Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

helm - (hoofddeksel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

helm 1 zn. ‘beschermend hoofddeksel’
Mnl. helm ‘beschermend hoofddeksel’ [1240; Bern.].
Os. helm (mnd. helm); ohd. helm (nhd. Helm); oe. helm (ne. helm); on. hjalmr (nzw. hjälm); got. hilms; < pgm. *helma-, afleiding van de wortel *hel- ‘omhullen, bedekken’, zie → helen 2, met het achtervoegsel *-ma- < pie. *-mo-, dat o.a. concrete zn. vormt bij werkwoorden, zoals bijv.bloem 1, → galm, → molm, → walm, → zoom.
Het Germaanse woord is ontleend als middeleeuws Latijn helmus (Oudfrans helme, Nieuwfrans heaume; Italiaans elmo; Spaans elmo) en ook al vroeg (gezien de palatalisatie h- > š-) als Proto-Slavisch *šelmŭ (o.a. Russisch šlem ‘helm’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

helm1* [hoofddeksel] {1220-1240} oudsaksisch, oudfries, oudengels, oudhoogduits helm, oudnoors hjalmr, gotisch hilms; buiten het germ. oudindisch śarman- [bedekking]; afgeleid van de stam van helen2. De uitdrukking met de helm geboren [een gelukskind zijn, geboren zijn met de mogelijkheid van de voorspelling] slaat op geboorten waarbij het hoofd is bedekt met de vruchtvliezen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

helm 1 znw. m. ‘hoofdbedekking’, mnl. helm, os. ohd. ofri. oe. helm, on. hjalmr, got. hilms. — oi. śarman ‘scherm, schermdak’(S. Bugge BB 3, 1879, 118), bij de idg. wt. *ḱel, die niet zo zeer ‘bedekken, verhullen’ betekent, maar eerder ‘vlechtwerk, heining’, vgl. lat. clipeus ‘schild’ en oiers clīab ‘korf’ (zo J. Trier Lehm 1951, 52-3).

Daarentegen wil Marstrander NVA 1925 Nr. 1, 32 het woord met lat. culmen ‘top’ verbinden en denkt zelfs aan een vertaling van kelt. *barso (vgl. iers cathbarr ‘helm’, waarin cath = ‘strijd’); zeer onwaarschijnlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

helm I (hoofddeksel), mnl. helm m. = ohd. hëlm (nhd. helm), os. ofri. ags. hëlm, on. hjalmr, got. hilms m. “helm”. Oorspr. = “bedekker”: ags. hëlm beteekent ook nog “bedekking, beschermer”. Van den stam van helen II. Vgl. vooral oi. çárman- “bedekking, beschutting” (zie echter bij roest II). Uit het Germ. fr. heaume, it. elmo en ksl. šlěmŭ “helm”. Lit. szálmas “id.” weer uit het Slav.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

helm 1 m. (hoofddeksel), Mnl. id., Os. id. + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. id. (Eng. id.), Ofri. id., On. hjalmr, (Zw. hjälm, De. hjelm), Go. hilms; van den wortel van helen. Ging in ʼt Rom. over (Ofra. healme, thans heaume) alsook in het Slav.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

schelm (G), in de uitdr. mee ne schelm geboren zijn, volksetymologische vervorming van 'met de helm geboren zijn'. Een vlies (of helm) over het hoofd bij de geboorte gold als een geluksteken. Vgl. Wvl. met 'n hallemet geboren zijn.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1helm s.nw.
1. Hoofdeksel om die kop te beskerm. 2. Stuk eiervlies wat die kop van 'n kind soms by geboorte bedek. 3. (plantkunde; minder gebruiklik) Boonste gedeelte van 'n lipblom.
Uit Ndl. helm (1567 in bet. 1), in bet. 2 en 3 so genoem omdat die eiervlies oor 'n baba se kop, asook die boonste gedeelte van 'n lipblom, aan 'n helm (1helm 1) herinner. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
D. Helm (9de eeu).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Helm (Met den — geboren zijn), eig. met een der geboortevliezen om het hoofd ter wereld komen,overdr. een gelukskind zijn, vroeger bepaaldelijk: de gaaf hebben om spoken, en de toekomst, vooral ongelukken, te zien. Aan dat vlies, en het feit, daarmede geboren te worden, werd een bijgeloovige waarde gehecht. Zie hierover v. Andel, Volks-geneesk. 117, en Dickens, David Copperfield 1 vlg.; Wolf en Deken, S. Burgerhart 317: “Zy is, zegt zy, “met een Helm geboren, en kan kwaad zien””; Bergmann, Nov. 121; “Zijn brood gewonnen hebben, als men opstaat... gij zijt waarlijk met eenen helm geboren!”

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Helm, bij Helen, z. d. w.:de verbergende (voor de m vgl. galm, bloem).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

helm ‘hoofddeksel’ -> Frans heaume ‘hoofddeksel’ Frankisch; Frans dialect † am'lète ‘vlies over het hoofd van een baby’; Bretons helm ‘hoofddeksel’ <via Frans>; Indonesisch hélm, hélem ‘hoofddeksel’; Menadonees hèlem ‘hoofddeksel’; Minangkabaus helem ‘hoofddeksel’; Muna helemu ‘hoofddeksel’; Papiaments hèlmu ‘hoofddeksel’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) helum ‘hoofddeksel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

helm* hoofddeksel 1080 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

891. Met een helm geboren zijn,

d.w.z. geboren zijn met de gave der voorspelling, vooral wat het overlijden van bloedverwanten of stadgenooten betreft; ook beteekende het vroeger, gelijk nu nog in Zuid-Nederland, hij is gelukkig, alles lukt hem wel (Tuinman I, 33; Joos, 84). In de 16de eeuw (wellicht ook vroeger) bestond het bijgeloof, dat iemand, die met een helm, d.i. een vliesachtig omhulsel van het hoofd, geboren werd, geesten kon zien, zooals blijkt uit Veelderh. Geneuchl. Dichten, anno 1600 (ed. Lettk.), 213:

Kinderen met een helm geboren, tzijn vremde stucken,
Zien geesten, nacht-merryen, en zulc gedrocht.

Bij Starter, 84, lezen wij: In een helm geboren zijn; Kluchtspel III, 71: Met een open helm geboren zijn; Snorp. II, 25: Je bent mit een wonderlicken helm geboren en daerom kenje oock beter by daegh sien als by nacht; Huygens, V, 82, 876; Halma, 213: Met eenen helm geboren zijn, gelukkig zijn. Ook de Franschen zeggen van iemand, wien alles gelukt: il est né (tout) coiffé; de Duitschers: er ist mit der Glückshaube oder dem Helm geboren; de Engelschen: he is born with a caul; in het fri. hy is mei in helm to wrâld komd; de Vlamingen, volgens Schuermans, 14 b: met den alem, elm geboren zijn; in het Haspengouwsch: met eene allumet (in zijn gat) geboren zijn (Rutten, 24 a). Zie nog De Bo2, 353 b; Molema, 152 b; V. Schothorst, 141; Gunnink, 126; Opprel, 46 a; Waasch Idiot. 284 a; Antw. Idiot. 1754; Teirl. II, 25; Jord. 222; 225; Sjof. 246: Die is 's nachts na twaalven geregeld op straat. Die is beeldwitZie Mnl. Wdb. I, 845; Ndl. Wdb. II, 1294; Opprel, 46.. Wist je niet dat ze die beeldwit noemen. Wel ja, beeldwit, ze is met den helm geboren; De Arbeid, 4 Febr. 1914, p. 1 k. 3: De ‘Volk’redactie was zeker bij een koffiedikkijkster geweest of bij iemand die met een ei werkt, dat zij zoo van te voren wist, dat de staking verloren moest gaan. Of zouden zij met een helm geboren zijn? Zie verder over dit volksgeloof Volkskunde XXI, 20; XXIV, 97-100; Bastian und Hartmann, Zeitschrift für Ethnologie, etc. IV, 186 vlgg. en W. Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven II, 216 vlgg. (Aanv.) Zie nog De Cock, Volksgeloof, bl. 204.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑el-4 ‘bergen, verhüllen’, k̑oli̯ā, eli̯ā, k̑ēlā f., k̑elos- n. ‘Verhüllung, Versteck’

Ai. śaraṇá- ‘schirmend’, n. ‘Schirm, Schutzdach, Hütte’, śárman- n. ‘Schirm, Schutzdach, Decke, Obhut’ (: nhd. Helm), dehnstufig (wie lat. cēlō, cella, ahd. hāli) śā́la f. ‘Hütte, Haus, Gemach’, śālá- m. ‘Einfriedung, Hecke’, śālīna- ‘verlegen’ (*versteckt); sehr unsicher ai. śāṭa-m., śāṭī f. ‘Tuch, Binde’;
gr. καλῑά: ‘Hütte, Scheune, Nest’; κόλυθρος m. ‘Sack, Tasche’; hom. κολεόν, metrisch gedehnt κουλεόν, att. κολεός ‘Scheide’ (*κολεϝός; unklar lat. culleus ‘Ledersack’, woraus russ. kulь, poln. kul ‘Sack’, daraus wieder lit. kulìs ds., kulìkas, apr. kuliks ‘Beutel’); mit Labialerw. καλύπτω ‘umhülle, verberge’, καλύβη ‘Obdach, Hütte’, κέλῡφος n. ‘Schale, Hülse’; Labial zeigt auch das wohl verwandte mhd. hulft ‘Köcher’ (s. unten);
lat. *cĕlō (= air. celim, ahd. helan) in occulō, -ere ‘verbergen’; color, -ōris ‘Farbe’ (arch. colōs, eigentlich ‘Hülle, Außenseite’); dehnstufig cēlō, -āre ‘verhehlen, verbergen’, nominal cella ‘Vorratskammer, Kammer, Zelle’ (wohl mit Konsonantenschärfung für *cēlā = ai. śālā); schwundstufig clam ‘heimlich’ (Akk. eines *clā), clandestīnus ‘geheim’ aus *clam-de; auch osk. kaíla ‘cellam’ (*kaljā);
cilium (seit Plinius) ‘Augenlid, bes. das untere’ und das ältere supercilium ‘oberes Augenlid’ wohl aus *super-keliom ‘die obere Decke’;
air. celim ‘verberge’, cymr. celu ‘verbergen’, air. cuile ‘Keller, Magazin’ und ‘Küche’ (nicht aus lat. culīna, aber in der Bed. davon beeinflußt), mir. luid ar cel ‘obiit’, eigentlich ‘fuhr zur Hölle’; mir. cul ‘Schutz’, culaid ‘Hülle’ (*colu-), wohl auch colum, Dat. Pl. colomnaib ‘skin, hide’ und cuilche ‘Mantel’ (*kolikiā); mir. clithar m. ‘Schutz’ (*k̑l̥-tu-ro-);
ahd. as. ags. helan ‘verbergen’, woneben von einem Aoristpräsens -hulan, got. hulundi f. ‘Höhle’ (*k̑el̥ntī ‘die Bergende’), got. huljan, anord. hylja, ahd. hullen ‘verhüllen’, wovon mit germ. Suff. -stra-, got. hulistr n. ‘Hülle, Decke’, anord. hulstr ‘Futteral’; auf einem alten-es-St. (s. lat. color) beruhen hingegen wohl mhd. hulst f. ‘Decke, Hülle’ und mnd. hulse, ahd.hulsa, hulis ‘Hülse’ (ags. helustr, heolstor ‘Hülle, Schlupfwinkel, Dunkel’ mit germ. Suffixablaut oder allenfalls mit idg. *k̑elu-); vgl. in ähnlicher Bed. ags. hulu f. ‘Schale, Hülse’, ahd. helawa, helwa ‘Haferspreu’, schwed. dial. hjelm m. ds., ahd. hala ‘Hülle, Schale’; got. hilms, ahd. as. ags. helm ‘Helm’, anord. hjalmr ds., ags. helm auch ‘Beschützer’ (: ai. śarman-; das Wort ist übers Slav. ins Balt. gewandert: lit. šálmas ‘Helm’ usw.); got. halja, ahd. hella, as. hellia, ags. hell f. ‘Unterwelt, Hölle’, anord. hel ‘Todesgöttin’ aus *halja-, idg. *k̑oli̯o-, vgl. finn.-ugr. Koljo ‘Unterweltsdämon’; nach Szadrowsky (PBrB. 72, 221 ff.) soll germ. *haljō ‘die Hehlende, das Totenreich’ schon früh mit *halljō(n) ‘Steinplatte’ (zu got. hallus ‘Fels’) zusammengeflossen sein; s. auch unter (s)kel- ‘spalten’; ahd. as. halla, ags. heall ‘Наllе’, anord. hǫll f. ‘großes Haus’ (*kolnā); norw. hulder (Partiz. Pass. f. *hulþī), hulda ‘Waldelfe’, nhd. Frau Holle;
dehnstufig ahd. hāla ‘das Verbergen’, mhd. hǣle ‘Verheimlichung’, anord. hǣli n. ‘Versteck’, ahd. hāli ‘verhehlend, verhohlen’.
Mit Labialerw.: mhd. hulft, holfte, hulfe, hulftr ‘Köcher’, mnd. hulfte ds. (: καλύπτω); vgl. auch k̑lep-.

WP. I 432 f., WH. I 195 ff., 214 f., 226 f.; J. Loth RC. 42, 88 f.s. auch unter k̑lep- ‘verheimlichen’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal