Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

her- - (opnieuw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

her- voorv. ‘opnieuw’
Mnl. in weder herhebben ‘weer terughebben, terugkrijgen’ [1294; CG I, 2024], herpoliten ‘opnieuw polijsten’ [1343-44; MNW], hercuwen ‘opnieuw kauwen’ [1380-1400; MNW-P], herademen ‘opnieuw ademen, tot rust komen (Latijn respirāre)’ [1477; MNW]. Pas in het Vroegnieuwnederlands in hogere mate productief: herdopen ‘opnieuw dopen’ [1534; WNT herdopen], heerhijlcken ‘opnieuw trouwen’ [1583; WNT Aanv.], herdijckinge ‘herbedijking’ [1596; WNT herdijken], hergroeyen ‘weer opgroeien’ [1621; WNT hergroeien]; nnl. herzwemmen ‘terugzwemmen’ [1728; van Ginneken 1927, 241].
Dit voorvoegsel is vooral gebruikelijk in de zuidelijkste Nederlandse dialecten en bestaat verder uitsluitend in de standaardtaal. In de overige dialecten is het nagenoeg onbekend, evenals in de andere Germaanse talen. Men veronderstelt daarom dat her- is ontstaan uit het Franse re-, dat dezelfde betekenissen en gebruikstoepassingen heeft en in het Picardisch door metathese als er- voorkomt. Omdat de h in een groot deel van het Zuid-Nederlandse taalgebied een zwak foneem was, kon in geschreven taal gemakkelijk een hypercorrecte h ontstaan, mede door identificatie met → her ‘hierheen’ in oudere woorden als mnl. hercomen (zie → herkomst) en herbringen ‘hierheen (naar het heden) brengen, vanouds in bezit hebben’.
Al de oude woorden met her- hebben een Frans of Latijns equivalent met ré-/re- en vooral in combinatie met werkwoorden, zoals Van Ginneken (1927) aantoont. De betekenissen van het voorvoegsel in die woorden valt in alle gevallen onder ‘herhaling’ of ‘verandering van richting’. In de hedendaagse schrijftaal is her- weinig productief. In de spreektaal is het productiever, en dan met name in België, vergelijk bijv. BN herdoen tegenover NN overdoen, of BN hervallen, bijv. in een ziekte na een behandeling, tegenover NN terugvallen.
In → herinneren, een relatief jong leenwoord uit het Duits, is her- een latere aanpassing van het Duitse voorvoegsel → er-.
Lit.: J. van Ginneken (1927), ‘Een Fransch voorvoegsel in het Nederlandsch of een oer-Europeesch prae-Indogermaansch relict’, in Neophilologus 13, 161-177 en 241-254

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

her- [voorvoegsel ter uitdrukking van herhaling] {in bv. hermaken [opnieuw maken] 1265-1270} < frans re-, noordfrans er-, eur-, waarbij de h- in het zuidnl. aan de franse vorm er- is toegevoegd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

her 2 praefix tot aanduiding van de herhaling, dat uitsluitend nnl. is en reeds in het mnl. aanwezig is. Daarnaast bestond ook een praefix her- zoals in herkomst, dat echter hetzelfde als her 1 is.

De daarmee samengestelde woorden zijn grotendeels van geleerde oorsprong en het praefix komt in de volkstaal eigenlijk niet voor. Het hoort alleen thuis in de zuidnl. dialecten langs de taalgrens. Dat was aanleiding voor van Ginneken Nph 13, 1928, 166 vlgg. te denken aan een overname van het franse praefix re-, dat in noordfra. dial. vaak als er-, eur-, or-, ar- voorkomt. Daar in de zuidnl. dialecten vaak onzekerheid heerst over de anlautende h, kan men deze hebben toegevoegd, deels onder invloed van het andere praefix her-, deels vooral als een correct gevoelde vorm. — Opmerkelijk is dat dit (h)er- zeer productief geworden is, maar toch vooral in woorden van een min of meer geleerde althans hogere taal. Het schrijftaal-karakter blijkt ook uit de uitspraak van de e, die altijd helder en open klinkt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

her- II prefix, reeds mnl. Alleen ndl. In sommige gevallen = her I, bijv. mnl. hercōmen “herkomstig zijn”, als znw. o. = “gebruik, gewoonte, gewoonterecht”; van dit ww. hercomst v. “id.”, nnl. herkomst “id., afkomst”, mnl. komt ook de spelling haer-, heer- voor. In andere gevallen is her-, misschien onder invloed van her I, voor andere prefixen (er-, ver-) in de plaats gekomen. De oudere geschiedenis van dit prefix bevat nog veel duisters. Veel woorden met her-, ook van de reeds mnl., zijn van geleerden oorsprong. Vgl. herademen, herboren, herdenken, herhalen, herinneren, herkauwen, herkennen, herleiden, hernemen, hernieuwen, herroepen, herscheppen, herstellen, hervatten, hervormen, herzien.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

her- II prefix. In de volkstaal is het prefix alleen gebruikelijk in de zuidndl. langs de fr. taalgrens liggende diall. Daarom is de hypothese van Van Ginneken (Neophil. 13, 161 vlgg.) aannemelijk, dat het is overgenomen uit fr. re-, dat juist in noordfr. diall. vaak als er-, eur-, or-, ar- voorkomt: de vorm (h)ar- is ook in het Zuidndl. bekend (Zovla.). De h- is dan wellicht te verklaren uit de onzekerheid, die in het Zuiden heerste ten aanzien van woorden met vocalisch begin en etymologische h-, terwijl bij de overneming in het Noorden de h-vorm als de (hyper-)correcte vorm definitief zou hebben gezegevierd tegenover de mogelijk h-loze brabantse. Enige invloed van her- = her I kan hierbij hebben meegewerkt. — Het prefix is zeer productief geworden, aanvankelijk vooral ter weergeving van fr. resp. lat. woorden met re-, maar in het N. min of meer geleerd gebleven. Phonetisch is het door de uitspraak [hɛr] als een leesvorm gekenmerkt tegenover b.v. ver- II [vər].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

her- 3 praefix, hetz. als her 2, dat de bet. kreeg van opnieuw door uitdrukkingen als heen en her of hot en her (z. hot).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

her II: subst. v. voorv. her- in studt. in bet. “hereksamen” (WAT s.v. her3).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

her- (Noordfrans er-, Frans re-)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

her- ‘voorvoegsel ter uitdrukking van herhaling’ -> Fries her- ‘voorvoegsel ter uitdrukking van herhaling’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal