Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haven - (aanlegplaats voor schepen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

haven zn. ‘aanlegplaats voor schepen’
Mnl. havene ‘haven’ [1240; Bern.], jn ioppe dedi avene maken ‘in Joppe liet hij een haven aanleggen’ [1285; CG II, Rijmb.].
Mnd. haven(e) (mhd. habe(ne), nhd. Hafen); oe. hæfen (< on.; ne. haven); on. höfn ‘haven’, hanf- (nde. havn, nzw. hamn); < pgm. *habnō-/*hafnō- ‘haven’. De Duitse en Nieuwscandinavische woorden zijn mannelijk, de andere vrouwelijk.
Verdere etymologie onzeker. Vergelijkbaar in vorm en betekenis alleen Oudiers en Iers cúan ‘zeehaven; baai, kust’ (in het meervoud ‘zee’) en Schots-Gaelisch cuan ‘oceaan’. Men relateert deze woorden wel aan de wortel pie. *keh1p- ‘grijpen, pakken’ (in de betekenis ‘omvatten, inhouden’, zie → hebben), waarbij de Oudierse vorm is ontwikkeld uit *kap-no < *kh1p-no-. Als dit klopt, kan ook het Duitse homoniem Hafen ‘pot’ bij deze groep behoren; semantisch lijkt dit echter niet waarschijnlijk. Cowan (1971) onderscheidt beide Duitse woorden dan ook en plaatst Hafen ‘pot’ inderdaad bij pie. *keh1p-, maar beschouwt Hafen, haven etc. als afkomstig, met Germaanse klankverschuiving, van een voor-Indo-Europees woord *kapan(n)a, dat in de Germaanse talen voorleeft als → haf ‘inham achter landtong’ en in Zuid-Europa in woorden voor ‘beschutte plek’, zoals Laatlatijn capanna ‘hut’ (waaruit → cabine).
Een indirecte Oudnederlandse vindplaats wordt gegeven door Frans havre ‘haven’ [ca. 1165; Rey], eerder al havene [ca. 1138; Rey], waarvoor men ontlening aan het Nederlands aanneemt.
Lit.: Cowan 1971, 189-193

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haven* [ligplaats voor schepen] {haven(e), have 1201-1250} middelnederduits havene, oudengels hæfen(e), oudnoors hǫfn, vermoedelijk verwant met heffen (vgl. haf).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haven znw. v., mnl. hāvene, hāven v., mnd. hāvene v. m. (> nhd. hafen m.), ook have, oe. hæfen, hæfene v. (ne. haven), on. hǫfn v. — > ofra. havene, havne, nfra. havre, sedert de 12de eeuw (Valkhoff 164). — oiers cuan (< *kopno) ‘zeehaven’.

Misschien is er mee te verbinden os. ohd. havan (maar eerst 1259 bekend) ‘pot’. — De etymologie levert moeilijkheden. Men verbindt wel met de groep van heffen en geeft dan aan dit woord, dat een germ.-keltische formatie zou zijn, de bet. ‘het omvattende’; een rijkelijk abstracte uitgangsbet. — Mag men denken aan een substraatwoord van een volk, dat aan de zee woonde?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haven znw., mnl. hāvene, hāven v. = mnd. hāvene (ook hāve) v.m. (uit ’t Ndd. nhd. hafen m.), ags. hæfen (ook hæfene) v. (eng. haven), on. hǫfn v. “haven”. Vgl. in de eerste plaats ier. cuan “id.” (uan < opn). Dat germ. *χaf-nô-, *χaƀ-nô- een afl. zou zijn van mnd. haf (< nhd. haff), ofri. hef, ags. hæf, on. haf o. “zee”, is formantisch niet wsch., wegens ’t ier. woord onaannemelijk. De combinatie met hebben (haven = “de bevattende”) is een mogelijke, maar onzekere hypothese. [Dan zou haven in de eerste plaats met ohd. os. havan m. “pot” te combineeren zijn; voor de bet. hiervan vgl. ’t verwante lat. capêdo “een soort schaal of beker”.] Dat geldt ook van de vergelijking met obg. kopati “graven”, lit. kapóti “hakken”, gr. (s)kápetos “groeve, gracht” (zie schaven).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

haven. Ohd. os. havan m. ‘pot’ = hd. hafen m.‚ ‘id.’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haven v., Mnl. id. + Mhd. habene, Ags. hæfena (Eng. haven), On. hǫfn (Zw. hamn, De. havn) + Oier. cuan (d.i. *copno-); behoort bij heffen; vergel. Os. en Ohd. havan, Lat. capedo = beker. Uit Ndd. kwam Nhd. hafen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hawe I: “beskutte ankerplek”; Ndl. haven (Mnl. haven(e)), Hd. hafen, Eng. haven, mntl. verb. m. On. haf en Oeng. haef, “see”.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

haven 'aanlegplaats voor schepen'
Mnl. havene, haven 'aanlegplaats voor schepen', mnd. haven(e), have, ono. höfn. Oudste attestaties in plaatsnamen: 1318 Brouwershaven (→ Brouwershaven)1, eind 14e eeuw Die nuwe haven van Delf (→ Delfshaven)2.
Lit. 1Beekman MNW sv Polder, 2MNW sv Havene.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haven ‘ligplaats voor schepen’ -> Oost-Jiddisch haafns, haawns ‘ligplaats voor schepen’ (uit Nederlands of Duits); Frans havre ‘zeehaven; (verouderd) kleine beschutte haven; schuilplaats’; Spaans abra ‘baai, inham’ <via Frans>; Portugees abra ‘baai met ankerplaats voor schepen’ <via Frans>; Baskisch habre ‘estuarium’ <via Frans>; Baskisch abra ‘als zeehaven bruikbare inham, baai; open, winderige plek’ <via Spaans>; Bretons havr ‘ligplaats voor schepen’ <via Frans>; Russisch gávan' ‘ligplaats voor schepen’; Oekraïens gávan' ‘ligplaats voor schepen’ <via Russisch>; Wit-Russisch gávan' ‘ligplaats voor schepen’ <via Russisch>; Papiaments haf (ouder: haaf) ‘ligplaats voor schepen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haven* ligplaats voor schepen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

858. In behouden haven zijn,

d.w.z. buiten alle gevaar zijn, binnen zijn, veilig zijn; in een haven zijn, waar men behouden is; eene uitdr. die natuurlijk aan het zeemansleven is ontleend. Vgl. Vondel's Vertroostinghe aen Ger. Vossius:

Men klaeght, indien de kiele strant,
Maer niet wanneerze, rijck gelaên,
Uit den verbolghen Oceaen
In een behoude haven lant.

Zie verder Sartorius I, 1, 81: t' Is, Godt sy gelooft, in behouden haven, waar herinnerd wordt aan Plautus, Aulularia, vs. 804: Jam esse in vado salutis res videtur (gewoon was in het Latijn de uitdr. in portu navigare); Winschooten, 78: In behouden haaven, oneigendlijk buiten alle gevaar sijn; Halma, 208. Voor andere plaatsen zie Ndl. Wdb. II, 1522; VI, 134; fri. yn behâlden haven wêze.

859. Alle havens schutten wind.

Vroeger ook alle hagen schutten (keeren) wind, d.i. elke mededinger (bij het houden van een winkel, enz.) gaat met eenig voordeel weg, dat anderen weer moeten missen (V. Dale5, 1994). Vgl. Meyer, Spreuken, 83; Tuinman I, 373: Dat brengt geen zooden aan den dijk, in 't tegendeel: Alle hagen schutten wind; Van Eijk I, 81: Alle havens (ook wel heiningen) schutten wind, d.i. dat men er altijd in zijn beroep, nering of verdiensten bij lijden moet, wanneer er ook anderen komen, die met ons hetzelfde beoogen en beproeven. Zie verder Harrebomée III, 208; Ndl. Wdb. V, 1333; VI, 133 en vgl. De Vrijheid, 8 Febr. 1922, p. 1 k. 3: Een gewaardeerd medewerker zou het voorbeeld der R.-K. Staatspartij en der S.D.A.P. willen volgen. ‘Uitgaande van het bekende gezegde, dat alle havens wind schutten, zou een zoo groot mogelijk aantal lijsten aan te bevelen zijn’, meent hij. Syn. Alle boomen vangen wind. (Aanv.) Syn. is ook ieder molen vangt wind; Handelsblad, 27 April 1923 (A) p. 5 k. 3: Jao, hai is nou eenmôl raodslid en van... de stemme' mottet nou eenmôl hemme? Hannes komp t'r ôk, zoo vas' as 'n huis. Toch kemphaone' teuge mekaore! Naotuurlijk! Want d'r staon d'r nog mèr op de lais' en iedere meulen vangt weind, wâr? (in de Betuwe).

1326. Er is met hem geen land (of haven) te bezeilen,

d.w. eig. z. door zeilen is geen land met hem te bereiken; overdr. er is met hem niets te bereiken; niets te beginnen; niet om te gaan. Vgl. Witsen, 499 a: Landt met yemandt bezeilen: met yemandt over wegh komen, en omgaen; Winschooten, 78: Daar is geen haaven meede te beseilen, oneigendlijk: met hem is geen spit te wenden, hij deugd nergens toe; bl. 133: Daar is geen land meede te beseilen: dat is, die jongen deugd niet, daar is geen goed gaaren van te spinnen. Zie ook C. Wildsch. II, 144: De lieden zijn zo eigenwijs, dat er geen land meê te bezeilen is; Halma, 300: Men kan geen land met hem bezeilen, men kan met hem niet omgaan, of te regt raaken; Tuinman I, nal. 22: Daar is geen haven mede te bezeilen, dat zegt men van een weerbarstigen dwarskop, die noch te roer noch ter hand wil; Harreb. I, 291; Weekblad v. Het Volk, 6 Nov. 1913, p. 4: Met deze categorie moet geen land te bezeilen zijn; Ndl. Wdb. VIII, 973. In 't fri.: der is gjin lân mei him to besilen, waarvoor men in West-Vlaanderen zegt: met iemand geen kanten kunnen akkeren (De Bo, 488); vgl, ook het Zaansche: er is met hem geen goed garen te spinnen (Boekenoogen, 228 b); het Westvl. geen spit met iemand kunnen wenden (De Bo, i.v. roe; ook Van Effen, Spect. VI, 123); geen rechte voor met iemand kunnen ploegen (Joos, 96 en 103); geen rie met iemand kunnen schieten (Rutten, 187 b); Sart. II, 10, 36: men magh met hem eggen noch eeren, waarvoor men op Goeree en Overflakkee zegt: er is niet met hem te ploegen of te eggen (zie N. Taalg. XI, 306; Ndl. Wdb. III, 3965).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kap- ‘fassen’, (Varianten s. am Schlusse); vielfach in Worten für Gefäße, kap-no-s ‘Hafen’; kap-to-s ‘gefangen’.

Ai. kapaṭī ‘zwei Handvoll’ ( mind. für t), apers. ἡ καπίθη ‘δύο χοίνικες’; mit idg. e npers. časpīdan, čapsīdan, cafsīdan ‘greifen, packen’;
gr. καπέτις ‘ein Hohlmaß’, κάπη ‘Krippe’, καπά̄νη ds., thess. ‘der Wagenkasten’, κάπτω ‘schnappe, schlucke’, κώπη ‘Griff’;
alb. kap ‘ergreife, fasse’, kapasë ‘Ölgefäß’, kam ‘habeo’ (*kapmi oder *kab(h)mi- zur Wurzelf. *kabh- zu nhd. haben);
lat. capiō, -ere, cēpī, captus ‘nehmen’, au-ceps, -cupāre ‘Vogelfanger, Vögel fangen’, parti-ceps ‘teilnehmend’, capāx ‘fassungsfähig, tauglich’, capēdo, -inis ‘einfaches tönernes Gefäß im Opfergebrauch; Trinkgefäß’, capulus ‘Bahre, später Sarg’ und ‘Griff, Handhabe’, capula ‘Schöpfgefäß’ (capulāre ‘von einem Gefäß ins andere schöpfen’), caputrum ‘Schlinge zum Fassen eines Gegenstandes; bes. Halfter’ (aber capis, -idis ‘Henkelschale’, umbr. kapiře ‘capide’, osk. καπιδιτομ ‘ollarium’ vielleicht aus gr. σκαφίς mit s-Abfall in allen drei ital. Sprachen; sicher ist capisterium Lw. aus σκαφιστήριον); capsa ‘Behältnis, Kapsel, Kasten’, capsus ‘der Wagenkasten; Käfig für wilde Tiere’ (daraus gr. κάψα, κάμψα);
lat. captus, -a = air. cacht ‘Dienerin, Sklavin’, cymr. caeth ‘Sklave’, acorn. caid ‘captivus’, nbret. keaz ‘unglücklich, arm’, gall. Moeni-captus ‘Sklave des Mains’, mir. cachtaim ‘nehme gefangen’ = lat. captāre ‘zu ergreifen suchen’ (zufällig auch = asächs. haftōn ‘haften’); ir. cúan (*kapno-) ‘(See-)Hafen’;
got. -hafts (= lat. captus, ir. cacht) ‘behaftet mit’, anord. haptr ‘captus’, hapt n. ‘Fessel’, ags. hæft m. ‘Gefangener, Sklave, Band, Fessel’, n. ‘Heft, Griff’, as. haft ‘vinctus’, ahd. haft ‘gebunden, gefangen, behaftet mit’, m. n. ‘Haft, Fessel’, wovon anord. hefti n. ‘Heft, Handhabe’, ahd. hefti n. ‘Heft, Griff’ und got. haftjan ‘befestigen’, anord. hefta ‘binden, hindern’, ags. hæftan, as. heftan, ahd. heften ‘binden, verhaften’; nhd. haschen (*hafskōn) = schwed. dial. haska ‘nachlaufen, um einzuholen’;
got. hafjan (= lat. capiō) ‘heben’, anord. hefja (hafða), as. hebbian, ags. hebban, ahd. heffen, heven, mhd. nhd. heben (schweiz. nur ‘halten’); dazu (vgl. zur Form lat. habēre) got. haban, -aida ‘halten, haben’, anord. hafa (hafða), as. hebbian, ags. habban, ahd. habēn ‘haben’;
anord. -haf n. ‘Hebung’, ags. hæf n., mnd. haf ‘Meer’ (ndd. Haff), mhd. hap, -bes ‘Меег, Hafen’; anord. hǫfn f. ‘Hafen (portus)’, ags. hæfen(e) f., mnd. havene, mhd. habene f. ds. (nhd. Hafen aus dem Ndd.; vgl. ir. cuan); ahd. havan m. ‘Topf, Küchengeschirr’, nhd. Hafen; anord. hǫfugr, ags. hefig, as. heƀig, ahd. hebīc, -g ‘schwer’ (eigentlich ‘etwas enthaltend’); ags.hefe, hæfe m., ahd. heve, hepfo, nhd. Hefe (‘was den Teig hebt’); isl. norw. dial. havald n. ‘Band’, ags. hefeld, mnd. hevelte (*hafaðla-; ahd. haba, nhd. Handhabe;
anord. hāfr m. ‘Fischhamen, Reuse’ (ē wie in lat. cēpī);
anord. hōf n. ‘das rechte Maß oder Verhältnis’, hø̄fa ‘zielen, passen, sich schicken’, got. gahōbains ‘Enthaltsamkeit’, ags. behōfian ‘bedürfen’, ahd. bihuobida ‘praesumtio’, mhd. behuof m. ‘Geschäft, Zweck, Vorteil’, nhd. Behuf;
[anord. haukr (*hǫƀukr), ags. heafoc ‘Habicht’ (daraus mcymr. hebawc, und aus diesem air. sebocc ‘Falke’), as. haƀuk- in EN, ahd. habuh ‘Habicht’ aus germ. *haƀuka- (finn. Lw. havukka), sind wohl besser mit russ. (usw.) kóbec, poln. kobuz ‘Namen von Falkenarten’ zu vergleichen;]
mit der Bed. von gr. κάπτω und germ. pp als intens. Kons.-Gemination (auf Grund der Wurzelf. auf p oder bh oder b) nhd. (eigentlich ndd.) happen, hapsen ‘verschlingen’. holl. happen ‘schnappen’ u. dgl.;
lit. kúopa 1. ‘Schar, Abteilung’, 2. ‘Lösegeld für gepfändetes Vieh’ (= gr. κώπη); lett. kàmpju, kàmpt ‘ergreifen, fassen’;
über den Troernamen Κάπυς, lat. capys, capus ‘Falke’ (illyr.?) s. Bonfante REtIE 2, 113.
Der Vokalismus ist fast durchaus a, auch in ai. kapaṭī (das als isoliertes Wort nicht wohl a als Entgleisung für i = ǝ haben kann); daneben vereinzeltes ē (cēpi, hāfr) und ō (κώnη, lit. kúopa, vermutlich auch germ. hōf-), die kaum als Normalstufen (ē: ō: ǝ) einzureihen sind (Konstatierung bei Reichelt KZ. 46, 339). Dasselbe Vokalverhältnis zwischen osk. hafiest : hipid, lit. gabénti : Prät. atgė́bau, got. gabei : anord. gǣfr; hinsichtlich des Konsonantismus zeigt sich im Wurzelanl. und -auslaut Schwanken zwischen Tenuis, Media, Media asp., was aus Nachahmung des Schnapplautes (kap, ghap, ghabh usw.) und Nachahmung des raschen Zugreifens durch diesen Laut (‘schnapp’) zu erklären ist. Darüber ausführlich Collitz Prät. 85 ff., K. H. Meyer IF. 35, 224-237; s. auch oben S. 407ff.; anders EM3 173.

WP. I 342 ff., WH. I 159 f., 169.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal