Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heep - (soort mes)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

heep zn. ‘sikkelvormig mes’
Mnl. hyep, hepe “eyn krom mes dayr men den wijngart mede snijdt” [1477; Teuth.]; vnnl. heepe ‘snoeimes’ [1599; Kil.]. Dialectisch ook hiep.
Uitsluitend continentaal West-Germaans: bij mnl. hepe, nnl. heep hoort alleen mnd. hēpe, met umlaut < pgm. *hapjō- of *hapja-; hieruit ook middeleeuws Latijn hapia, zie → hachee. Daarnaast bij mnl. hyep en nnl. in oostelijke dialecten hiep: ohd. hīpe (nhd. Hippe), wijzend op een stamklinker ē2. Daarnaast met geminaat: ohd. habba, happa, ook met hā-, he-, hē- (nhd. gewestelijk Heppe).
Verdere etymologie onduidelijk. De klinkervariatie en de geminatie worden meestal toegeschreven aan het zogenaamde affectieve karakter van dit landbouwwerktuig. De grondvorm pgm. *hebjō- of *hēbjo- verbindt men dan met: Grieks kopís ‘slachtmes’; Litouws kapoti ‘hakken’, kaponė, kaplys ‘houweel’; Oudkerkslavisch kopati ‘graven’; en eventueel nog verder met de onder → schaven (Latijn scabāre ‘krabben’ etc.) genoemde woorden met s-mobile. Zeker is dit alles echter niet, en van → schaven wordt de Indo-Europese herkomst betwijfeld. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat de Germaanse woorden bij heep, al dan niet met de Baltische vormen, van voor-Indo-Europese Noord-Europese afkomst zijn, te meer omdat de hierboven beschreven geminatie en klinkervariatie karakteristiek zijn voor zulke woorden.
Lit.: Boutkan 1999, 23

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heep* [snoeimes] {hepe 1477} nederlands dial. hiep1, oudhoogduits hep(p)a, verwant met grieks kopis [mes, kromme sabel], koptein [houwen], oudkerkslavisch kopati [graven, hakken] → kapoen.

hiep1* [hakmes] {hepe, hiep [snoeimes] 1477} oudhoogduits hep(p)a, happa (hoogduits Hippe [snoeimes, zeis]); buiten het germ. grieks kopis [mes, kromme sabel], litouws kaponė [hakmes]; verwant met hachje2 [afgesneden stuk vlees] → heep.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heep znw. v. ‘sikkelvormig snoeimes; breed mes met lange steel’, mnl. hēpe, Kiliaen heepe (Saks. Brab. Holl.), maar Teuth. hyep. Ook nnl. dial. hebben hiep, wat zou kunnen wijzen op een vocalisme ē2. Daarentegen kan mnl. hēpe ontstaan zijn uit *hapja, vgl. mlat. hapia < ofrank. *hapja (dat voerde > fra. hache). Het oostmd. heeft echter weer hīpe (> nhd. hippe). Vaak komen echter vormen met pp voor, zoals ohd. hāppa, hāppia en zelfs hābba. Zowel de geminatie als de sterke wisseling van vocalen duiden het affectieve karakter aan van dit landbouwwerktuig. — Uitgangspunt zal wel zijn *hěƀjō : hēƀjō, die men dan kan vergelijken met gr. kopís ‘mes’, lit. kapõnė, lett. kapāns ‘hakmes’, lit. kaplỹs ‘houweel, ijsbijl’; idg. wt. *(s)kep (IEW 932; zie: schaven).

Volgens Frings, ZfromPhil 63, 1943, 174 vlgg. zou het woord eigenlijk een term van de frankische bosbouw zijn, en wel een noordelijk *hābbia naast een zuidelijk *hāppia. Vandaar zou het uitgestraald zijn naar Limburg, Gelderland en Westfalen, anderzijds naar het Beierse en Allemanse grensgebied.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heep (sikkelvormig snoeimes, breed mes met langen steel). Kil. heepe (“Ger. Sax. Sicamb. Holl.”). Teuth. hyep en de ndl. vorm hiep wijzen op een grondvorm met ê2, waarnaast vermoedelijk met Teuth. mnl. hepe bestaan heeft, dat formeel dichter bij ohd. heppa, happa v. “sikkelvormig mes” (nhd. hippe), vla. happe “bijl met snee in ’t midden” staat. ’t Mnd. heeft hepe (ê, ē?), heppe, heipe v. “snoeimes”. De onderlinge verhouding tusschen al deze vormen is bezwaarlijk vast te stellen. Misschien zijn zij deels klankwettig, deels door vervorming uit een met happen verwanten grondvorm ontstaan. Ohd. komt ook nog habba v. “falcastrum” voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heep. Ook ohd. hâppa komt voor, en op â wijzen ook zuiddu. diall. Het vocalisme is dus zo gecompliceerd mogelijk. Wat het consonantisme (hd. pp, bb naast ndd. ndl. p, pp) betreft, zou verwantschap met gr. kopís ‘mes, sabel’, lit. kapóju, kapóti ‘hakken’, obg. kopajǫ ‘ik graaf, spit’, kopije ‘lans’ (alle wsch. als s-loze vormen bij de groep van schaven) of wel met oi. câpa- ‘boog’ mogelijk zijn. Alles echter onzeker.
Op een germ. verwant van dit woord berust fr. hache ‘bijl’ (noordoostel. fr. diall. hebben nog -p-vormen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heep v., Mnl. hepe + Ohd. hepa en heppa (Mhd. en Nhd. hepe en heppe) + Gr. kopís = sikkelvormig zwaard (z. hacht).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

hep, heep, hiep, zn.: hakmes, handbijl, korte hakbijl van mijnwerkers. Ook Br. hiep, heep ‘hakmes, bijltje; snee’, Wvl. happe ‘hakbijl, aks’. Mnl. hepe, hiep ‘snoeimes’, happe ‘hakbijl, snoeimes’, Vnnl. heepe ‘snoeimes’ (Kiliaan). D. Hippe ‘snoeimes’, dial. Heppe, Ohd. hebba, heppa, happa, Mhd. happe, hep(p)e, Mnd. hêpe < Germ. *hâƀjo, *hêƀjô, *habbô. Verwant met Gr. kopis ‘slachtmes’, Lit. kàpti ‘houwen’, Lets kapâns ‘hakmes’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

hiep, heep, zn.: hakmes, bijltje; snee. Mnl. hepe, hiep ‘snoeimes’. 1776 hiep ‘houw, hak; hakmes’, Meierij (Heeroma). D. Hippe ‘snoeimes’, dial. Heppe, Ohd. hebba, heppa, Mhd. happe, hep(p)e, Mnd. hêpe < Germ. *hâƀjo, *hêƀjô, *habbô. Verwant met Gr. kopis ‘slachtmes’, Lit. kàpti ‘houwen’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

happe bep. bijl (Zuid-Nederland). = ohgd. happe ‘sikkelvormig mes’. ~ heep (mnl. hepe) ‘bep. snoeimes’. ~ gr. kopís ‘mes’. ~ Lets kapāns ‘hakmes’. Onduidelijk is de verhouding tot hieëp ↑.
De Bo 359, NEW 242-243.

hieëp, hiep hakmes (Uden, Helmond, Gelderland, Limburg). = mnl. hyep ‘falcastrum’. Met singuliere ie, ieë: vgl. nl. heep ‘sikkelvormig snoeimes’ (~ happe ↑).
Schols/Linssen 200, Ceelen e.a. 19, NEW 242-243, Van Schothorst 143, WNT VI 331-332. Van Dinter e.a. 82, OV I 206.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

happe, zn. v.: hakbijl, aks. Mnl. happe ‘hakbijl, snoeimes’. Ohd. happa, heppa ‘sikkelvormig mes’, D. Hippe. Vgl. Mnl. hepe, heep, hiep snoeimes’. Gr. kopis ‘mes’, Lets kapâns ‘hakmes’. Ook Ofr. hape ‘haak, snoeimes’ (< Germ.?).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hiep, heep ‘(gewestelijk) hakmes’ -> Frans dialect hèpe ‘klein mes’.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)kē̆p-2, (s)kō̆p- und (s)kā̆p-; (s)kē̆b(h)-, skob(h)- und skā̆b(h)- ‘mit scharfem Werkzeug schneiden, spalten’, skab(h)-ro- ‘scharf’; skapā ‘Gegrabenes’; skopelo- ‘Fels’

A. Formen auf -b: (es werden hier nur die eindeutigen germ. Formen aufgeführt; die lat. und bsl. mit b s. bei der Wurzelform auf bh); skab- ‘schnitzend gestalten’.
Got. gaskapjan st. V. ‘schaffen’, aisl. skepja, ags. scieppan, ahd. scepfen, mhd. schepfen, woraus nhd. schöpfen; zum Prät. mhd. schuof, Partiz. ‘geschaffen’ wird ein neues Präs. ‘schaffen’ gebildet, wie schwed. skapa, dän. scabe; deverbative ō-Verba sind aisl. aschw. skapa ‘anfertigen, einrichten’, ahd. scaffōn ‘bilden, bewirken’ (Wissmann Nom. postverb. 73); ags. ge-sceap n. ‘Gestalt, Geschöpf’, as. gi-scapu Pl. n. ‘Schicksal’; aisl. skap n. ‘Gestalt, Geisteszustand’ usw.; -skapr z. B. in vin-skapr ‘Freundschaft’; ahd. scaf m. ‘Gestalt, Beschaffenheit’, -scafund -scaft f., nhd. -schaft; wgerm. *skap n. ‘(geschnitztes) Gefäß’ in: as. skap n. ‘Schaff, Schiff’, ahd. skaf ‘Gefäß, Schaff’, wovon scepfen ‘haurīre’ (nach scepfen ‘creāre’ früh mit starker Flexion); Deminutiv as. skepil, ahd. skeffil ‘Scheffel’; ablaut. mnd. schōpe ‘Schöpfkelle’, mhd. schuofe f. ‘Schöpfgefäß’.
B. Formen auf -bh: (einschließlich lat. und bsl. Formen mit zweideutigem -b-).
Lat. scabō, -ere, scābī ‘schaben, kratzen, reiben’, scăbiēs f. ‘Kratzen, Schäbigkeit, Räude’, scaber ‘rauh, krätzig’; mit o: scobis f. ‘Schababfall, Fellstaub’, scobīna ‘Feile, Raspel’; mir. (s)cīp (mit bb) ‘Hand’ (expressive Verdopplung); got. skaban ‘schaben, scheren’, aisl. skafa ‘schaben, kratzen’, ags. scafan ds. (aisl. ags. Prät. skōf, wie lat. scābī); and. scaban ‘schaben, kratzen, (Haare) schneiden’, ahd. scaba ‘Hobel’, aisl. skafa ‘Schabeisen’; aisl. skabb, ags. sceabb ‘Krätze’, mhd. schebīc ‘räudig, schäbig’, älter nhd. Schäbe ‘Krätze’, and. scavatho ‘Räude’; isl. skōfir f. Pl. ‘Scharren, gesengte Kruste’, mnd. schōve (und schōpe) f. ‘Schuppe’, ahd. schuoppa ds.;
lett. skabrs (= lat. scaber) ‘splitterig, scharf’, skabrums ‘Schärfe, Rauhheit’, lit. skabùs ‘scharf, schneidend’, skabù, -ė́ti ‘schneiden, hauen, ästeln’, skóbti ‘aushöhlen’, nuskóbti ‘abpflücken’, skóbas, lett. skābs ‘sauer’ (*’scharf, schneidend’); aksl. skoblь ‘Schabeisen’, russ. skóbelь ‘Hobel’; nach Machek Slavia 16, 208 f. hierher aksl. chabъ ‘schlecht’, chabiti ‘verderben’.
C. Formen auf -p:
Npers. kāfaδ, kāvaδ ‘gräbt, spaltet’, kāf ‘Spalt’, šikāftan ‘spalten’;
alb. kep ‘behaue Steine, haue aus’ (idg. *kopō oder *kapō), wozu kmesë, këmés, kamés f. ‘Hacke, Hippe’ (*kapneti̯ā), sqep ‘Winkel, Schnabel’;
gr. σκέπαρνος, -ον ‘Beil zum Behauen des Holzes’, σκόπελος m. ‘Fels, Kliрре’ (venet. *skopelo-); κόπτω ‘schlage, haue; belästige, ermüde’, κόπος m. ‘Schlag’, κοπάζω ‘ermüde’, κόπις ‘(ermüdender) Schwätzer’, κοπίς, -ίδος f. ‘Schlachtmesser’, κοπεύς m. ‘Meißel’, κόπανον ‘Beil, Mörserstößel’, κοπάς, -άδος ‘beschnitten’, κόμμα n. ‘Einschnitt, Abschnitt’; mit a-Vokalismus: σκάπτω ‘grabe, hacke’, σκαπάνη ‘Hacke, Grabscheit’, (σ)κάπετος ‘Graben, Grab, Grube’; durchEntgleisung nach θάπτω : τάφος auch Formen mit φ: ἐσκάφην, σκάφος ‘das Graben, Grab’, σκάφη, σκαφίς f., σκάφιον n. ‘Wanne, Mulde, Trog’, σκάφος ‘Schiffsbauch’;
venet. (illyr.?) FlN *Skopelantia ‘Schefflenz’ (Baden): gr. σκόπελος (Krahe PBB. 69, 486 ff.);
lat. capō, capus ‘Kapaun’ (‘verschnitten’, vgl. abg. skopьcь), wegen der roman. Abkömmlinge (ital. cappone usw.) richtiger (mit expressivem pp): cappō; cappulāre ‘zerhauen’, concipilāre ‘in kleine Stücke zerhauen’; lat. a setzt eine ā̆-Wz. skā̆p- voraus; ebenso lat. scapulae ‘Schulterblatt, Schulter’, umbr. scapla ‘scapulam’ (von der Verwendung als Grabscheit oder Schaufel);
gall.-rom. capanna ‘Hütte’ (: serb. kòpa ‘Schober’), wohl ven.-illyr. Element im Gallischen;
germ. *hēbjō neben *habbō mit expressiver Geminata, auch *habjō: ahd. hā̆bba, hā̆ppa, heppa, mlat. hapia, mhd. happe, heppe ‘Hippe, Sichelmesser’;
balto-slav. skē̆pa- m. ‘etwas Abgespaltenes’ in:
lett. šḱę̀ps ‘Speer, Spieß’, šḱẽpele f. ‘abgeschnittenes Stück Holz’; ablaut. lit. skãpsnė f. ‘Stück Stoff’; aksl. štapъ (*skēpos), sloven. ščáp ‘Stock’, russ. ščap ‘Anhieb (eines Baumes’), russ. ščepá ‘Holzspan’, ščepátь, ščepítь ‘spalten’, aksl. skopьcь ‘Verschnittener’ (nhd. Lw.Schöps), skopiti ‘verschneiden’; lit. skãplis ‘Hohlaxt’, skãptas ‘krummes Schnitzmesser’, skopiù, skõpti ‘mit dem Messer aushöhlen’, skoptùvas ‘Hohlmesser’;
lit. kapóti, lett. kapât ‘hacken, hauen’, lit. kapõnė, lett. kapāns ‘Hackmesser’, lit. kaplỹs ‘Hacke, Eisaxt’, lett. kaplis ‘Hacke’, lit. kãpas, lett. kaps ‘Grab(hügel)’, apr. enkopts ‘begraben’;
aksl. kopajǫ, kopati ‘graben’, vъkopati ‘begraben’, serb. kòpa ‘Schober, Haufen’, bulg. kopá ds., usw.;
aksl. kopьje ‘Lanze’; wahrscheinlich slav. *čepъ ‘*abgeschnittener Ast’, in russ. dial. čopъ ‘Zweig des Weinstocks, Rebe’, bg. čep ‘Ast’, skr. čȅpur ‘Strunk’ u. dgl.; vielleicht gehört die Sippe *kāp- ‘Stück Land’ und *kap-ut ‘Kopf’ (oben S. 529 f.), hierher, ferner wohl die folgenden Worte für ‘Stock, Stab’:
gr. σκῆπτρον ‘Stab’, dor. σκᾶπτον ds. = ion. *σκῆπτον in σκηπτοῦχος ‘zeptertragend’, σκᾶπος· κλάδος Hes., σκηπάνη ‘Stab, Szepter’, hom. σκηπάνιον ds. = dor. σκᾱπάνιον Hes.; σκήπτω ‘stütze, schwinge mit Kraft’, intr. und med. ‘sich stützen; sich mit Kraft auf etwas werfen’, σκηπτός ‘plötzlich niederfahrender Sturmwind, Wetterstrahl, Unglück’; lat. scāpus ‘Schaft, Stiel, Stengel, Stamm’, scōpa f. ‘dünner Zweig, Reis’, Pl. ‘Reisigbesen’, scōpiō, -ōnis m. ‘der Stiel, an dem die Beeren der Weintraube hängen; Stamm des Spargels’, scōpus ds.;
ahd. skaftSchaft, Speer’, as. skaft ‘Speer’, ndl. schacht ‘Federkiel, Lanzenschaft’, ags. sceaft m., aisl. skapt n. ‘Schaft, Stange, Speer’.

WP. II 559 ff., WH. I 161 f., II 484 f., 489 f., Trautmann 117, 262, 265.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal