Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haren - (een zeis scherpen)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Etymologie: haar

haar bn. ‘scherp’, dial. ‘droog, schraal’; zn. ‘snede van een zeis’
haren ww. ‘scherp maken’
Mnl. haren ‘scherpen’ (1343-1346), Nnl. aanharen (1811), haren ‘scherpen, uitkloppen van de snede van de zeis’ (1869). In overdrachtelijke zin Mnl. haeren ‘guur weer zijn’ (ca. 1410), Nnl. haeren ‘verdorrend of verzengend waaien’ (1588), verhaeren ‘door kou of hitte verzengd worden, door schraalheid openspringen (van de huid of lippen)’ (1534), hairen ‘branden (in de keel)’ (1805), afl. haring (1573) ‘rijp, rijm’.
Mnl. hare ‘scherpe, koude wind’ (1350–1420), Nnl. haere ‘verdorrende nachtvorst, scherpe wind’ (1588), dial. hare ‘droogte’ (Overijssel), harig ‘pijnlijk’ (NO-Nl.), har(r)ie ‘droge, koude wind’ (West-Vlaanderen). Nnl. dial. haar ‘snede van de zeis’ (Voerstreek).
Verwante vormen: Mnd. haren ‘scherp zijn; scherp zijn (van de wind)’, herwen ‘bitter maken’, Mhd. har, herwe ‘scherp, bitter’, Mohd. herb, Ripuarische en Moezelfrankische dialecten Har ‘snede (van zeis e.d.); haarhamer voor het scherpen van de zeis’; MoWFri. harch ‘dor, weinig opbrengend’ (van grond), OE (ge)hyrwan, gehierwan ‘bespotten, verachten’.
Voor het Proto-Germaans kunnen we een bn. *harwa- ‘scherp’ en een afgeleid ww. *harwjan ‘scherpen’ reconstrueren. Van het bn. is het vrouwelijke zn. *harwō(n)- afgeleid dat we in Mnl. hare vinden. Voor de ontwikkeling van wa-adjectieven in het Nl. vergelijk ook gaar uit *garwa-. De verdere etymologie van *harwa- is onzeker. Puur formeel kan het op een Indo-Europees bn. *kor-u- of *kor-wo- teruggaan. Dat kan een afleiding met de betekenis ‘snijdend, scherp’ zijn van het werkwoord *(s)ker- ‘scheren, snijden’ (zie scheren), waarvan vaak woorden voor ‘huid’, ‘leer’ en ‘bast’ afkomstig zijn, zoals Lat. corium ‘huid’, Russisch korá ‘bast’ en Oudperzisch carman- ‘huid, leer’.
N.B.: Nnl. haarscherp ‘zeer scherp, vlijmscherp’ (1863: in dezelfde hand hield hij een haarscherpen langen dolk) wordt terecht door het WNT als samenstelling met haar ‘hoofdhaar’ gezien. Het moet qua betekenisopbouw worden opgevat als ‘met een snede zo dun als een haar’ (dus niet: ‘zo scherp als een haar’), vergelijk haarzuiver (1903) ‘zuiver tot op het kleinste haartje’ (niet: ‘zo zuiver als een haar’). Haarscherp kan niet ‘zo scherp als de snede van een zeis’ betekenen (vgl. vlijmscherp [1869] ‘zo scherp als een vlijm’), omdat het zn. haar ‘snede van de zeis’ bijna nergens bekend was.
[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 01-12-2016]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haren1* [een zeis scherpen] {1343-1346} fries harje, verwant met hoogduits herb [scherp].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haren ww. ‘scherpen van de zeis’, mnl. hāren ‘scherp zijn of maken’, mnd. hāren, nd. md. dial. hearen, harwen, harfen, herwen, herben (Nassau), heerwe (Keulen), fri. heare ‘prikkelen in de keel’, ne. dial. haar ‘hees spreken’. — Het ww. behoort bij haar 3.

Dit woord is alleen nnl. nnd. in de betekenis van ‘de zeis scherpen’; voor het verbreidingsgebied in Duitsland zie de kaart bij Mitzka, Hess Bl. f. Volksk. 49-50, 1958,
151-155.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haren (scherpen), mnl. hāren “scherp zijn, scherp maken” = mnd. hāren “id.”, fri. heare “prikkelen in de keel” (in dezelfde bet. Zaansch wfri. haren), eng. dial. to haar “heesch spreken”. Vgl. mnl. hāre v. “scherpe, doordringende wind”. Aan deze woorden ligt een bnw. *χarwa- “scherp” ten grondslag: vgl. mhd. hare, har, here, her (nhd. herb) “bijtend, scherp”, mnd. herwen “scherp maken”. Voor het formeele vgl. gaar. Wsch. van den bij scheren besproken wortel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

haren (scherpen). Mnd. hāre (v.?) ‘scherpe wind’ is niet betrouwbaar overgeleverd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haren o.w. (scherpen), + Ndd. id., van zelfst.nw. har = scherpte, verwant met Hgd. herb = bitter, en Eng. harm, Ags. hearm, Os. harm = pijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

haarden ww.: haren, scherpen (van een zeis). Met d-epenthesis uit haren, vermoedelijk beïnvloed door de verleden tijd haarde.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

aere(n) pijn doen, gez. van tanden (Zuid-Beveland). = nholl. haren ‘scherp aanvoelen’, = nl. haren gez. van een zeis = mhgd. herwen ‘ergeren’, oeng. hierwan ‘bespotten’. Transpositie van een heterofoon van ohgd. haru ‘scherp’ en hgd. herb ‘scherp’. Vgl. voor het consonantisme: nl. geel, mnl. geluw en hgd. gelb ‘geel’. Misschien van de proto-indo-europese basis die ook in gr. keirō ‘snijden’ en nl. scheren aanwezig is.
Ghijsen 9, Boekenoogen 295, NEW 229, 237.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haren* een zeis scherpen 1343-1346 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑ē(i)- : k̑ō(i)- : k̑ǝ(i)- ‘schärfen, wetzen’, wohl Weiterbildung von ak̑- ‘scharf’ (S. 18 ff.), k̑ē-no- : k̑ō-no- ‘Wetzstein’; k̑ǝi-ni- ds.; k̑ǝ-to- ‘geschärft’

Ai. śi-śā-ti (śi-śī-tē), śy-áti ‘schärft, wetzt’, Partiz. śitá- ‘gewetzt, scharf’ (= lat. catus, air. cath), śāta- ds., śāṇa- m. (mit mind. für n) ‘Wetz-, Probierstein’ (= npers. san ‘Wetzstein’); vielleicht auch ai. śilā́ ‘Stein, Fels’ (*k̑ǝ-lā);
av. saēni- ‘Spitze, Wipfel, spitz’ (npers. sāyaδ ‘reibt’) = anord. hein;
arm. sur ‘scharf’ (*k̑ō-ro-), srem ‘schärfe’, sur, Gen. sroy, Schwert, Messer’, sair ‘Schneide’ (*k̑e-ri-), Kompos. sairadir ‘Schneide’, davon *sardrem, sadrem ‘reize, treibe an’; vielleicht auch sal, Gen. sali ‘Steinplatte, Amboß’ (*k̑ǝ-li-, vgl. oben ai. śilā́);
gr. κῶνος m. ‘Kegel, Pinienzapfen, Helmspitze, Kreisel’ (= ai. śāṇa-), davon κώνειον ‘Schierlingskraut’ (nach den Blättern);
lat. catus (nach Varro sabinisch) ‘acutus, scharfsinnig’ (= ai. śi-ta-, air. cath); cos, cotis ‘Wetzstein’, auch cotes, cautes f. Pl. ‘spitzer Fels, Riff’ (das -au- Hyperurbanismus); catanus ‘Zedernwacholder’ ist vielleicht gall. Lw.;
air. cath ‘weise’ (= lat. catus, ai. śi-tá-);
aisl. hein f. ‘Wetzstein’, ags. hān ‘Grenzstein’, engl. hone ‘Wetzstein’ (*k̑ǝi-n- : av. saēni-); mhd. hār ‘Werkzeug zum Schärfen der Sense’ (*k̑ē-r-), mnd. haren ‘schärfen, scharf sein’.

WP. I 454 f., WH. I 181, 183 f., 190 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal