Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

her - (hierheen, sedert)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

her bw. ‘hierheen; sedert’
Mnl. in herwert ‘hierheen’ [1240; Bern.], herwaert ‘id.’ [1260-70; CG II, Boeve], her ende gens ‘overal heen’ [1315-35; MNW-R], quam ... her an ‘kwam hier aan’ [1365-85; MNW-R], her neder ‘hier neer’ [eind 14e eeuw; MNW teriten]. In de standaardtaal nu alleen nog in vaste verbindingen: vnnl. van oudsher ‘vanaf de oudste tijd’ [1619; WNT] (mnl. van outs haer [1408-14; MNW]), her en der ‘overal (heen)’ (mnl. her ende daer [1450-1500; MNW-R]), herwaarts, van hot naar her ‘alle kanten op’ (vnnl. die nauwelijck en weten her oft hot ‘die nauwelijks weten waarheen ze moeten gaan’ [1550; MNW], d' een hot en d' ander her ‘de een hierheen, de ander daarheen’ [1621; WNT haar IX]).
Oude vorming uit het aanwijzend partikel pgm. *hi- zoals dat in diverse bijwoorden en persoonlijke voornaamwoorden voorkomt, zie verder → hier. De Middelnederlandse variant hare is frequenter dan her, misschien naar analogie van dare ‘daar, daarheen’. Beide varianten verouderden in de standaardtaal ten gunste van de samenstelling hierheen, zie → heen, zoals ook daar de bewegingsbetekenis verloor aan daarheen. Dialectisch komen zowel her als hare nog voor.
Her in de uitdrukking van hot naar her is wrsch. hetzelfde woord. De etymologie van hot is echter volledig duister. FvW en Verc. noemen het een onomatopee, maar laten zich verder niet uit over het geluid dat zou worden nagebootst. Misschien is het oorspr. hetzelfde woord als → hort 2 ‘weg’ in de uitdrukking de hort op.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

her2* [hierheen, sedert] {hare, here, her [hierheen, hier] 1287; als ‘sedert’ 1611} oudhoogduits hera, gotisch hiri [kom hier]; van dezelfde stam als die ten grondslag ligt aan hier, heen, heden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

her 1 bijw. mnl. her, hēre, zelden naast hare, ‘hierheen, hier’. Wij moeten uitgaan van de vorm hēre, vgl. ohd. hera (nhd. her) ‘hierheen’ en got. hiri ‘kom hier’; evenals waar een r-afl. van de pronominaal-stam *hi, waarvoor zie: heden, heen 2, en hier.

Het overwegen van hare wordt verklaard door invloed van daar, vooral in uitdrukkingen als hare ende dare, harentare ‘hier en daar’. In de voermansuitroep haar, har = ohd. hara, nhd. har om ‘links’ aan te duiden, zal de a wel aan de behoefte van sterkere klankexpressie zijn toe te schrijven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

her I bijw., mnl. zelden her naast hēre en het veel gewonere hare “hierheen, hier”. Deze laatste vorm overheerscht zoo zeer, dat hij niet als een friso-hollandisme mag verklaard worden, maar veeleer aan den invloed van dare (daar) is toe te schrijven: vgl. de mnl. verbinding hare ende dare, harentare “hier en daar, op verschillende plaatsen, naar alle richtingen”. Vgl. ook ohd. (bovenrijnsch, zwits.) hara (nhd. har als voermansuitroep = “links”, evenals ndl. haar, har, her, oppositum van hot). Mnl. hēre = ohd. hëra (nhd. her) “hierheen”. Van denzelfden pronominaalstam *χi- als heen; zíe hier. Wsch. is ook got. hiri “kom hier!” verwant. Nnl. her is in verschillende gevallen als een germanisme te beschouwen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haar 6 tuss., in haar en hot: z. hot.

her 2 bijw. (naar hier), Mnl. here, hare, Os. her + Ohd. hera (Mhd. here, Nhd. her), Go. hiri: van den stam van hij; staat tot heen als daar tot daan (z. ook hier).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

her I: “hierheen; vanaf” (WAT s.v. her1), wv. v. hier, nog in: her en der (v. der II) en herwaarts; Ndl. her (Mnl. her(e)/heer/haer/hare), Hd. her; v. haar II.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

her ‘bijwoord van plaats: hierheen’ -> Frans haro ‘uitroep’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

her* bijwoord van plaats: hierheen 1180 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

966. Van hot noch haar weten,

d.w.z. niets weten, een domoor zijn; van ju noch hou weten (Joos, 58); eig. van rechts noch links weten; vgl. fr. n'entendre ni à dia (links) ni à hur-haut (hue, huhan), niet naar rede willen luisteren; n'entendre ni à dia ni à hue, niets begrijpen. ‘In verschillende talen is dit hot een bekend voermanswoord ter aandrijving van het lastdier, en wel naar de rechterzijde, gelijk her of haar naar de linkerzijde’; De Jager, Frequentatieven I, 223V. Schothorst, 140 verklaart hot door links; in de Meijerij is haru links en hottu rechts; ook zegt men herrum en juutsum (Noord en Zuid II, 315).. Haar, mnl. hare, toonloos her, is een bijw. en wil eig. zeggen hierheen (vgl. herwaarts). Zie verder Taalk. Magazijn II, 422; III 55-56; Dr. Bl. I, 128: hot en haar; Hoeufft, 259-261; Schuermans, 196 a; Antw. Idiot. 585: van hut noch van haar weten, van iets geen verstand hebben; van hut naar heir loopen, heen en weer loopen, en vgl. Anna Bijns in Leuv. Bijdr. IV, 273: her noch hot weten; in Belg. Mus. IV, 88:

Sotkens voeghen hem by sottinnekens,
Die nauwelijck en weten her of hot.

Vgl. nog ‘van hot noch tot weten’; het nederd. hot un nâk en foire hot, fahre nach rechtsJahrb. des Ver. f. Niederd. Sprachf. XXIII, 145; Taalgids IV, 280.; de een geit hott un de anner geit hühl; de êne will hott, de anner har; der eine hodder, der andere schwodder; er weiss weder Hott noch Hist; wenn ik will hott, so will sê hüt; enz. (Wander II, 794; Eckart, 218); bij Reuter, 47: hül (rechts) un hott (links); nich hül noch hott weiten; die Hottseite, de linkerzijde (in Zuid-Afrika hotkant, rechterkant); het Hagel. hot en haar zijn, overal zijn (Rutten, 97); Waasch Idiot. 301 b: hut, roep om een peerd rechts te doen afkeeren; Joos, 42: dat kind wilt hot (of hut) noch haar, is onwillig; iemand van hot naar her zenden, van 't kastje naar den muur; in Twente: van haar noch tu weten. Zie verder Ndl. Wdb. V, 1427-1428; VI, 1131. (Aanv.) Vgl. nog tirer à hue et à dia, van links naar rechts trekken.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal