Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hechten - (bevestigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hechten ww. ‘vastmaken; dichtnaaien’
Mnl. hechten ‘verstevigen, vastmaken’ in nu hecht die ors dar bet dien tome ‘maak de paarden daar met de teugel vast’ [1220-40; CG II, Aiol], ook ‘gevangennemen’ in dair hi voir gehefft off ghetooft waer ‘waarvoor hij wordt gevangengezet of gearresteerd’ [1408-14; MNW]. Misschien al onl. heftidon ‘zij achtervolgden, vervolgden’ [10e eeuw; W.Ps.].
Met de overgang ft > cht, zoals bij → achter, ontstaan uit ouder heften, afleiding van *haft ‘gevangenschap’, dat in het onl. geattesteerd is in de concrete betekenis haft ‘gevangenis’ [10e eeuw; W.Ps.], zie ook hieronder bij hechtenis. Verwant met → heft ‘handvat’ en afgeleid van dezelfde wortel als → hebben, waarvan de Germaanse oerbetekenis ‘vasthouden’ is.
Os. heftian ‘boeien’ (mnd. heften, hechten); ohd. heften ‘vastmaken, binden’ (nhd. heften); ofri. hefta ‘binden, boeien’; on. hefta ‘boeien, verhinderen’ (nzw. häfta); got. haftjan ‘zich hechten aan’; < pgm. *haftjan-. Bij het zn. onl. haft (vrouwelijk) mnd. hafte, hacht(e); mhd. haft(e); oe. hæft; alle ‘gevangenschap, gevangenis’; < pgm. *haft-; daarnaast (mannelijke en onzijdige) ohd., mhd. haft ‘band, boei’; oe. hæft; on. hapt; alle ‘band, boei e.d.’, door vermenging met de vrouwelijke zn. ook ‘gevangenschap’; < pgm. *haft-, zie ook → heft. Al deze woorden gaan terug op een met een achtervoegsel -ti- uitgebreide wortel *hab-, zie → hebben.
hecht bn. ‘stevig, duurzaam’. Nnl. hecht ‘id.’ [1672; Hexham], een hecht en wel getimmerd huis, een hechte, bondige en gladde styl [1717; Marin NF]. De late overlevering lijkt erop te duiden dat het een afleiding is van het werkwoord hechten, naar analogie van dicht naast dichten ‘dichtmaken’. ♦ hechtenis zn. ‘gevangenschap’. Mnl. hechtenesse ‘id.’ [1470; MNHWS]. Afleiding met → -nis van mnl. hechte, hachte ‘hechtenis, gevangenschap’ zoals in in sekerre hecht ‘in veilige hechtenis’ [1297; CG I, 2372], uit onl. haft ‘gevangenis, gevangenschap’, zie boven. Daarnaast ook onl. hehtnodi ‘gevangenschap’ [10e eeuw; W.Ps.].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hechten1* [bevestigen] {hechten, heften 1220-1240} oudsaksisch heftian, oudengels hæftan, oudnoors hepta [boeien], gotisch haftjan [zich hechten aan]; buiten het germ. latijn captus, verleden deelwoord van capere [vatten, pakken, grijpen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hechten ww., mnl. hechten, heften ‘vastmaken, in hechtenis nemen, blijven vastzitten, zich aansluiten’, onfrank. heftidon ‘persecuti sunt’(?), os. heftian ‘boeien’, ohd. heften ‘bevestigen, boeien’, ofri. hefta, oe. hæftan ‘boeien’, on. hefta ‘boeien, verhinderen’, got. haftjan ‘zich hechten aan’. — Een zwak ww. gevormd van *hafta ‘gevangene’, dat geheel aan lat. captus beantwoordt. — Zie ook: hachelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hechten o.w., Mnl. id., Os. heftan + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. heften), Go. haftjan = vastmaken: denom. van ’t bijv.nw. Os. haft, enz., vermeld onder hecht 2.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

hechten. - Dit woord wordt vaak gebruikt in eene beteekenis welke aan fr. attacher ontleend is, en welke door HATZFELD-DARMESTETTER (I, 156b) aldus wordt omschreven: “unir à quelque chose, à quelqu’un par un rapport constant”. Men zegt dan attacher quelqu’un à son service, à sa personne (van daar ook s’attacher quelqu’un), attacher quelqu’un à une administration. In geen dezer gevallen kan men hechten gebruiken. Men zegt iemand in zijn dienst nemen, dat iemand deze of gene betrekking bekleedt aan dit of dat bestuur. || Om hem (t.w. een schilder) vaster aan haren persoon te hechten maakte die prinses hem jonkheer van haar huis, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 30. Het jaar daarna hechtten de Aartshertogen hem aan hunnen dienst als bouwmeester en ingenieur, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 28. Ik (werd) gehecht aan het gasthuis eener kleine stad, DE VOS, E. off. gew. 23. Hij (zeker schilder) kwam in de Nederlanden terug met den aartshertog-landvoogd Leopold-Willem, aan wiens hof hij gehecht was, SABBE, Vl. Schilderk. 195. Hij ... is thans gehecht aan het ministerie van Openbare Werken, te Brussel, Onze Dichters 131.
– In dezelfde opvatting wordt fr. attacher gebruikt in de uitdrukking attacher son nom à quelque chose, b.v. à un évènement. In navolging daarvan gebruiken Zuidnederlandsche schrijvers vaak zijn naam aan iets hechten; men zegt zijn naam aan iets verbinden, of beter in het lijdend geslacht iemands naam is onafscheidelijk aan iets verbonden. || Hij weigerde ... zijnen naam te hechten aan zulke hatelijke dwingelandij, G. BERGMANN, Gedenkschr. 12. Zijne vrij zeldzame werken zouden waarschijnlijk zijnen naam aan de vergetelheid niet ontrukt hebben, zoo hij dezen bovendien niet gehecht had aan de kunstopleiding van een doorluchtig schilder, SABBE, Vl. Schilderk. 136. Zoo hechtte hij zijnen naam aan de oprichting van het hertogelijk paleis, 140. Van nu af was zijn naam aan alle groote gebeurtenissen in de geschiedenis van den Vlaamschen Taalstrijd, gehecht, DE MONT, Bloemlez. 132. Van al die namen, welke onafscheidelijk aan deze ... heerlijke beweging gehecht zijn, DE MONT in Vl. School 1895, 110b.
– In dit gebruik kan bij fr. attacher ook eene zaak als onderwerp staan, zoo b.v. les sections normales flamandes attachées à l’université de Gand. Ook in dit geval kan men ndl. hechten niet gebruiken; men zegt bestaande -, gevoegd bij. || De oefenschool, die aan de kweekschool gehecht is, H. T(EMMERMAN) in De Toekomst 35, 67.
– In het Fransch zegt men, zooals reeds vermeld werd, s’attacher quelqu’un, waarbij het wederkeerend voornaamwoord in den 3den naamval staat, zoodat de beteekenis is: iemand in zijn dienst nemen. Daarnaast bestaat s’attacher à quelqu’un, waarbij het wederkeerend voornaamwoord in den 4den naamval staat, zoodat de beteekenis is: in iemands dienst treden. In de plaats van deze laatste, zuiver Nederlandsche uitdrukking wordt door onze schrijvers veelvuldig gebruikt zich hechten aan iemand, maar dat kan niet anders beteekenen dan gaandeweg aan iemand zeer verkleefd worden. || De machtige heeren van Orley ... die zich aan het hof der hertogen van Bourgondië hechtten, SABBE, Vl. Schilderk. 109. Na de beginselen der schilderkunst ... te hebben aangeleerd, hechtte Lombard zich aan den Engelschen kardinaal Pole, welken hij in Italië volgde, 116 (bij WAUTERS 151: Lombard ... s’attacha à la fortune du cardinal anglais Pole).
– Ook op de volgende plaats is het gebruik van hechten een gallicisme: in ’t Fransch zegt men in dit geval attacher, maar in ’t Nederlandsch binden. || Wat alleen heur (t.w. eene stervende moeder) hechtte aan de aard - Een zonenpaar - stond zwijgend aan haar zij, RAMBOUX, Ged. 8.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hechten ‘bevestigen; (verouderd) gevangen nemen’ -> Duits dialect † Gelof hechten an ‘geloof hechten aan’; Deens hægte ‘bevestigen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors hekte ‘vasthaken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds häkta ‘vastmaken, arresteren’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments hèftu (ouder: heftá) ‘bevestigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hechten* bevestigen 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2375. Zich verslingeren aan (of op),

d.i. verzotten, verlieven op iemand of iets; meestal in ongunstigen zin, evenals zich aan iemand vergooien of zich versmijten (Draaijer, 45). Eigenlijk zich om iets slingeren, zich hechten aan, verkleven aan; mnl. en 17de eeuw ook zich verhangen aan iemand; zuidndl. verhangen zijn naar iet, er op verzot zijn. Niet altijd is de uitdrukking in ongunstigen zin gebruikt; in de 17de en 18de eeuw komt zij gewoonlijk in gunstigen zin voor; zie De Jager, Frequ. II, 545; Brandt, Leven v. Vondel, reg. 575: Inzonderheid waren zyne (L.J. Baask's) zonen en dochters verslingert op de dichtkunst; reg. 671: De kunst, daar hy (Vondel) hoe langs hoe meer op verslingerdeNederl. Klassieken IV, Amsterdam, 1905; Hooft bezigt ook slingerzucht voor verliefdheid, verzotheid.; Hooft, Ged. II, 240; Vondel, Salomon, 1168: Ghy zoudt op dees Godin verslingeren en verlieven; Lucifer, 1025; Virg. II, 6: Eneas en Dido, op hem zoo jammerlijck verslingert; II, 200 (op het leven verslingert); Winschooten, 261; C. Wildsch. II, 383; verslingerd raaken; enz. Halma, 695: Op een vrouwmensch verslingeren; zig aan een hoer verslingeren; Sewel, 874: Op een vrouwmensch verslingerd, fallen desperately in love with a woman; zich ergens aan verslingeren, to become exceeding fond of a thing, to be hurried away with it; Harreb. III, 76; Nw. Amsterdammer, 27 Febr. 1915 p. 11, k. 1: Ronduit gezeid, wij hier buiten waren vreeselijk verslingerd aan de Groene (een weekblad). Syn. was versnot zijn op iemandKiliaen: Versnot zijn op zijn boel, perdite amare, misere amare, deperire amore; De Jager, Frequ. II, 596-597.; thans dial. vergreld zijn op iemand (De Jager, Frequ. II, 222In Twente beteekent vergreld altijd nijdig, boos; oostfri. fergrelld, ausser sich vor Zorn, Wuth, Liebe, etc. (Ten Doornk. Koolm. I, 448).; Molema 446 a).

2633. Zijn zegel aan iets hechten (of hangen),

d.w.z. iets goedkeuren; ontleend aan de gewoonte der wereldlijke en geestelijke heeren, om besluiten welke zij moesten bekrachtigen, met hun zegel te voorzien, d.w.z. hun zegel in was gedrukt, door koorden, banden of reepen perkament aan de brieven of charters te bevestigen, te hangen; ze te bezegelen. Toen men in de tweede helft der 16de eeuw het gezegeld papier uitdacht, kwamen de papierstempels in gebruik. In vroegeren tijd sprak men evenwel ook van zijn zegel steken aan iets (zie Mnl. Wdb. VII, 2050; Anna Bijns, Refr. 122; Vondel, Jephta, vs. 1128; Hooft, Ned. Hist. 174; 233; enz), daar men, als het zegel met dubbele strooken perkament, staarten genoemd, aan den brief bevestigd werd, deze door eene insnijding stak, welke in een dubbel gevouwen onderkant van den brief was aangebracht. Thans nu het zegel op den brief gedrukt wordt, zeggen we ook: Zijn zegel op iets drukken of zetten. Vgl. Servilius, 25*: Ic hanger mynen segel ooc aen, pedibus in sententiam discedere; Van Effen, Spect. III, 2: By gevolg is het dwaas iemand voor ligtgelovig uit te kryten, alleenlyk, om dat hy zyn zegel hangt aen 't een of 't ander gevoelen van den gemenen man; Tuinman I, 43; Halma, 804: Zijn zegel aan iets hangen of steeken, iets goedkeuren; V. Janus III, 50: Stond hij er over in twijfel, of hij er zijn zegel aan wilde hangen; III, 268: Eene diepe, maar beämende stilte hechtte het zegel aan het voorstel van den President; Harreb. II, 496 b; afrik. die seël op (aan) iets druk (sit, heg); Ndl. Wdb. V, 2086; VI, 239; VIII, 1432 (zijn zegel leggen op); eng. to set one's seal to (or to put the seal upon) a thing; fri. it segel der op sette.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kap- ‘fassen’, (Varianten s. am Schlusse); vielfach in Worten für Gefäße, kap-no-s ‘Hafen’; kap-to-s ‘gefangen’.

Ai. kapaṭī ‘zwei Handvoll’ ( mind. für t), apers. ἡ καπίθη ‘δύο χοίνικες’; mit idg. e npers. časpīdan, čapsīdan, cafsīdan ‘greifen, packen’;
gr. καπέτις ‘ein Hohlmaß’, κάπη ‘Krippe’, καπά̄νη ds., thess. ‘der Wagenkasten’, κάπτω ‘schnappe, schlucke’, κώπη ‘Griff’;
alb. kap ‘ergreife, fasse’, kapasë ‘Ölgefäß’, kam ‘habeo’ (*kapmi oder *kab(h)mi- zur Wurzelf. *kabh- zu nhd. haben);
lat. capiō, -ere, cēpī, captus ‘nehmen’, au-ceps, -cupāre ‘Vogelfanger, Vögel fangen’, parti-ceps ‘teilnehmend’, capāx ‘fassungsfähig, tauglich’, capēdo, -inis ‘einfaches tönernes Gefäß im Opfergebrauch; Trinkgefäß’, capulus ‘Bahre, später Sarg’ und ‘Griff, Handhabe’, capula ‘Schöpfgefäß’ (capulāre ‘von einem Gefäß ins andere schöpfen’), caputrum ‘Schlinge zum Fassen eines Gegenstandes; bes. Halfter’ (aber capis, -idis ‘Henkelschale’, umbr. kapiře ‘capide’, osk. καπιδιτομ ‘ollarium’ vielleicht aus gr. σκαφίς mit s-Abfall in allen drei ital. Sprachen; sicher ist capisterium Lw. aus σκαφιστήριον); capsa ‘Behältnis, Kapsel, Kasten’, capsus ‘der Wagenkasten; Käfig für wilde Tiere’ (daraus gr. κάψα, κάμψα);
lat. captus, -a = air. cacht ‘Dienerin, Sklavin’, cymr. caeth ‘Sklave’, acorn. caid ‘captivus’, nbret. keaz ‘unglücklich, arm’, gall. Moeni-captus ‘Sklave des Mains’, mir. cachtaim ‘nehme gefangen’ = lat. captāre ‘zu ergreifen suchen’ (zufällig auch = asächs. haftōn ‘haften’); ir. cúan (*kapno-) ‘(See-)Hafen’;
got. -hafts (= lat. captus, ir. cacht) ‘behaftet mit’, anord. haptr ‘captus’, hapt n. ‘Fessel’, ags. hæft m. ‘Gefangener, Sklave, Band, Fessel’, n. ‘Heft, Griff’, as. haft ‘vinctus’, ahd. haft ‘gebunden, gefangen, behaftet mit’, m. n. ‘Haft, Fessel’, wovon anord. hefti n. ‘Heft, Handhabe’, ahd. hefti n. ‘Heft, Griff’ und got. haftjan ‘befestigen’, anord. hefta ‘binden, hindern’, ags. hæftan, as. heftan, ahd. heften ‘binden, verhaften’; nhd. haschen (*hafskōn) = schwed. dial. haska ‘nachlaufen, um einzuholen’;
got. hafjan (= lat. capiō) ‘heben’, anord. hefja (hafða), as. hebbian, ags. hebban, ahd. heffen, heven, mhd. nhd. heben (schweiz. nur ‘halten’); dazu (vgl. zur Form lat. habēre) got. haban, -aida ‘halten, haben’, anord. hafa (hafða), as. hebbian, ags. habban, ahd. habēn ‘haben’;
anord. -haf n. ‘Hebung’, ags. hæf n., mnd. haf ‘Meer’ (ndd. Haff), mhd. hap, -bes ‘Меег, Hafen’; anord. hǫfn f. ‘Hafen (portus)’, ags. hæfen(e) f., mnd. havene, mhd. habene f. ds. (nhd. Hafen aus dem Ndd.; vgl. ir. cuan); ahd. havan m. ‘Topf, Küchengeschirr’, nhd. Hafen; anord. hǫfugr, ags. hefig, as. heƀig, ahd. hebīc, -g ‘schwer’ (eigentlich ‘etwas enthaltend’); ags.hefe, hæfe m., ahd. heve, hepfo, nhd. Hefe (‘was den Teig hebt’); isl. norw. dial. havald n. ‘Band’, ags. hefeld, mnd. hevelte (*hafaðla-; ahd. haba, nhd. Handhabe;
anord. hāfr m. ‘Fischhamen, Reuse’ (ē wie in lat. cēpī);
anord. hōf n. ‘das rechte Maß oder Verhältnis’, hø̄fa ‘zielen, passen, sich schicken’, got. gahōbains ‘Enthaltsamkeit’, ags. behōfian ‘bedürfen’, ahd. bihuobida ‘praesumtio’, mhd. behuof m. ‘Geschäft, Zweck, Vorteil’, nhd. Behuf;
[anord. haukr (*hǫƀukr), ags. heafoc ‘Habicht’ (daraus mcymr. hebawc, und aus diesem air. sebocc ‘Falke’), as. haƀuk- in EN, ahd. habuh ‘Habicht’ aus germ. *haƀuka- (finn. Lw. havukka), sind wohl besser mit russ. (usw.) kóbec, poln. kobuz ‘Namen von Falkenarten’ zu vergleichen;]
mit der Bed. von gr. κάπτω und germ. pp als intens. Kons.-Gemination (auf Grund der Wurzelf. auf p oder bh oder b) nhd. (eigentlich ndd.) happen, hapsen ‘verschlingen’. holl. happen ‘schnappen’ u. dgl.;
lit. kúopa 1. ‘Schar, Abteilung’, 2. ‘Lösegeld für gepfändetes Vieh’ (= gr. κώπη); lett. kàmpju, kàmpt ‘ergreifen, fassen’;
über den Troernamen Κάπυς, lat. capys, capus ‘Falke’ (illyr.?) s. Bonfante REtIE 2, 113.
Der Vokalismus ist fast durchaus a, auch in ai. kapaṭī (das als isoliertes Wort nicht wohl a als Entgleisung für i = ǝ haben kann); daneben vereinzeltes ē (cēpi, hāfr) und ō (κώnη, lit. kúopa, vermutlich auch germ. hōf-), die kaum als Normalstufen (ē: ō: ǝ) einzureihen sind (Konstatierung bei Reichelt KZ. 46, 339). Dasselbe Vokalverhältnis zwischen osk. hafiest : hipid, lit. gabénti : Prät. atgė́bau, got. gabei : anord. gǣfr; hinsichtlich des Konsonantismus zeigt sich im Wurzelanl. und -auslaut Schwanken zwischen Tenuis, Media, Media asp., was aus Nachahmung des Schnapplautes (kap, ghap, ghabh usw.) und Nachahmung des raschen Zugreifens durch diesen Laut (‘schnapp’) zu erklären ist. Darüber ausführlich Collitz Prät. 85 ff., K. H. Meyer IF. 35, 224-237; s. auch oben S. 407ff.; anders EM3 173.

WP. I 342 ff., WH. I 159 f., 169.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal