Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

harpij - (godin als roofvogel met meisjesgezicht en klauwen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

harpij [godin als roofvogel met meisjesgezicht en klauwen] {harpie 1287} < frans harpie < latijn harpyia < grieks harpuia [idem], mogelijk van harpazein [wegrukken, roven, snel grijpen] of, waarschijnlijker, verwant met ereptesthai [zich voeden, opvreten].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

harpy s.nw.
1. Mitiese monster met die kop en bolyf van 'n vrou en die vlerke en kloue van 'n roofvoël. 2. Wraakgierige, bloeddorstige monster. 3. Nydige, bose vrou.
Uit Ndl. harpy (Mnl. harpie in bet. 1, 1855 - 1869 in bet. 2 en 3).
Alhoewel die vorm harpie al in Mnl. bestaan, kan harpy in bet. 1 ook later (1855 - 1869) met die herlewing van die klassieke studies opnuut aan Grieks en Latyn harpyia 'grypster, roofster' ontleen wees, met lg. mntl. van harpazein 'wegruk, roof, vinnig gryp'. Die monsters word so genoem omdat hulle die siele van oorledenes wegvoer.
D. Harpyie, Eng. harpy, Fr. harpie.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

harpij: boze vrouw; feeks. O.a. in het werk van Busken Huet. Eigenlijk: een in de oudheid verzonnen vraatzuchtige vogel met het hoofd van een zuur kijkende maagd. In literair taalgebruik heeft het de betekenis van ‘wraakzuchtig monster, een soort vampier’.

‘C’est vous tout craché,’ zei die harpij van de commissaris. (Johan Fabricius, Dag, Leidseplein, 1965)
En toch, er zijn veel vrouwen thans
Die naar ’t moderne spraakgebruik
Baas willen zijn in eigen buik
En ’t leventje, dat in hen groeit
Wordt onverschillig weggesnoeid
Oh, als ik denk aan zo’n harpij
Ontsnapt een kreet van afschuw mij. (Jasperina de Jong, Abah Abortus, 1973)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Harpij Harpia harpyja (Linnaeus: Vultur) 1758. (1) De grootste zuid- en midden-amerikaanse Arend, die zich voedt met o.a. Apen. E Harpy Eagle, Sp Aguila Harpía [Meyer de Schauensee & Phelps 1978]. De soort werd beschreven door de Spanjaard Francisco Hernandez (1517-1578), lijfarts van Filips II.
(2) De naam zou voor iedere (felle) Roofvogel kunnen staan (zie etymologie). B&O 1822 noemen de naam voor de Bruine Kiekendief: “Falco rufus L. – De rosse Valk, Harpy.” Ook catalaans Arpella vulgar staat voor de Bruine Kiekendief, evenals de oude F naam Busard harpaye [Schlegel 1844]. E volksnaam Harpy = Bruine Kiekendief. [mb.00A,28]
ETYMOLOGIE N Harpij (= Gr godin van de alles meeslepende storm, in de gedaante van een Roofvogel met een meisjesgezicht en met armen die in klauwen eindigen; afbeelding in Jonstonus 1660 Tab.62 met vermelding van “Harpijca”) <F harpie <mf arpe (14e eeuw) <Lat Harpyia <Gr ἅρπυια hárpuia ‘wegrukster’, verwant met Lat rapio ‘snel grijpen, met geweld nemen’ (>E to rape ‘verkrachten’ en E raptor ‘Roofvogel’ en Lat rapax ‘meesleurend’; de wetenschappelijke naam van de Steppearend/Savannearend: Aquila rapax).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal