Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

helen - (verbergen (ook van gestolen goed))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

helen 2 ww. ‘gestolen voorwerpen kopen, verbergen’
Onl. in behelan ‘verbergen’, in behal ‘ik verborg’, behalon ‘zij verborgen’, behelin ‘zij zouden verbergen’, beholon- (verl.deelw.) ‘verborgen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. helen ‘verbergen’ [1240; Bern.], meestal ‘geheimhouden’, zoals in nv segt mi ende en heles niet ‘zeg mij het nu en houd er niets van achter’ [1260-80; CG II, Wr.Rag]; in deze betekenis lang verouderd.
In de specifieke context van stelen en gestolen goed pas vnnl. helen ‘een geheim toevluchtsoord verschaffen aan een dief’ in item die Dieven of Roovers wetende huyset ofte heghet, ende mede helet ‘eveneens degene die bewust dieven of rovers huisvest of beschermt en ook verbergt’ [1601; WNT hegen]. Iets eerder al het zn. heler ‘iemand die een toevluchtsoord verschaft aan dieven, hen dus verbergt’, zoals in de woordenboekdefinities heeler: ... een dieuen ende schelmen weert ‘heler: waard/gastheer voor dieven en schurken’ [1567; Nomenclator], heler ‘iemand die dieven onderdak geeft en verbergt’ [1599; Kil.]. In de huidige betekenis ‘gestolen voorwerpen van een dief kopen’, pas in wie met een slim beleydt gestole dingen heelt [1618; WNT].
Oorspr. een sterk werkwoord, zoals nog blijkt uit het bn. onverholen bij het werkwoord → verhelen.
Os. helan (mnd. helen); ohd. helan (nhd. hehlen); ofri. hela (nfri. hele); oe. helan naast zwak helian (me. hele); < pgm. *helan- ‘verbergen’. De moderne werkwoorden worden net als in het Nederlands alle zwak vervoegd.
Verwant met: Latijn occulere ‘id.’ (zie → occult), cella ‘kelder’ (wrsch. < *cēla, waarbij de afleiding cēlāre ‘verbergen, geheimhouden’ hoort, zie → kelder, → cel, → clandestien, → kleur); Sanskrit śālā- ‘hut’, śarman- ‘scherm, beschutting’; Oudiers ceil- ‘verbergt’, cuile ‘kelder’; bij de wortel pie. *ḱel- ‘verbergen’ (IEW 553). In de Germaanse talen wordt deze wortel ook gerepresenteerd in → helm 1 ‘hoofddeksel’, ablautend in → hal en met nultrap in → hullen, → huls, het bn.hol 1 en → holster. Misschien zijn met deze wortel ook → hel 1 ‘onderwereld’ en → houden te verbinden.
Grieks kalúptein ‘verbergen’, zoals in → Apocalyps, → eucalyptus, wordt tegenwoordig niet meer beschouwd als verwant met deze wortel, maar als een substraatwoord.
De oorspr., maar alleen in de 13e eeuw geattesteerde Middelnederlandse betekenis van helen is ‘geheimhouden, verzwijgen’, meestal met betrekking tot feitenkennis en niet tot concrete voorwerpen. Via ‘verzwijgen van diefstal’ ontstond hieruit de betekenis ‘een toevluchtsoord aan dieven verschaffen’, en daaruit vervolgens de enige huidige betekenis ‘hulp bieden aan dieven door gestolen goederen te kopen’, met een voorwerp als enig mogelijk lijdend voorwerp. Dezelfde betekenisontwikkeling is eerder al in het Duits opgetreden: mhd. heln ‘diefstal verzwijgen’ [voor 1350; Pfeifer], nhd. hehlen ‘(gestolen goed) helen’, Hehler ‘heler’; er is dus mogelijk sprake van betekenisontlening. Naast helen komt met voorvoegsel ook verhelen ‘verbergen’ voor, met de afleidingen verheler, verheling, die nog tot in het Nieuwnederlands onder meer de betekenis van helen, heler, heling hebben. Zo ook Duits verhehlen, verhehler.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

helen2* [verbergen (ook van gestolen goed)] {1599} oudsaksisch, oudhoogduits, oudengels helan, oudfries hela, naast ablautend gotisch huljan [hullen]; buiten het germ. latijn occulere, grieks kaluptein [verbergen], oudiers celim [ik verberg] → hullen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

helen

De heler, zegt men, is even slecht als de steler en men bedoelt: de medeplichtige is even schuldig als de dader. Maar eigenlijk is de heler de man die willens en wetens gestolen goed verbergt. Het werkwoord helen betekent dan ook: verstoppen. Het was vroeger sterk en de tijden luidden: hal, geholen. Het voltooide deelwoord kennen wij nog in verholen en in onverholen. Merkwaardig is dat men dit werkwoord helen in verband brengt met hel, een woord dat dus oorspronkelijk betekende: bergplaats, bergplaats van doden en dan: onderwereld. Helen in de betekenis: genezen is een afleiding van heel. Helen in die zin is dus: heel maken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

helen 1 ww. ‘verbergen’, mnl. hēlen ‘verbergen, helen’ (oorspr. sterk, vgl. het verl. deelw. verholen), os. ohd. helan, fri. hela, oe. helan ‘verbergen’. — lat. occulo (< *obcelo) ‘verbergen’, cella ‘bergruimte, kamer’, gr. kalúptō ‘omhullen, verbergen’, oi. śālā ‘hut’, śarana- ‘scherm, hut’, oiers celim ‘verberg, verheel’, cuile ‘kelder’, bij de idg. wt. *ḱel ‘verbergen, verhullen’ (IEW 553). — Vgl. hal 1, hel 1, helm, hol, hullen en huls.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

helen ww., mnl. hēlen “verbergen, helen” (st. en zw.; nnl. nog ’t sterke verl. deelw. verholen). = ohd. hëlan (nhd. hehlen), os. hëlan, fri. hëla, ags. hëlan “verbergen”. Vgl. buiten ’t Germ. ier. celim, lat. occulo, cêlo (met dehnstufe als mhd. hæ̂le v. “het geheimhouden, verbergen” en oi. çâlâ- “huis, hut, vertrek”) “ik verberg”, gr. kalúptō “ik verberg, verhul” (oi. çáraṇá- “beschuttend, beschermend”? Veeleer bij scherm; zie ook roest II). Van dezelfde basis hal I, hel I, helm I, hol, hullen, huls.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

helen. Met lange vocaal als mhd. hæ̂le v.: mnd. hâl(e) v. ‘verborgenheid, geheimhouding’ (bij haal II als hale vermeld), on. hæ̂li o. ‘schuilplaats’'. — Vgl. nog hel I Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

helen o.w., Mnl. id., Os. helan + Ohd. id., Ags. id., Ofri. hela + Skr. çālā = huis, Gr. kal-- in kalúptein = verbergen, Lat. celare (Fr. celer), cella = cel, Oier. celim = verbergen. z. hullen, hol.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

heel II: “geheim hou, verswyg, wegsteek” (WAT s.v. heel3); Ndl. helen (Mnl. helen), Hd. hehlen, ablv. verhole en verb. m. Lat. celare en Gr. kaluptein, “bedek, verberg”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hel, oorspr. in de Noordsche mythologie de godin van ’t doodenrijk, later dit rijk zelf; door den invloed van het Christendom kreeg het de bet. van de strafplaats na den dood. Men brengt het in verband met den ldg. wt. hel, hal = verbergen, omhullen. – Vgl. ons: helen; verholen samenstelling; en ’t Mnl.: „Ic en can u (dat) niet ghehelen” = verzwijgen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

helen ‘verbergen (ook van gestolen goed)’ -> Noors hele ‘verbergen, kopen van gestolen goed’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

helen* verbergen (ook van gestolen goed) 1562 [Dict. Tetraglotton 104B]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal