Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

helm - (duinplant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

helm 2 zn. ‘duingrassoort (Ammophila arenaria)’
Vnnl. mit hellim ende mit stro ‘met helm en met stro’ [ca. 1500; MNW]; vnnl. dat men de Duynen besteecken moet met Helm ... tegens 't verstuyven [1510; WNT].
Zeer wrsch. een nevenvorm van → halm en mogelijk als simplex ontstaan door verkorting van samenstellingen als helmriede ‘-riet’ [1500-50; MNW bevliën], helmgras [1666; WNT weg I]. Via het Nederduits ook ontleend als o.a. Deens hjælme en Zweeds (verouderd) (mar)halm (nu sandrör).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

helm3* [duinplant] {helm, hellem 1500} variant van halm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

helm 2 znw. v. ‘plant’, mnl. helm, volgens Kiliaen hollands-zeeuws (ook nu nog voor het duingras), fri. helm. Het is een bijvorm van halm; uit het nl. nd. ook naar Skandinavië, vgl. nde. hjelm{e), dial. helm, helmd, nzw. helm en > ne. helm.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

helm II (plant), mnl. helm (helm-riet, N.Holl.), volgens Kil. “Holl. Zeland.”, nu nog vooral in die provincies gebruikt; ook fri. helm. Nnl. bijvorm halm. = oostfri. helm (helmet, helmt); uit het Ndl.-Ndd. de. hjelm(e), dial. helm, helmd, zw. helm, eng. helm. Wsch. een afl. van halm, eventueel een dial. vorm hiervan, die oorspr. op een klein duingebied = “helm” werd gebruikt. Vgl. de bet. “riet” van gr. kalamos, “stroo” van russ. solóma.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

helm 2 v. (gras), + Ndd. halme: afleid. van halm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2helm s.nw.
Koringaar of grasstingel.
Uit Ndl. helm (al Mnl.).
D. Helm (14de eeu).

3helm s.nw. (plantkunde)
Enigeen van sekere soorte grasse en duinplante.
Wsk. 'n afleiding van helm (2helm), so genoem omdat die plante aar- of stingelagtige pluime het.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

halm(e) (DB), zn. m.: duinriet, helm. Mnl. halm ‘grasstengel, rietstengel’, Vroegnnl. helm ‘carex, iuncus acutus’ (Kiliaan). Uit Ndl./Ndd. helm > De. hjlem, helm, Zw. helm > E. helm. Wvl. halm ‘helm’ zou verklaard kunnen worden door de gedekte l (b.v. Brugs kalder, malk), maar helm en halm zijn verwant. Os., Ohd., halm, Oe. healm, E. halm ‘halm, stengel’. Gr. kalamos, Lat. calamus ‘riet’.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

helm
Ammophila arenaria (L.) Link

De naam Helm voor deze grassoort is een variant of bijvorm van halm, de voor de grassen kenmerkende stengel met de bladscheden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

helm ‘duinplant’ -> Deens hjælme ‘duinplant’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

helm* duinplant 1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal