Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heester - (struik)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

heester zn. ‘struik’
In de oudste teksten alleen in toponiemen, zoals heesterbeke in Oost-Vlaanderen [1287-88; CG I, 224] en heestert (met collectiefachtervoegsel -t) in West-Vlaanderen [1291; CG I, 1587]; vnnl. eester, ester, heester ‘struik’ [1599; Kil.].
Ontwikkeld uit pgm. *hais-dra-, waarvan het tweede lid algemeen voorkomt in diverse oude Germaanse boomnamen en mogelijk verwant is met een pie. woord voor ‘boom’ zoals in Engels tree (zie → teer 1). Het eerste lid pgm. *hais- ‘kreupelhout, struikje’ komt ook zelfstandig voor als toponiem Hees op diverse plaatsen. De oudste attestaties daarvan zijn: onl. in Hesi ‘Hees (Utrecht)’ [838; Künzel], Hezia ‘Hees (Noord-Brabant)’ [784-85; Künzel], en buiten het Nederlandse taalgebied o.a. al bij Tacitus als Silva Caesia aan de Ruhr.
De etymologie van *hais- is onduidelijk. Maar als men de -s- verklaart door Primärberührung uit -tt- (zie bijv.wis bij weten) en bijv. pie. *kaid-to- of *kait-to- reconstrueert, kan men het woord goed verbinden met een Keltische woordgroep voor ‘bos’ en de Germaanse woorden voor → heide, zie aldaar voor meer detail. Traditioneel verbindt men *kaid-to- verder met Latijn caedere ‘slaan’, daarbij dus een oorspr. betekenis ‘bos met jong kaphout’ veronderstellend. Van caedere zijn overigens de verdere, al dan niet Indo-Europese verwantschappen eveneens onduidelijk, zie → cesuur.
In het Gallo-Romaans is *hais- ontleend als *hasia ‘struikgewas als omheining’, waaruit Oudfrans haise ‘id.’. Ook de Nederlandse samenstelling zelf is ontleend, als Oudfrans hestre ‘jonge beuk die door regelmatige kap klein werd gehouden’, waaruit bij uitbreiding Nieuwfrans hêtre ‘beuk’.
De hapax jester ‘tuin, lusthof’ [1410; MNW], met daarna nog eester, heester ‘tuin’ [1599; Kil.], heeft niets met heester ‘struik’ te maken. Het is ontleend aan Oudfrans estre < Latijn extera ‘dat wat buiten gelegen is’, onzijdig mv. van het bn. exterus, exter ‘zich buiten bevindend’, zie → extern. De h- bij Kiliaan is volksetymologisch.
Lit.: F. Debrabandere (1993), ‘Hees(t), Heis(t), Heester(t) en Estre’, in: De Leiegouw 35, 179-186

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heester* [struik] {heester, heister [heester, tuin, lusthof] 1410} middelnederduits, middelhoogduits heister [jonge boom]; het eerste lid is oudhoogduits heisi, oudengels hese, oudnederlands hesi, hezia [kreupelhout] > middeleeuws latijn hesa, hesia, haesia [omheining, omheind bos, kreupelhout]; voor het tweede lid vgl. hesselteer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heester znw. m. ‘boomachtige struik’, (dial.) ‘jonge stam van eiken of beuken’, mnd. hēster, heister ‘jonge boom (eik of beuk)’, mhd. heister ‘jonge beukenstam’, vgl. zw. plaatsnamen Hestra, Hester. — Met het suffix -tra voor boomnamen gevormd van germ. *haisia, reeds overgeleverd als Silva Caesia aan de Ruhr (Tacitus Ann. 1, 50), os. Hēsiwald, vgl. hees in plaatsnamen (Vlaand., Brab. Limburg, Utrecht, Geld. Overijssel, Drente en het aangrenzende duitse gebied) ‘laag beukenbos, ook als veeweide in gebruik’. — > gallo-rom. *haisia ‘haag, omhaagd bos’ (in het germaanse gebied tot aan de Loire) > ofra. haise ‘haag; kleine deur’. Ook het mnl. heester werd ontleend als ofra. hestre ‘jonge beuk’ (sedert de 13de eeuw), nfra. hêtre ‘fagus silvatica’ (Valkhoff 166).

Over de geschiedenis van het woord zie Frings-von Wartburg, ZfromPh 57, 1937, 195-210 met een kaart op blz. 207. — Wanneer men germ. *haisa afleidt uit idg. *kaid-to, te verbinden met lat. caedo ‘slaan’, (vgl. verder: heien), dan is de bet. dus ‘bos van jong hout, dat voor de kap gebruikt werd.’

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heester znw., mnl. heester, heister m. = mhd. (nhd. hess.) heister m. “jonge beukenstam”, mnd. heister, hêster “jonge boom (vooral eik of beuk).” Met ablaut gr. kístos, kísthos, kístharos “struikachtige plant”: men gaat hiervoor wel van idg. *kis-to- waarnaast *kis-dho- > *kizdho- uit. De oorspr. bet. kan zijn “ruig, harig voorwerp’’; dan is verwantschap met lat. caesariês “hoofdhaar”, oi. késara- “haar, manen, meeldraad” wsch. (zie hede); de anlautende consonant is dan dus idg. q. Uit het Germ. fr. hêtre “beuk”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heester. Wellicht is het woord met het onder appel vermelde suffix gevormd bij wgerm. *hais- dat een boomsoort (de beuk?) aanduidde en in Tacitus’ Silva Caesia = ond. Hêsi-wald, vgl. ook os. hési-penning m. ‘belasting op hout’ (wsch. ook plaatsnamen als Hees, -hees, Heyst), misschien mnl. heest v. (juiste bet. niet vast te stellen: 'kreupelhout', ‘plantsoen’?) wordt teruggevonden. Als dit germ. woord ospr. een boom aanduidde, wordt de verwantschap met lat. caesariês ‘hoofdhaar’, oi. késara- ‘haar, manen, meeldraad’, waarbij misschien met Petersson KZ. 47, 288 arm k'ist ‘korenaar’, minder wsch.; gr. kístos, kísthos, kístharos staan sterk onder verdenking van ontl. en moeten in dit verband niet worden genoemd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heester m., Mnl. id. + Mhd. en Nhd. heister: het 1e lid is wel Ohd. heísí, Ags. hése, Ndl. hees, heis in plaatsnamen = woud van kreupelhout + Lat. silva Cæsia; — het 2e lid is *ter = boom: z. hesselter. Uit het Germ. komt Fr. hêtre = beuk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

heestel, histel (O), zn. m.: heester. Var. van heester, met r/l-wisseling. - Lit.: F. Debrabandere, Hees(t), Heis(t), Heester(t) en Estre. De Leiegouw 35 (1993). 179-186.

heester (DB: B), zn. o.: ommuurde tuin achter of rond een huis. Brugse herbergen waren: ‘t Spaans heester, ‘t Makelaarsheester, het Lombaardheester. Te onderscheiden van Ndl. heester’ (zie heestel), m. struik’. Het woord werd er wel mee verward, blijkens de hypercorrecte spelling, want eigenlijk moet het ‘t eester zijn. Mnl. heester, eester ‘tuin, lusthof’. Kiliaan noemde het woord eester, heester al Brugs: ‘hortus, pomarium (tuin, boomgaard)’. Oude vermeldingen: 1323-1328 et appiellon le dicte maison et gardin le Hyestrekin Jehan Berton; gardin que on dist le Hyestrekin Willem le Doiien, Brugge. Het Makelaarsheester wordt al in 1580 vermeld: Een platse van lande daer neffens, pertinet de Maeckelaers deser stede... een eestre achter de voorseide schuere tusschen den beloken van huysinghen ende capelle. Eester < Ofr. estre, aistre, iestre ‘emplacement dans un lieu ouvert, chambre, jardin, fossé, lieu, place en général, galerie; cour autour d’une maison’ < Lat. extera ‘wat buiten ligt’.- Lit: F. Debrabandere, Hees(t), Heis(t), Heester(t) en Estre. De Leiegouw 35 (1993), 179-186. - id., De Brugse Heesters. Brugge die Scone 1993, nr. 2, blz. 13; 1998, nr. 4, biz. 16.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heester ‘struik’ -> Frans hêtre ‘struik’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heester* struik 1210 [Rey]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

deru-, dō̆ru-, dr(e)u-, drou-; dreu̯ǝ- : drū- ‘Baum’, wahrscheinlich ursprgl. und eigentlich ‘Eiche’, siehe zur genauern Begriffsbestimmung Osthoff Par. I 169 f., Hoops Waldb. 117 f.; dazu Worte für verschiedene Holzgeräte sowie für ‘kernholzartig hart, fest, treu’; Specht (KZ. 65, 198 f., 66, 58 f.) geht jedoch von einem substantivierten Neutrum eines Adjektivs *dṓru ‘das Harte’ aus, woraus erst ‘Baum’ und ‘Eiche’: dṓru n., Gen. dreu-s, dru-nó-s, Ableitungen: deru̯o-, dreu̯o-, dru-mó-s, dru-nó-s, druu̯-ó-s, drū-tó-s.

Ai. dā́ru n. ‘Holz’ (Gen. drṓḥ, drúṇaḥ, Instr. drúṇā, Lok. dā́ruṇi; dravya- ‘vom Baum’), drú- n. m. ‘Holz, Holzgerät’, m. ‘Baum, Ast’, av. dāuru ‘Baumstamm, Holzstück, Waffe aus Holz, etwa Keule’ (Gen. draoš), ai. dāruṇá- ‘hart, rauh, streng’ (eigentlich ‘hart wie Holz, klotzig’), dru- in Kompositis wie dru-pāda- ‘klotzfüßig’, dru-ghnī ‘Holzaxt’ (-schlägerin), su-drú-ḥ ‘gutes Holz’; dhruvá- ‘fest, bleibend’ (dh- durch volksetym. Anschluß an dhar- ‘halten, stützen’ = av. dr(u), apers. duruva ‘gesund, heil’, vgl. aksl. sъ-dravъ); av. drvaēna- ‘hölzern’, ai. druváya-ḥ ‘hölzernes Gefäß, Holzkasten der Trommel’, drū̆ṇa-m ‘Bogen, Schwert’ (unbelegt; mit ū npers. durūna, balučī drīn ‘Regenbogen’), druṇī ‘Wassereimer’, dróṇa-m ‘holzerner Trog, Kufe’; drumá-ḥ ‘Baum’ (vgl. unten δρυμός);
ai. dárvi-ḥ, darvī́ ‘(hölzerner) Löffel’;
arm. tram ‘fest’ (*drū̆rāmo, Pedersen KZ. 40, 208); wohl auch (Lidén Arm. St. 66) targal ‘Löffel’ aus *dr̥u̯- oder *deru̯-.
Gr. δόρυ ‘Baumstamm, Holz, Speer’ (Gen. hom. δουρός, trag. δορός aus *δορϝός, δούρατος, att. δόρατος aus *δορϝτος, dessen mit ai. drúṇaḥ vergleichbar ist);
kret. δορά (*δορϝά) ‘Balken’ (= lit. lett. darva);
sizil. ἀσχέδωρος ‘Eber’ (nach Kretschmer KZ. 36, 267 f. *ἀν-σχε-δορϝος oder -δωρϝος ‘dem Speere standhaltend’), ark. dor. Δωρι-κλῆς, dor. böot. Δωρί-μαχος u. dgl., Δωριεύς ‘Dorer’ (von Δωρίς ‘Waldland’); δρῦς, δρυός ‘Eiche, Baum’ (aus dem n. *dru oder *deru, *doru g.*druu̯ós nach andern Baumnamen zum Fem. geworden; infolge der Einsilbigkeit Nominativdehnung), ἀκρό-δρυα ‘Fruchtbäume’, δρυ-τόμος ‘Holzhacker’, δρύινος ‘von der Eiche, von Eichenholz’, Δρυάς ‘Baumnymphe’, γεράνδρυον ‘alter Baumstamm’, ἄδρυα· πλοῖα μονόξυλα· Κύπριοι Hes. (*sm̥-, Lit. bei Boisacq s. v.), ἔνδρυον· καρδία δένδρου Hes.
Hom. δρῠμά n. Pl. ‘Wald’, nachhom. δρῡμός ds. (letzteres mit erst nach δρῦς geneuerter Länge); δένδρεον ‘Baum’ (Hom.; daraus att. δένδρον), aus redupl. *δεν(= δερ)-δρεϝον, Demin. δενδρύφιον; vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 583;
δροϝ- in arg. δροόν· ἰσχυρόν. ᾽Αργεῖοι Hes., ἔνδροια καρδία δένδρου καὶ τὸ μέσον Hes., Δροῦθος (*Δροϝ-υθος), δροίτη ‘hölzerne Wanne, Trog, Sarg’ (wohl aus *δροϝίτᾱ, vgl. zuletzt Schwyzer KZ. 62, 199 ff., anders Specht Dekl. 139); δοῖτρον· πύελον σκάφην Hes. (diss. aus *δροϝιτρον), woneben *dr̥u̯io- in δραιόν· μάκτραν. πύελον Hes.
PN Δρύτων: lit. Drūktenis, apr. Drutenne (E. Fraenkel, Pauly-Wissowa 16, 1633);
im Vokalismus noch nicht sicher erklärt δρίος ‘Gebüsch, Dickicht’; maked. δάρυλλος f. ‘Eiche’ Hes. (*deru-, vgl. air. daur); aber δρίς· δύναμις Hes., lies δίς (Schwyzer Gr. Gr. I 4955);
alb. dru f. ‘Holz, Baum, Stange’ (*druu̯ā, vgl. aksl. drъva n. pl. ‘Holz’); drush-k (es-St.) ‘Eiche’; ablaut. *drū- in dri-zë ‘Baum’, drüni ‘Holzriegel’;
thrak. καλαμίν-δαρ ‘Platane’, ON Δάρανδος, Τάραντος (*dar-ant-) ‘Eichstätt’, Ζίνδρουμα, Δινδρύμη ‘Zeushain’, VN ᾽Ο-δρύ-σ-αι, Δρόσοι, Dru-geri (dru- ‘Wald’);
aus dem Lat. vielleicht dūrus ‘hart; abgehärtet, kräftig; derb, roh, rauh, streng, gefühllos’ (aber über dūrāre ‘ausdauern, dauern’ s. unten S. 220), wenn nach Osthoff 111 f. als ‘baumstark, fest wie (Eichen)holz’ dissimiliert aus *drū-ro-s (*dreu-ro-s?);
aber daß lat. larix ‘Lärchenbaum’, Lw. aus einer idg. Alpensprache, idg. *derik-s sei, ist wegen des l schwer denkbar;
air. derucc (gg), Gen. dercon ‘glans’, cymr. derwen ‘Eiche’ (Pl. derw), bret. deruenn ds., gall. Ortsname Dervus (‘Eichenwald’), abrit. Derventiō, Ortsname, VN Dervāci u. dgl.; air. dērb ‘sicher’; reduktionsstufig air. daur, Gen. daro ‘Eiche’ (deru-), auch dair, Gen. darach ds. (*deri-), air. daurde und dairde ‘eichen’; abgeleitet gall. *d(a)rullia ‘Eiche’ (Wartburg III 50); maked. δάρυλλος f. ‘Eiche’; schwundstufig *dru- im Verstärkungswörtchen (? anders Thurneysen ZcPh. 16, 277: ‘Eichen-’: dru- in galat. δρυ-ναίμετον ‘heiliger Eichenhain’), z. B. gall. Dru-talos (‘*mit großer Stirn’), Druides, Druidae Pl., air. drūi ‘Druide’ (‘der hochweise’, *dru-u̯id-), air. dron ‘fest’ (*drunos, vgl. ai. dru-ṇa-m, dāru-ṇá-, dró-ṇa-m), mit Gutturalerweiterung (vgl. unten nhd. Trog) mir. drochta ‘(*hölzernes) Faß; Tonne, Kufe’, drochat ‘Brücke’; hierher auch gallorom. drūtos ‘kräftig, üppig (: lit. drūtas)’, gr. PN Δρύτων, air. drūth ‘närrisch’ (: aisl. trūðr ‘Gaukler’?), cymr. drud ‘närrisch, tapfer’ (das cymr. u stammt aus den roman. Entsprechungen);
deru̯- in germ. Tervingī, Matrib(us) Alatervīs, anord. tjara (*deru̯ōn-), finn. Lw. terva, ags. teoru n., tierwe f., -a m. ‘Teer, Harz’ (*deru̯i̯o-), mnd. tere ‘Teer’ (nhd. Teer); anord. tyrvi, tyri ‘Kienholz’, tyrr ‘Föhre’ (unsicher mhd. zirwe, zirbel ‘Pinus Cembra’, da vielleicht eher zu mhd. zirbel ‘Wirbel’, wegen der runden Zapfen);
dreu̯- in got. triu n. ‘Holz, Baum’, anord. trē, ags. trēow (engl. tree), as. trio ‘Baum, Balken’; in übtr. Bed. ‘fest - fest vertrauend’ (wie gr. ἰσχῡρός ‘fest’: ἰσχυρίζομαι ‘zeige mich fest, verlasse mich worauf, vertraue’), got. triggws (*treu̯u̯az) ‘treu’, ahd. gi-triuwi ‘treu’, an: tryggr ‘treu, zuverlässig, sorglos’, got. triggwa ‘Bund, Bündnis’, ags. trēow ‘Glaube, Treue, Wahrheit’, ahd. triuwa, nhd. Treue, vgl. mit ders. Bed., aber andern Ablautstufen anord. trū f. ‘religiöser Glaube, Versicherung’, ags. trŭwa m., mnd. trūwe f. ds., ahd. trūwa, aisl. trū f., neben trūr ‘treu’; abgeleitet anord. trūa ‘trauen, für wahr halten’ = got. trauan, und ags. trŭwian, as. trūōn, ahd. trū(w)ēn ‘trauen’ (vgl. n. apr. druwis); ähnlich anord. traustr ‘stark, fest’, traust n. ‘Zuversicht, Vertrauen, worauf man sich verlassen kann’, ahd. trōst ‘Vertrauen, Trost’ (*droust-), got. trausti ‘Vertrag, Bündnis’, ablautend engl. trust ‘Vertrauen’ (mengl. trūst), mlat. trustis ‘Treue’ in den afränk. Gesetzen, mhd. getrüste ‘Schar’ (die st-Bildung ist alt wegen npers. durušt ‘hart, stark’, durust ‘gesund, ganz’; norw. trysja ‘den Boden säubern’, ags. trūs ‘Reisig’, engl. trouse, aisl. tros ‘Abfälle’, got. ufar-trusnjan ‘überstreuen’.
*drou- in ags. trīg, engl. tray ‘flacher Trog, Schüssel’, aschwed. trö ‘ein bestimmtes Maßgefäß’ (*trauja-, vgl. oben δροίτη), anord. treyju-sǫðull (auch trȳju-sǫðoll) ‘eine Arttrogförmiger Sattel’;
*drū- in aisl. trūðr ‘Gaukler’, ags. trūð ‘Spaßmacher, Trompeter’ (: gallorom. *drūto-s, usw.)?
*dru- in ags. trum ‘fest, kräftig, gesund’ (*dru-mo-s), mit k-Erweiterung, bzw. Formans -ko- (vgl. oben mir. drochta, drochat), ahd. nhd. trog, ags. trog, troh (m.), anord. trog (n.) ‘Trog’ und ahd. truha ‘Truhe’, norw. mdartl. trygje n. ‘eine Art Saum- oder Packsattel’, trygja ‘eine Art Fischkorb’, ahd. trucka ‘Kiste’, nd. trügge ‘Trog’ und mit der ursprünglicheren Bed. ‘Baum, Holz’ ahd. hart-trugil ‘Hartriegel’;
bsl. *deru̯a- n. ‘Baum’ in aksl. drěvo (Gen. drěva, auch drěvese), skr. dial. drȇvo (drȉjevo), sloven. drẹvọ̑, ačech. dřěvo, russ. dérevo, klr. dérevo ‘Baum’; dazu als ursprüngl. Kollektiv lit. dervà, (Akk. der̃vą) f. ‘Kienspan; Pech, Teer, harziges Holz’; ablaut, lett. dar̃va ‘Teer’, apr. im ON Derwayn; dehnstuf. *dōru̯-i̯ā- in lett. dùore f. ‘Holzgefäß, Bienenstock im Baum’;*su-doru̯a- ‘gesund’ in aksl. sъdravъ, čech. zdráv (zdravý), russ. zdoróv (f. zdoróva) ‘gesund’, vgl. av. dr(u)vō, apers. duruva ds.
balt. *dreu̯i̯ā- f. ‘Waldbienenstock’, substantiv. Adjekt. (ai. dravya- ‘zum Baum gehörig’) : lit. drẽvė und drevė̃ ‘Höhlung im Baum’, lett. dreve ds.: im Ablaut lit. dravìs f., lett. drava f. ‘Waldbienenstock’, dazu apr. drawine f. ‘Beute, Bienenfaß’ und lit. dravė̃ ‘Loch im Baum’; weiterhin im Ablaut ostlit. drėvė̃ und drovė̃ f. ds., lett. drava ‘Höhlung im Bienenstock’;
urslav. *druu̯a- Nom. Pl. ‘Holz’ in aksl. drъva, russ. drová, poln. drwa (Gen. drew); *druu̯ina- n. ‘Holz’ in klr. drovno, slovz. drẽvnø;
slav. *drъmъ in russ. drom ‘Urwald, Dickicht’, usw. (= ai. drumá-ḥ, gr. δρυμός, adjekt. ags. trum);
lit. su-drus ‘üppig, fett (bes. vom Wuchs der Pflanzen)’ (= ai. su-drú-ḥ ‘gutes Holz’);
balt. drūta- ‘stark’ (= gallorom. *drūto-s, gr. PN Δρύτων) in lit. drū́tas, driū́tas ‘stark, dick’, apr. im PN Drutenne, ON Druthayn, Druthelauken; gehört zu apr. druwis m. ‘Glaube’, druwi f., druwīt ‘glauben’ (*druwēti: ahd. trūen), na-po-druwīsnan ‘Vertrauen, Hoffnung’. Neben lit. drū́tas auch drū́ktas; s. unter dher-2.
Im Ablaut hierher aksl. drevlje ‘prius, primum’, ačech. dřéve, russ. drévle ‘vor alters’; Adverbium eines Komparativs oder Positivs.
hitt. ta-ru ‘Baum, Holz’, Dat. ta-ru-ú-i;
hierher auch wohl toch. AB or ‘Holz’ (falsche Abstraktion aus *tod dor, K. Schneider IF. 57, 203).

WP. I 804 ff., WH. I 374, 384 ff., 765 f., Trautmann 52 f., 56, 60 f., Schwyzer Gr. Gr. I 463, 518, Specht Dekl. 29, 54, 139.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal