Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heden - (vandaag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

heden bw. ‘vandaag’
Onl. hiudo ‘heden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. heden ‘id.’ [1265-70; CG II, Lut.K], soms, vooral zuidoostelijk, hude(n) [1220-40; CG II, Aiol] en hiden [1240; Bern.].
Hude is de vorm die correspondeert met de vergelijkbare woorden in de andere Germaanse talen, bijv. Duits heute ‘vandaag’. Deze gaan terug op een oude Germaanse uitdrukking die ‘op deze dag’ betekent. De eerste klinker in heden heeft geen exacte Germaanse equivalenten; vermoedelijk ligt hieraan een onverbogen vorm van het hieronder besproken aanwijzend vnw. ten grondslag. De slot-n in het Nederlandse woord moet wrsch. worden toegeschreven aan analogiewerking van de woorden → gisteren en → morgen 1. Voor een afleiding bij hude, zie → huidig.
Bij mnl. hude horen: os. hiudu, hūdigu, hōdigo (mnd. hüde(ne)); ohd. hiutu, hiuto (nhd. heute); ofri. hiōda, hiūdega; oe. heodæg; dit zijn samentrekkingen of verkortingen van pgm. *hiu dagu ‘op deze dag’, de instrumentalis van het zn.dag en een aanwijzend voornaamwoord dat in de Germaanse talen bewaard gebleven is in verstarde uitdrukkingen als deze, zo ook ohd. hiuro < *hiu jāru ‘in dit jaar’ (nhd. heuer), en verder als beginklank in bijwoorden en voornaamwoorden als → hier en → hij. Vergelijkbaar zijn de verbindingen got. himma daga ‘op deze dag’ (met datief) en Latijn hodie ‘vandaag’, eveneens uit een aanwijzend vnw. en een verbogen vorm van dies ‘dag’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heden1* [vandaag] {heden, huden, hiden 1201-1250} oudhoogduits hiutu (hoogduits heute), oudsaksisch hiudu, verbogen samengestelde vorm van hiu dagu [op deze dag]; vgl. latijn hodiē [heden], van hoc diē [op deze dag].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heden bijw., mnl. hēden (limb. hiden), een vorm die alleen in onze taal naast hûden optreedt (zie: huidig), ohd. hiutu, hiuto (< *hiutgu < *hiu tagu), os. hiudu en hūdigu, oofri. hiude en hiudega, owfri. hioda, hiode, oe. heodæg. — Het woord is dus instr. van pron. hiu + tagu. Het pronomen *hi vinden wij ook in got. himma daga ‘vandaag’ (zie daarvoor: hij). — Opmerkelijk is dat het gr. sḗmeron ‘vandaag’ op analoge wijze uit *ki-āmeron ontstaan is.

Het is mogelijk dat het nnl. heden moet worden opgevat als de onverbogen stam *hi + instr. dagu. De vorm met n zal ontstaan zijn onder invloed van gisteren en morgen (vgl. ook H. Kern Ts. 22, 1903, 70-71).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heden bijw., mnl. hēden, Limb. Serm. hiden. Speciaal ndl. vorm, naast mnl. hûde(n) (waarvan ’t bnw. mnl. hûdich, nnl. huidig), ohd. hiutu, hiuto (nhd. heute; uit hiu tagu >*hiutgu), os. hiudu (naast hûdigu), oofri. hiûde (naast hiûdega), owfri. hiôda, -e, ags. hêodœg, beslaande uit een dat.-instrum. van den pronominaalstam *χi- en van dag. Het ndl. heden bevat den onverbogen stam *χi-, vgl. voor de formatie gr. sēmeron “heden” (uit *kj-ámeron); een dgl. formatie met een anderen vnw.-stam is wellicht faliskisch foied, lat. hodiê “id.” (*gho-djêd). De n van mndl. hûden, wsch. ook die van heden, moet aan de analogie van gisteren en morgen II worden toegeschreven. Voor den stam *χi- vgl. hier.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heden bijw., Mnl. id., Ondd. *hidumum + Ohd. hitumum = naastbij, nu eerst, instr. meerv. als adv. van den superl. van hij. Een ander woord dan is huidig, Mnl. huden, hude, Os. hiudu, hiudiga + Ohd. hiutu (Mhd. hiute, Nhd. heute), Ags. heodæg, Ofri. hiudega: een samenst. met den instr. van dag en van hij; het Go. zei himma daga in den dat.; een gelijke vorm in Lat. hodie uit hoc die (van waar Fr. hui in aujourd’hui). Het Hgd. heeft nog heuer = dit jaar en hinte, heint = dezen nacht. Volgens een ander opvatting is heden gevormd zooals huden, behalve dat het eerste lid niet instr., maar de stam van hij is.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

heie, bw.: vandaag. Door d-syncope uit heden.

hu, huuj, bw.: vandaag, heden. Door d-syncope uit Mnl. hude, huden ‘heden’, Vnnl. huyd, huyden.j.heden ‘vandaag’ (Kiliaan). Het komt nog voor in Ndl. huidig. Vgl. D. heute, Ohd. hiutu, Mhd. hiute, Os. hiudu, Mnd. hüde. Ook in bn. hiudi, uit *hiudagu, Ohd. *hiu tagu ‘op deze dag’. De Germ. pronominaalstam *hi- steekt ook in hij, hier.

huje, bw.: net, zopas. Met verschoven betekenis en door d-syncope uit Mnl. hude ‘heden’, Mnd. hüde, D. heute.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

hu vandaag (Kerkrade). = hgd. heute, ohgd. hiutu, os. hiudu, mnl. huden (met secundaire analogische n). ~ huidig. Verkort uit *hiudagu ‘lett. op deze dag’. Hiervan is het eerste deel ~ hij en hier (en lat. cis ‘aan deze zijde van’). Terwijl de vorm van *hiudagu in een verbogen naamval staat, staat het eerste element van heden in een onverbogen vorm (oudgermaans: hi).
Amkreutz e.a. 114.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hede I: – (veroud.) heden – , “vandag”; Ndl. heden (Mnl. heden, dial. hiden) hou verb. m. Ndl.-Afr. huidig en m. Hd. heute.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

heden ik, morgen gij (vert. van Latijn hodie mihi, cras tibi)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heden bet. thans vandaag (zie Huidig), maar duidde oorspr. een veel korter tijd aan, ongeveer: zoo juist, daar net. De afl. is onzeker, etymologisch niet verwant met huidig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heden ‘bijwoord van tijd: vandaag’ -> Fries heden ‘bijwoord van tijd: vandaag’; Duits dialect † hêden ‘bijwoord van tijd: vandaag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heden* bijwoord van tijd: vandaag 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑o-, k̑e- (mit Partikel k̑e ‘hier’), k̑(e)i-, k̑(i)i̯o- Pronominalstamm ‘dieser’, ursprünglich ich-deiktisch, später auch ‘jener’, k̑i-na ‘hinweg’

Arm. -s ‘Artikel’ (z. B. mard-s ‘der Mensch’), sa ‘dieser’, ai-s ds., a-s-t ‘hier’;
phryg. σεμου(ν) ‘diesem’ (*k̑em + ōi); anders Pedersen Tochar. 259.
gr. Partikel *κε in κεῖνος und ἐκεῖνος, dor. lesb. κῆνος ‘jener’ aus *(ε)κε-ενος; daraus rückgebildet (ἐ)κεῖ ‘dort’, (ἐ)κεῖθι usw.; *k̑i̯o- in σήμερον, att. τήμερον ‘heute’ (*κι̯ᾱμερον), wonach auch *κι̯ᾱετες ‘heuer’ in σῆτες, att. τῆτες, dor. σᾶτες;
lat. -ce, ce-Partikel in ce-do ‘gib her’ (ebenso osk. ce-bnust ‘er wird hergekommen sein’), cēterus ‘der andere, der übrige’ (*cĕ + *etero-, vgl. umbr. etru ‘altero’); hi-c (*hi-ce), hīs-ce, sī-c (sī-ci-ne), illī-c, illū-c, tun-c, nun-c usw., osk. ekak ‘hanc’, ekík ‘hoc’ = pälign. eci-c, marr. iaf-c ‘eas’, esu-c ‘eo’; osk. ídí-k, umbr. ere-k ‘id’, osk. ekas-k ‘hae’, umbr. esmi-k ‘huic’, lat. ecce (wohl aus *ed-ke, s. *e Pron.-St.), osk. um -um erweitert ekk-um ‘ebenso’, nach puz ‘wie’ aus *kuti-s umgebildet ekss ‘ita’; Konglutinat e-ko- z. B. osk. ekas ‘hae’, pälign. acuf ‘hīc’, ecuc ‘huc’, ecic ‘hoc’, *e-k(e)-so- z. B. osk. exac ‘hac’;
*k̑i- in lat. cis ‘diesseits’, citer ‘diesseitig’, citrō ‘hierher’, citrā ‘dieseits’, citimus ‘nächstbefindlich’, umbr. çive ‘citra’ (St. *k̑i-u̯o-), çimu, s̀imo ‘ad citima, retro’;
air. ‘hier, diesseits’ (*k̑ei, vgl. ablautend Ogom coi ‘hier’, gall. κουι), cen (vgl. zum n-Suffix ahd. hina ‘weg’ usw.) ‘diesseits’ (in cen-alpande ‘cisalpinus’) und ‘ohne’, centar ‘diesseits’; gall. etic neben eti ‘auch’ könnte ebenfalls -k̑e enthalten;
anord. hānn, hann ‘er’ (*hānaR, idg. *k̑ēnos aus *k̑e-eno-s), hōn ‘sie’; asächs. , he, hie, ahd. , her ‘er’, nur Nom., ags. hē̆ ds.;
got. himma ‘huic’, hina ‘hunc’, hita n. ‘jetzt’, asächs. hiu-diga, ahd. hiu-tu ‘hoc die, heute’ (: asächs. ho-digo ds.), ahd. hiuru (*hiu-jāru) ‘heuer’, nhd. jetzt, österr. hietz(t), mhd.(*h)ie-zuo (aus *hiu + Postpos. ‘zu’); ahd. hina ‘weg’, nhd. hin, hinweg (vgl. air. cen); got. hiri ‘komm hierher’ (Grundform unsicher); ahd. hëra, as. her ‘hierher’; got. hēr, ahd. hiar, ags. hēr ‘hier’ (*k̑ēi-r); got. hidrē ‘hierher’, ags. hider, engl. hither ‘hierher’ (: lat.citer, citrō), nl. heden ‘heute’, ahd. hitumum, hitamun ‘erst, demum’ (: lat. citimus);
strittig, ob hierher: got. hindana ‘hinter, jenseits’, ags. asächs. hindan, ahd. hintana ‘hinten’, anord. handan ‘von jener Seite her, jenseits’, komparativisch got. hindar, ahd. hintar ‘hinter’, superlativisch got. hindumists ‘hinterster, äußerster’, ags. hindema ‘letzter’, wobei das n von *k̑i-n-t-, *k̑o-n-t dasselbe wie in ahd. hina wäre; oder mit gall. Cintugnātos ‘Erstgeborener’, air. cētne, cymr. kyntaf ‘erster’ usw. zu *ken- ‘frisch kommen, soeben sich einstellen, anfangen’ (oben S. 564) mit der Bed. ‘letzter’ = ‘novissimus’?
apr. schis (Adverb schai ‘hier’), lit. šìs (lett. šis = aksl. ‘dieser’), Gen. lit. šiõ, aksl. sego, Akk. Pl. aksl. sьję, fem. lit. šì (lett. šĩ) = aksl. si, Akk. Sg. f. sьjǫ, lit.šì-tas ‘dieser’ (*k̑i-to-), dazu štaĩ ‘sieh hier’ (alt šitai), apr. stas ‘der’; lit. šiañdien, lett. šùodien ‘heute’, lit. šè, lett. še ‘hier’, aksl. si-cь ‘τοιοῦτος’ usw.;
hitt. ki ‘dieses’, ki-nun ‘jetzt’ enthält *k̑i (Pedersen Hitt. 50).

WP. I 452 ff., WH. I 192 f., 208 f., 222, 390, 644 f., 855, 862, Trautmann 304, Schwyzer Gr. Gr. I 613.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal