Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hel - (schel, fel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hel 2 bn. ‘fel schitterend’
Mnl. hel ‘luid, doordringend (van geluid)’ [1477; Teuth.]; vnnl. hel ‘id.’ in een helle stemme, een hellen toon [1573; Thes.], hel ‘fel schitterend’ [1622; WNT].
Wrsch. ontleend aan Duits hell ‘glanzend, zeer licht’ [voor 1350; Pfeifer], betekenisuitbreiding bij het al Oudhoogduitse hel ‘luid klinkend’.
Als bn. staat het Nederlandse woord geïsoleerd. Wel zijn er verwante werkwoorden: mnl. hellen ‘klinken, weerklinken’ [midden 14e eeuw; MNW]; os. hellan en mhd. hellen ‘weerklinken’; on. hjala ‘spreken’; daarnaast een ablautend zn. mhd. hal > nhd. Hall ‘luide klank’.
Verwant met: Latijn clārus ‘helder’, ook oorspr. ‘luid’ (zie → klaar ‘helder’), calāre ‘samenroepen’ (zoals in → concilie), clāmāre ‘luid roepen’ (zoals in → declameren); Sanskrit uṣā-kalaḥ ‘haan’ (letterlijk ‘die het morgenrood oproept’); Oudiers cailech ‘haan’. Zie ook → loeien en het bn.schel 2 ‘schril’.
Het woord slaat oorspr. alleen op geluid, vanaf de Middelhoogduitse periode ook op licht. Deze Duitse betekenisovergang trad later ook in het Nederlands op.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hel3* [schel, fel] {hell [helder] 1477} oudhoogduits hel [klinkend], middelhoogduits hel [ook schitterend]; de betekenis heeft zich uitgebreid van ‘klank’ tot ‘licht’; van middelnederlands hellen [(weer) klinken], oudsaksisch, oudhoogduits hellan [geluid geven], oudnoors hjala [spreken]; buiten het germ. latijn clarus [helder (klinkend)], grieks kaleō [ik roep, noem], russisch kolokol [klok], litouws kalba [taal].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hel 2 bnw. ‘helder’, mnl. hel ‘helder’, ohd. hel ‘klinkend’ (mhd. hel ook ‘schitterend’, nhd. hell). Oorspronkelijk werd het woord voor geluiden gebruikt en eerst overdrachtelijk voor lichtverschijnselen. — Het hoort bij het ww. mnl. hellen, os. ohd. hellan ‘geluid geven’ en on. hjala ‘spreken, een gesprek voeren’, nijsl. nnoorw. hjala ‘schreeuwen, roepen’. — Bij de idg. wt. *kel ‘roepen, schreeuwen’ (IEW 548-550), vgl. lat. calo, clamo ‘roepen’, clarus ‘helderklinkend’, gr. kaléō ‘roep, noem’, kélomai ‘toeroepen’, kélados ‘lawaai, geruis’, oi. uṣā-kala ‘haan’ (vgl. gr. ēikanós), osl. klakolŭ ‘klok’, lit. kalbà ‘taal’, lett. kaľuôt ‘kletsen’, toch. Β kul- ‘klok’. — Zie verder: helmen, loeien, schellen 1 en schellen 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hel II bnw., mnl. hel (Mnl. Handwdb.) “helder”. = ohd. hël (in gi-, un-, missa-hël) “klinkend” (mhd. hël ook “schitterend”; nhd. hell). ’t Ndl. woord kan uit ’t Hd. ontleend zijn. Hierbij het ww. mnl. hellen, ohd. os. hëllan “geluid geven”, en on. hjal o. “gesprek”, hjala “praten, kouten”, met ablaut mhd. hal (nhd. hall) m. “klank, het weerklinken”. Verwant met ier. cailech “haan”, lat. calo (â-stam) “ik roep samen”, clâmor “kreet, geschreeuw”, gr. kaléō, kiklḗskō “ik roep”, kélados “lawaai”, russ. kólokol “klok”, lett. kalada “geschreeuw, lawaai”, oi. uṣâ-kala- “haan” (letterlijk: “vroeg roepend”; voor de bet. vgl. haan). Opvallend is het e-vocalisme naast a-vocalisme. Voor ablautende vormen met idg. qlâ-, evenals lat. clâmor, vgl. loeien, voor verlengde bases zie belijden, voor vormen met s-anlaut zie schel II. Een verlengde basis ook in ohd. (h)limman “brommen, huilen”, ags. hlimman, hlymman “geluid maken”. Ags. hwëlung v. “clangor”, on. hvellr “luid, doordringend”, on. skvala “schreeuwen”, skvaldr o. “luid gepraat” komen van een basis (s)qel-, van de hierboven en bij schel II geciteerde balt.-slav. en oi. vormen is het niet uit te maken of ze ook wellicht idg. q hebben. Zie nog helder en welp.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hel 2 bijv.(helder), + Ohd. hel (Mhd. id., Nhd. hell) = luid + Skr. uṣā-kalas = vroeg roepend, haan, Gr. kaleîn = roepen, Lat. calare = roepen, clamor = geschreeuw, Oier. cailech = haan, Ru. kolokol = klok, Lett. kalada = geschreeuw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

hel, bn.: snel, luid, diep; hard, gehard. Mnl. hel ‘helder’, Ohd. hël, Mhd. hël ‘luid klinkend, hel’. Het woord sloeg oorspronkelijk op geluidsindrukken, later is het woord overgedragen op gezichtsindrukken. Verwant met Lat. clarus.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hel, helder: vermoedelijk van den wt. hal = luid klinken, roepen (zie halen); hel werd dan ook oorspr. alleen van geluiden gezegd, later ook van het licht. Helder is een afl. met re (eig. dus helre, heller), maar er werd voor de uitspraak gemakkelijkshalve een d ingelascht: vgl. mulder voor muller; vilder voor viller.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hel* schel, fel 1477 [Teuth.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kel-6, k(e)lē-, k(e)lā- oder kl̥̄-? ‘rufen, schreien, lärmen, klingen’

Ai. uṣā-kala- m. ‘Hahn’ (‘ἠι-κανός’), kalādhika-, kalāvika- ds., kala-víŋka- ‘Sperling’, kala- ‘leise tönend, undeutlich vernehmbar’, kalakala- m. ‘verworrenes Geschrei, Geräusch’;
gr. καλέω (statt *κάλω) ‘rufe, nenne, rufe herbei’ (äol. κάλημι), Futur. καλέσω, att. καλῶ, Perf. κέκληκα, κλητός; ἐπίκλησις ‘Beiname’, κλῆσις ‘Ruf, Einladung, Vorladung’, κλητής, κ(α)λήτωρ ‘Rufer’, ὀμοκλή ‘Zuruf’ (zum 1. Glied s. unter omǝ-); κικλήσκω (oder κικλῄσκω) ‘rufe an, flehe’, κληΐζω, κλῄζω ‘nenne’ (*κλη-ϝε-ς-ίζω?); hochstufig κελ(α)- in κέλομαι ‘treibe an (durch Zuruf)’, hom. Aor. (ἐ)κέκλετο, dor. κέντο = (ἔ)κελτο; [über κελεύω s. unter k̑leu-]; κελαρύζω ‘rausche, riesle (Wasser u. dgl.)’, κέλωρ· φωνή Hes.; Erweiterung κέλαδος ‘Getöse, Lärm’, κελάδων, κελαδεινός ‘brausend’, κελαδέω ‘tose; lasse (einen Gesang) erklingen’;
umbr. kařitu, kařetu, carsitu ‘calato, appellato’ (*kalētōd); daß ein entsprechendes lat.*caleō einst in der Ausrufungsformel der Kalenderdaten Dies te quinque, bzw. septem, calo, Iuno Covella gestanden habe und daß calendae ‘der erste Tag des Monats’ von diesem Ausrufen benannt sei, ist wahrscheinlich (Salonius Z. röm. Dat. 1 ff.);
lat. calō, -āre ‘Ausrufen, Zusamenrufen’ (: lett. kaluôt), calātor ‘Rufer, Ausrufer’, nōmen-clator ‘Namennenner’ (aus nōmen calāre rückgebildet), calābra (curia) ‘die zum Ausrufen der Kalenderdaten bestimmte Kurie’, vielleicht concilium ‘Zusamenkunft, Versammlung, Vereinigung von Dingen, geschlechtliche Verbindung’ (*cón-caliom), con-ciliāre ‘vereinigen, verbinden, gewinnen usw.’, clāmō, -āre ‘rufen’ (vgl. ahd. hlamōn usw.), clāmor ‘Schrei’, clārus ‘lauttönend, fernhin schallend; berühmt; klar’, umbr. anglar Nom. Pl., anglaf Akk. Pl. ‘oscines’ (*an-klā ‘avis inclamans’); lat. classis ‘Aufgebot: Heer, Flotte; Klasse, Abteilung’ (*klad-ti-: κέλαδος?);
air. cailech, ogam Gen. caliācī, cymr. ceiliog, corn. chelioc ‘Hahn’ (*kaljākos);
ags. hlōwan ‘rugire, boare’, ahd. (h)lōian, (h)luoen, mhd. lüejen ‘brüllen’; ags. hlētan ‘grunzen’; ahd. hluoticla ‘latratus’; mit Hochstufe der ersten Silbe ahd. hel ‘laut, tönend’ (nhd. hell ‘glänzend’), hëllan ‘ertönen’, mhd. hal ‘Hall, Schall’, anord. hjala ‘schwatzen’, hjal n. ‘Geschwätz’, hjaldr ‘Gespräch, Kampfgetöse, Kampf’; afries. halia ‘herbeiholen, heimführen, nehmen’, ags. geholian ‘bekommen’, asächs. halōn ‘berufen, herbeibringen’, ahd. halōn und ablaut. holōn, holēn ‘rufen, holen’, ndd. halen ‘ziehen’.
lett. kal’uôt ‘schwatzen’ (kalada ‘Geschrei, Lärm’ ist russ. Lw.), lit. kalbà ‘Sprache’, apr. kaltzā, kelsāi ‘sie lauten’ (lit. *kalsóti); redupl. lit. kañkalas (*kalkalas) ‘Schelle’, aksl. klakolъ, russ. kólokolъ ‘Glocke’, kolokólitь ‘läuten, klingen; schwätzen, klatschen’, Trautmann Bsl. Wb. 115.
hitt. ša-ra-a kal-li-iš-ta (sarā kallesta) ‘rief (lockte) herauf’.
Erweiterung *k(e)lem- (vgl. lat. clā-m-āre): ai. krándati ‘schreit, brüllt, wiehert’ (*klem-d-?); ags. hlimman, hlymman ‘klingen, tönen, rauschen, brüllen’, hlimme ‘reißender Strom’, hlemm (*hlammi) ‘Schall’, ahd. (h)limmen ‘brummen, heulen’, anord. hlymja ‘klingen, krachen, lärmen’, ahd. hlamōn ‘rauschen, tosen’;
*k(e)len- in ags. hlyn(n) ‘Schall, Lärm, reißender Strom’, hlynnan, hlynian ‘hallen’, hlynsian ds., hlynrian ‘donnern’, gehlyn, asächs. gihlunn ‘Getöse’;
Ähnliches skel-, (s)kel- (s-Dublette neben kel-):
1. skel-: aisl. skjalla st. V. ‘schallen, klingen, laut schlagen’ = ags. sciellan ‘schallen, tönen’, ahd. scellan ‘schallen, tönen, klingen, lärmen’, nhd. verschollen ‘verklungen’; Kaus.-Iter. aisl. skella ‘knallen, lärmen, schelten, laut lachen’, mhd. schellen schw. V. ‘ertönen lassen, zerschmettern’, nhd. zerschellen; t- oder dh-Präs. afries. skelda ‘schelten, tadeln, laut erklären’, ahd. sceltan ‘schelten, schmähen, beschimpfen, tadeln’; aisl. skǫll f. ‘Hohn, Lärm’, skellr (*skalli-z) ‘Schall, Knall’ = ahd. scal (-ll-) ‘Schall, Krach’; aisl. skjallr ‘lauttönend’ = ags. sciell, ndl. schel ‘widerhallend, schrill’; ahd. scella ‘Schelle’; mit einfachem l (das -ll- der vorgenannten beruht auf einem n-Präs. *skel-nō) aisl. skal n. ‘Lärm’, skjal n. ‘Geplauder’;
lit. skãliju, -yti ‘fortgesetzt bellen, anschlagen’ (vom Jagdhund), wovon skalìkas ‘ein fortgesetzt bellender Jagdhund (s. unten wegen gr. σκύλαξ); apr. scalenix ‘Vorstehhund’ stammt aus poln. skolić ‘wie ein Hund winseln’; lett. skal’š ‘klingend, helltönend’; mit (b)h-Erw. (wie lit. kalbà) lit. skélb-iu, -ti ‘ein Gerücht verbreiten’;
čech. skoliti ‘belfern’, poln. skolić, skulíć ‘wie ein Hund winseln’.
2. (s)kel-: aisl. skval n. ‘unnützes Geschwätz, Wortschwall’, skvala ‘laut reden, rufen’, skvaldr n. ‘lautes Reden’; ohne s- aisl. hvellr ‘helltönend’;
ablautendes skel- vielleicht in gr. σκύλαξ junger Hund, Hund; junges Tier’, auch κύλλα· σκύλαξ. ᾽Ηλεῖοι Hes. (-λλ- wohl kurznamenartige Kons.-Dehnung), wie von *skel- das oben genannte lit. skalìkas, und von kel- aus: lit. kãlė, kalė̃ ‘Hündin’, alb. këlüsh ‘Tierjunges, bes. junger Hund’, mir. cuilēn, cymr. colwyn, acorn. coloin, bret. kolen ‘junger Hund’, (kelt. *koli-gno-); diese Namen für junge Tiere, bes. Hunde, wären also vom Kläffen oder Winseln genommen. Immerhin aber könnten σκύλαξ, κύλλα als (s)kol-, auch als idg. oder griech. Reduktionsformen (Einfluß von κύων?) unmittelbar mit kelt. *koligno-, lit. kãlė, alb. këlüsh zusammengehören.

WP. I 443 ff., WH. I 141 f., 227, 228, 258, Specht KZ. 59, 85 ff.; wohl identisch mit kel-5.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal