Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heg - (rij struiken als afscheiding)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

heg zn. ‘rij struiken als afscheiding’
Onl. hegge in in then hegge holeran ‘in de heggeholtes’ [ca. 1100; Will.]; mnl. hegghe [1277; CG I, 364]; vnnl. hegge ‘beschoeiing van paalwerk’ [1536; MNHWS].
Oude Germaanse afleiding, met i-umlaut, van → haag. Zie ook → hek.
Mnd. hēge; ohd. hegga, hecka (mhd. hegge, hecke, nhd. Hecke); oe. hegge [785; OED] (me. hegge, ne. hedge); < pgm. *hag-jō, afleiding van pgm. *hag-, zie → haag.
Aan het Germaans ontleend zijn middeleeuws Latijn haia ‘haag’ [1086; DMLfBS] en Oudfrans hoie [1080; Robert] (Nieuwfrans haie ‘haag, heg’ [ca. 1120; Rey]).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heg*, hegge [haag] {in de plaatsnaam Hecge 1253, hegge 1477} oudhoogduits hegga, oudengels hecg (engels hedge), naast middelnederduits, oudengels hege; van dezelfde stam als haag.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heg znw. v., mnl. hegghe, ohd. hegga, oe. hecg (ne. hedge) < germ. *hagjō. Daarnaast oe. hege, mnd. hēge v. (= oostmnl. heghe en nog in oostelijke dialecten). Oudn. heggr ‘prunus padus’, dus gebruikt voor het maken van heggen, vgl. ne. hedgeberry (indien dit niet een volksetymologische vervorming van hagberry is). — kymr. cae (< *kagi̯o) ‘omheining, halsband’. — Zie verder: haag.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heg znw., mnl. hegghe v. = ohd. hegga v. “heg” (nhd. kecke), ags. hecg v. (eng. hedge) “id.”. Daarnaast ags. hege m., mnd. hēge v. “id.”. In ’t On. heggr m. “prunus padus”. Voor deze woorden, germ. *χaʒjô-, *χaʒi-, *χaʒja-, zie verder haag.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heg. Aan mnd. hēge v. beantwoorden oostmnl. hēge v. en voortzettingen daarvan in oostel. diall.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heg, hegge v., Mnl. hegghe + Ohd. hegga (Mhd. en Nhd. hecke), Ags. hecg (Eng. hedge), On. heggr: met e = ä en gg = gj van denz. stam als haag.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hègk (zn.) haag; Vreugmiddelnederlands hegge <1100>.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

heg voorvoegsel met ongunstige inhoud (Zuid-Nederland). Vgl. venr., hilv. hegwew ‘oudere buitenechtelijk zwanger geworden vrouw’, venr. heggenaffekaot ‘rechtskundig adviseur zonder meesterstitel’, heggeschool (houwe) ‘de school verzuimen’. Vgl. haagschool ↑ en hagepreek. Het benamingsmotief bij dit laatste is dat men iets niet in de geschikte ruimte, maar, beschermd door hagen, buiten doet.
Schols/Linssen 196, Naaijkens 52, WNT V 1532-1534.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heg ‘haag’ -> Noors hekk ‘haag’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans haie ‘haag’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heg* haag 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

877. Heg (of weg) noch steg weten,

d.w.z. in het geheel den weg niet weten, ergens geheel onbekend zijn. In het oostfri. hê kend gên weg of steg. Onder een steg verstaat men in het oostfri.: een plank over een sloot (Ten Doornk. Koolm. III, 305 b); in West-Friesland een smal bruggetje, vlonder (De Vries, 98); in Drente is een steg een pad, een weg (Archief I, 350); vgl. het mnl. stech, nhd. steg, mnd. stech, voetpad of plank over eene sloot. De uitdrukking komt voor in Van Homulus een Schoene Comedie (VI. Bibliophilen, 2e Serie no. 6), bl. 40:

Ick moet reysene en verre oncondige wech
Nu desen nacht, en weet niet wech noch stech.

Vgl. verder Landl. 88: Weg noch steg weten; Ppl. 159: Hij weet hier heg noch steg; Gunnink, 239: Geen weg of stek weten; Nkr. IV, 28 Aug. p. 5: Zij vonden in 't lastige doolhof van streken geen weg of steg. Zie Antw. Idiot. 172: van pad of baan weten, pad noch baan vinden; en bl. 519: haak noch staak weten. Vgl. ook over heg en steg, mnl. over stock ende (over) steen, door dik en dun; in Limb. over hok en blok; huik en struik ('t Daghet VIII, 65); bij Rutten, 220: over hok en stok loopen (vgl. eng. over stock and block); Joos 54: over beek en gracht, over heg en haag; deur hei en schavei loopen (Waasch Idiot. 571).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kagh- : kogh- ‘fassen, einfassen; geflochtene Hürde, Flechtwerk’, kaghi̯o- ‘Einhägung’

Lat. caulae (*caholae) ‘Schafhürden, Einfriedigungen um Tempel und Altäre’, wozu (dial. Entwicklung) cōlum ‘Seihkorb, Seihgefäß, Fischreuse’ (alles aus Flechtwerk), cōlō, -āre ‘durchseihen, läutern’; ablaut. lat. cohum, nach Paul. Diac. ‘lorum, quo temo buris cum iugo colligatur, a cohibendo dictum’ als ‘Halter, Umfassung’, dazu incohō, -āre ‘fange an’, eigentl. ‘anlegen, anschirren’ (Wort der Bauernsprache);
hierher osk. κα, ας ‘incipias’, kahad ‘capiat’: umbr. 3. Pl. Konj. Perf. kukēhē(n)s ‘occupaverint’ = lat. capere : cēpi (s. unten S. 527 f.); umbr. cehefi ‘captus sit’ ist Konj. Pass. des f-Perfekts (E. Fraenkel, Fil. Biedr. Rāksti 1940, 8 f.);
gall. (5. Jh., Zimmer KZ. 32, 237 f.) caii ‘cancelli’ Gl., caio ‘breialo sive bigardio’ Nom. Gall. (daraus frz. quai, afrz. chai ‘Flußdamm’); abret. caiou Pl. ‘munimenta’, cymr. cae ‘Gehege’ und ‘Halsband’, corn. ‘Gehege’, mbret. kae ‘Dornenhecke, Zaun’; abgeleitet cymr. caü ‘einhegen’, bret. kea ‘einen Hag machen’; vielleicht cymr. caen f. ‘Bedeckung, Haut’ (*kagh-nā) Vendryes WuS. 12, 242; daraus entlehnt mir. caín ‘Oberfläche’); cymr. cael ‘das Erlangen’ (*kagh-lā), s. oben S. 408; ablaut. in bret. mor-go (*mon-go, zu *mon- ‘Hals’) ‘Halsring der Pferde’, falls -go aus *kogho- (nach V. Henry, Lexique, jedoch zu cymr. caw ‘Band’), und cymr. myn-ci ds., falls aus *-cei, idg. *koghi̯o-; daraus mir. muince ‘Halsband’;
ahd. hag ‘Hecke, Gehege’, ags. haga m. ‘Hecke, Garten’, engl. haw, asächs. hago, aisl. hagi ‘Weideplatz’; ags. hæg n. ‘Gehege, Grundstück’, engl. hay, ags. hecg f. ‘Hecke’, engl. hedge, ahd. heckia, heggia ‘Hecke’, zu aisl. hegg-r ‘Ahlkirsche’ (*hagjō; daraus frz. haie ds.); Ableitungen: ags. hagu-rūn ‘Zauber’, hegi-tisse, ahd. haga-zussa ‘Нехе’; aisl. hegna ‘einhegen, schützen’, zu ahd. hagan ‘Dornstrauch’, PN Hagano, anord. Hǫgni, usw.

WP. I 337 f., WH. I 187 f., 243 f., 631, Loth RC 45, 198 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal