Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

harig - (mistig)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

harig* [mistig] {1897} van haar [scherpe, droge wind], middelnederlands hare, van haren1; de betekenisontwikkeling liep van ‘droog van de wind’, via ‘onhelder’ naar ‘nevelig’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2016), Addenda

harrig ‘schraal, ruw, guur (weer)’, afgeleid van Wvl. harie ‘droge koude wind, schraal voorjaarsweer’, Middelnederlands hare ‘scherpe wind, doordringende koude’. In WEW ten onrechte teruggebracht tot de betekenis ‘helder’ > ‘wit, heldere hemel > koud weer’. Het woord gaat evenwel (ZEW) terug op een grondbetekenis ‘scherp’; zoals in Ohd. haru, harawêr, Mhd. harewe, harwe, hare, har, her(e), Duits herb ‘scherp’ uit Germaans harwa < Indo-Germaans *(s)ker ‘snijden’. We herkennen de betekenisn ook in Ndl. haren ‘scherpen (van een zeis)’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

harrig bn.: schraal (weer). Ook Brugs harrig ‘ruw, schraal, guur’ (weer, wind). Afl. van Mnl. hare ‘scherpe wind, koude schrale wind, doordringende koude’, Vnnl. haere ‘rijp, bijtende wind, scherpe kou, vorst’ (Kiliaan). Wvl. harie, herrie ‘droge koude wind (voorjaar), schraal voorjaarsweer’. Het woord gaat op een grondbetekenis ‘scherp’ terug, zoals in Ohd. haru, harawêr, Mhd. harewe, harwe, hare, har, here, her, D. herb ‘scherp’ < Germ. harwa < Idg. *(s)ker ‘snijden’. Het WVD I, 1, 19 vermeldt het woord met de bet. ‘onvruchtbaar, schraal, droog’, maar zonder de (inderdaad niet uitgesproken) h, Wvl.: arachtig, ariachtig, arieslecht, arrig, errig, ariegrond ‘onvruchtbare grond’. Ook het Zeeuwse supplement (Fraanje) spelt arrig.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

harrig (B), bn.: ruw, schraal, guur (van wind, weer). Afl. van harie, zie i.v.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal