuite, op de vlucht zijn; en forme de -, in den vorm van -; être en faveur, in de gunst zijn, staan; en faveur de -, ten gunste van - . Niet zelden vindt men bij Zuidnederlandsche schrijvers sommige dezer uitdrukkingen zonder lidwoord, onder den invloed van het Fransche gebruik. || Alva … werd door den Koning zeer koel ontvangen. Later kwam hij echter weder in gunst, CONSC. 4, 320a. Het werd ernstig geloofd dat er geen ander middel was om de maatschappij aan gang te houden dan door velen te laten trekken een weinigen te laten rijden, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 7 Roode hoeden in vorm van antieke helmen, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 44. Vóór de stad steken twee bergen uit als ossenhorens, waartusschen de zee eene kom maakt in vorm van hoefijzer, ROOSES, Op Reis 10 (er wordt vereischt in den vorm van een hoefijzer). Onmogelijk u te verbeelden, hoe onnoozel en bespottelijk een man er uitziet met dit kinderhoedje en dien langen tabbaard in vorm van kamerjapon, 188 (hier ook in den vorm van een kamerjapon). In vorm van bedanking las hij den prologus van zijn werk, ROOSES, Derde Schetsenb. 297 (hier wordt vereischt bij wijze van bedanking). Men stelt zich moeilijk voor, hoe hoog Arnhem bij de Hollanders in gunst staat, GITTÉE, Bij onze Noorderbr. 172.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

het* persoonlijk voornaamwoord 0901-1000 [WPs]

het* lidwoord 1370 [Vd Toorn, Gesch. Ned. Taal 219]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑o-, k̑e- (mit Partikel k̑e ‘hier’), k̑(e)i-, k̑(i)i̯o- Pronominalstamm ‘dieser’, ursprünglich ich-deiktisch, später auch ‘jener’, k̑i-na ‘hinweg’

Arm. -s ‘Artikel’ (z. B. mard-s ‘der Mensch’), sa ‘dieser’, ai-s ds., a-s-t ‘hier’;
phryg. σεμου(ν) ‘diesem’ (*k̑em + ōi); anders Pedersen Tochar. 259.
gr. Partikel *κε in κεῖνος und ἐκεῖνος, dor. lesb. κῆνος ‘jener’ aus *(ε)κε-ενος; daraus rückgebildet (ἐ)κεῖ ‘dort’, (ἐ)κεῖθι usw.; *k̑i̯o- in σήμερον, att. τήμερον ‘heute’ (*κι̯ᾱμερον), wonach auch *κι̯ᾱετες ‘heuer’ in σῆτες, att. τῆτες, dor. σᾶτες;
lat. -ce, ce-Partikel in ce-do ‘gib her’ (ebenso osk. ce-bnust ‘er wird hergekommen sein’), cēterus ‘der andere, der übrige’ (*cĕ + *etero-, vgl. umbr. etru ‘altero’); hi-c (*hi-ce), hīs-ce, sī-c (sī-ci-ne), illī-c, illū-c, tun-c, nun-c usw., osk. ekak ‘hanc’, ekík ‘hoc’ = pälign. eci-c, marr. iaf-c ‘eas’, esu-c ‘eo’; osk. ídí-k, umbr. ere-k ‘id’, osk. ekas-k ‘hae’, umbr. esmi-k ‘huic’, lat. ecce (wohl aus *ed-ke, s. *e Pron.-St.), osk. um -um erweitert ekk-um ‘ebenso’, nach puz ‘wie’ aus *kuti-s umgebildet ekss ‘ita’; Konglutinat e-ko- z. B. osk. ekas ‘hae’, pälign. acuf ‘hīc’, ecuc ‘huc’, ecic ‘hoc’, *e-k(e)-so- z. B. osk. exac ‘hac’;
*k̑i- in lat. cis ‘diesseits’, citer ‘diesseitig’, citrō ‘hierher’, citrā ‘dieseits’, citimus ‘nächstbefindlich’, umbr. çive ‘citra’ (St. *k̑i-u̯o-), çimu, s̀imo ‘ad citima, retro’;
air. ‘hier, diesseits’ (*k̑ei, vgl. ablautend Ogom coi ‘hier’, gall. κουι), cen (vgl. zum n-Suffix ahd. hina ‘weg’ usw.) ‘diesseits’ (in cen-alpande ‘cisalpinus’) und ‘ohne’, centar ‘diesseits’; gall. etic neben eti ‘auch’ könnte ebenfalls -k̑e enthalten;
anord. hānn, hann ‘er’ (*hānaR, idg. *k̑ēnos aus *k̑e-eno-s), hōn ‘sie’; asächs. , he, hie, ahd. , her ‘er’, nur Nom., ags. hē̆ ds.;
got. himma ‘huic’, hina ‘hunc’, hita n. ‘jetzt’, asächs. hiu-diga, ahd. hiu-tu ‘hoc die, heute’ (: asächs. ho-digo ds.), ahd. hiuru (*hiu-jāru) ‘heuer’, nhd. jetzt, österr. hietz(t), mhd.(*h)ie-zuo (aus *hiu + Postpos. ‘zu’); ahd. hina ‘weg’, nhd. hin, hinweg (vgl. air. cen); got. hiri ‘komm hierher’ (Grundform unsicher); ahd. hëra, as. her ‘hierher’; got. hēr, ahd. hiar, ags. hēr ‘hier’ (*k̑ēi-r); got. hidrē ‘hierher’, ags. hider, engl. hither ‘hierher’ (: lat.citer, citrō), nl. heden ‘heute’, ahd. hitumum, hitamun ‘erst, demum’ (: lat. citimus);
strittig, ob hierher: got. hindana ‘hinter, jenseits’, ags. asächs. hindan, ahd. hintana ‘hinten’, anord. handan ‘von jener Seite her, jenseits’, komparativisch got. hindar, ahd. hintar ‘hinter’, superlativisch got. hindumists ‘hinterster, äußerster’, ags. hindema ‘letzter’, wobei das n von *k̑i-n-t-, *k̑o-n-t dasselbe wie in ahd. hina wäre; oder mit gall. Cintugnātos ‘Erstgeborener’, air. cētne, cymr. kyntaf ‘erster’ usw. zu *ken- ‘frisch kommen, soeben sich einstellen, anfangen’ (oben S. 564) mit der Bed. ‘letzter’ = ‘novissimus’?
apr. schis (Adverb schai ‘hier’), lit. šìs (lett. šis = aksl. ‘dieser’), Gen. lit. šiõ, aksl. sego, Akk. Pl. aksl. sьję, fem. lit. šì (lett. šĩ) = aksl. si, Akk. Sg. f. sьjǫ, lit.šì-tas ‘dieser’ (*k̑i-to-), dazu štaĩ ‘sieh hier’ (alt šitai), apr. stas ‘der’; lit. šiañdien, lett. šùodien ‘heute’, lit. šè, lett. še ‘hier’, aksl. si-cь ‘τοιοῦτος’ usw.;
hitt. ki ‘dieses’, ki-nun ‘jetzt’ enthält *k̑i (Pedersen Hitt. 50).

WP. I 452 ff., WH. I 192 f., 208 f., 222, 390, 644 f., 855, 862, Trautmann 304, Schwyzer Gr. Gr. I 613.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal