Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

harmonica - (muziekinstrument)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

harmonica zn. ‘muziekinstrument’
Nnl. harmonica ‘glasharmonica’ [1824; Weiland], de gewone harmonica ‘soort accordeon’ [1876; WNT]; in de samenstellingen trekharmonica [1868; WNT trekken], mondharmonica [1883; WNT], en harmonicawagens ‘gelede wagons met harmonicaverbindingen’ [1948; WNT spoorweg], harmonicadeur ‘vouwdeur’ [1954; WNT Aanv. beweging].
Internationaal neologisme, in 1761 of 1762 geïntroduceerd door de Amerikaanse staatsman en natuurkundige Benjamin Franklin (1706-1790), als naam voor een instrument dat hij had ontworpen. Hij noemde het armonica, daarbij bewust kiezend voor een woord uit het Italiaans, de taal van de toenmalige muzikale wereld. Het Italiaanse woord, dat ‘muzikaal, harmonieus’ betekent, gaat via Latijn harmonicus terug op Grieks harmonikós ‘muzikaal, bekend met de harmonie’, afleiding van harmonía ‘harmonie’, zie → harmonie. In de meeste talen die het woord nu kennen, wordt de etymologische vorm met ha- gebruikt.
Franklins instrument, de glasharmonica, werkte op basis van een reeks glazen kommetjes, die met de vingers werden bespeeld. Het gebruik van verschillende losse glazen om er muziek mee te maken werd in Europa ingevoerd uit Perzië in de 11e eeuw. Franklin besloot, onder de indruk van het spel van E. Delaval op dergelijke glazen, er een echt instrument van te maken, accurater van toon en beter bespeelbaar dan losse glazen. Later werd het woord aan diverse andere nieuwe muziekinstrumenten toegekend. Het gevolg is dat, in elk geval in het Nederlands, het woord harmonica als simplex niet eenduidig is, uit de context moet blijken welk muziekinstrument bedoeld wordt, tegenwoordig meestal een van de twee hierna genoemde. Bij de mondharmonica, in 1821 uitgevonden door de Duitser Christian Friedrich Ludwig Buschmann (1805-1864), worden stalen strookjes door lucht uit de mond aan het trillen gebracht. Buschmann ontwierp ook de eerste trek- of handharmonica, die op hetzelfde principe werkt, maar waarbij de luchtstroom door een blaasbalg wordt voortgebracht. Een variant hiervan is de → accordeon. In Vlaanderen wordt een trekharmonica ook wel een trekzak genoemd.
In figuurlijke zin, naar het karakteristieke vormelement, de balg, van de trekharmonica, wordt harmonica- ook als eerste lid in samenstellingen gebruikt, bijv. in harmonicadeur of -wand ‘vouwdeur of -wand’, harmonicabus ‘gelede bus’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

harmonica [muziekinstrument] {1824} door de uitvinder ervan, de Amerikaanse staatsman, filosoof en natuurkundige Benjamin Franklin (1706-1790) armonika gedoopt < grieks harmonikos [van de harmonie] (vgl. harmonie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

harmonika znw. v., later-nnl. woord, dat eigenlijk de in 1762 door Benj. B. Franklin uitgevonden glasharmonica aanduidde; de uitvinder noemde het instrument naar het lat. bnw. harmonicus ‘harmonieus’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

harmonika znw., later-nnl. Internationaal woord, oorspr. de v. vorm van gr.-lat. harmonicus “harmonieus”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

moneka (zn.) harmonica; Nuinederlands harmonica <1824>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

monika, moneka, zn.: mondharmonica. Door aferesis uit harmonica.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

monica, minica, mornica, monico, zn.: accordeon, harmonica; (naar analogie) portemonnee met vakjes. Door aferesis van harmonica.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

harmonika s.nw. (verouderd)
Akkordeon, konsertina of mondfluitjie.
Uit Eng. harmonica (1762 in die vorm armonica).
Ndl. harmonica (1824).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

harmonica ‘toetsinstrument’ -> Indonesisch harmonika ‘westers blaasinstrument met toetsen en balg; trekzak’; Ambons-Maleis harmonik ‘toetsinstrument’; Boeginees haremonîka ‘toetsinstrument’; Javaans èrmoni, èrmonikah ‘trekharmonica’; Kupang-Maleis harmonik ‘toetsinstrument’; Madoerees armunika, armunikah ‘toetsinstrument’; Makassaars haramanîka, haramonîka ‘toetsinstrument’; Menadonees harmonik ‘toetsinstrument’; Ternataans-Maleis harmonik ‘toetsinstrument’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

harmonica toetsinstrument 1824 [WEI] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal