Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

happen - (grijpen met de mond)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

happen ww. ‘grijpen met de mond’
Vnnl. happen ‘grijpen, vastgrijpen’ [1588; Kil.], ‘grijpen met de mond’ [1618; WNT].
Herkomst onduidelijk. Wrsch. een woord dat het geluid van dichtklappende kaak nabootst. Ontlening aan Frans happer ‘grijpen’ [eind 12e eeuw; Rey], dat veel ouder is dan alle genoemde Germaanse woorden, is ook mogelijk, hoewel men dan happeren zou verwachten (dat in het mnl. inderdaad eenmaal gevonden is met betekenis ‘roven’ [1460-80; MNW-P]). Voor het Franse woord bestaat echter evenmin een betere etymologie dan die van klanknabootsing. Verband met Latijn capere ‘grijpen, pakken’ is niet wrsch., zie daarvoor → hebben.
Alleen nnd. happen ‘happen’; nhd. Happe (zn.) ‘hap’ [18e eeuw; Pfeifer]. Niet duidelijk is of deze woorden onafhankelijk zijn gevormd, of dat er sprake is van ontlening. Zie ook enkele Scandinavische vormen bij → haperen, dat vermoedelijk van happen is afgeleid.
hap zn. ‘daad van het happen; afgehapt stuk, deel’; (NN) ‘afdeling van het leger’. Nnl. met eenen hap [1769; WNT], hap ‘afdeling van het leger’ [voor 1950; Verhoeff 1995]. Afleiding van happen. Mnl. een happe ‘hakbijl, snoeimes’ [1228-1349; MNW] hoort hier wrsch. niet bij, maar moet eerder in verband gebracht worden met → heep. Waar het NN spraakgebruik voor ‘legerafdeling’ vandaan komt (zoals in de slappe hap ‘legeronderdeel met minder strenge discipline; degenen met de makkelijke baantjes’, de ouwe hap ‘langst dienende legeronderdeel’) is onduidelijk. Wrsch. moet men denken aan de betekenis ‘deel’, waaruit dan ‘legeronderdeel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

happen* [bijten] {1588} vgl. nederduits happen, fries happe; vermoedelijk jonge klanknabootsende vorming.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

happen ww., eerst nnl. bij Kiliaen happen ‘pakken’, nnd. happen (> nhd. happen), fri. happe ‘happen’. — Het late voorkomen op een zo beperkt gebied verbiedt aansluiting aan het idg. te zoeken. Eerder is te denken aan een klanknabootsende formatie: het woord hap bootst het openen en het weer sluiten van de mond na, wanneer men eet. — Zie ook: haperen.

Het fra. happer ‘wegsnappen’ heeft men uit het nl. willen afleiden (Valkhoff 160), maar het komt reeds in de 12de eeuw voor en wij hebben geen zekerheid dat het woord reeds in het mnl. bestond. — Men verbindt ook wel met gr. káptō ‘happen, slikken’ en neemt dan affectieve geminatie in het germ. aan (IEW 528), maar men zal eerder mogen denken, dat hier geheel onafhankelijke, hoewel gelijksoortige formaties naast elkaar staan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

happen ww., eerst nnl. Kil. happen “pakken” is wsch. ’t zelfde woord. = ndd. happen (waaruit nhd. happen), fri. happe “happen”. Voor mogelijke ngerm. verwanten zie haperen. Het fr. ww. happer “happen, opsnappen” (ook “aankleven”), dat reeds vroeg voorkomt en in het Mnl. als happéren “rooven” ontleend is, komt zelf weer van het du.-ndl. happen. Oorsprong onzeker. Als de oudste bet. “pakken” is, kan hebben verwant zijn, de grondvorm is dan idg. *qap-nô. Is de bet. “gapen, den mond openen” de oudste, vgl. dan gr. kaptō “ik slik in”, lekaphēṓs “uitgeput, zieltogend”: idg. *qabh-nô (of ḱ?). Verwantschap met lit. kabė̃ “haak” enz. (zie haperen en haspel) is niet wsch., aangezien voor deze balt. basis vermoedelijk een grondbet. “vastzitten, vastmaken, ophangen” moet worden aangenomen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

happen. Zeer voor de hand ligt de oude verklaring als onomatopoëtische vorming: vgl. de interj. hap. Fr. happer, dat veel vroeger voorkomt dan ndl. happen, kan op soortgelijke wijze, onafhankelijk van het ndl. woord, zijn ontstaan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

happen o.w., + Ndd. en Hgd. happen: oorspr. onbek., wellicht onomat.; hieruit Fr. happer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

happen ‘bijten; (verouderd) schielijk grijpen’ -> Engels † hap ‘grijpen’ <via Frans>; Frans happer ‘bruusk iets grijpen’; Papiaments hap ‘bijten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

happen* bijten 1588 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kap- ‘fassen’, (Varianten s. am Schlusse); vielfach in Worten für Gefäße, kap-no-s ‘Hafen’; kap-to-s ‘gefangen’.

Ai. kapaṭī ‘zwei Handvoll’ ( mind. für t), apers. ἡ καπίθη ‘δύο χοίνικες’; mit idg. e npers. časpīdan, čapsīdan, cafsīdan ‘greifen, packen’;
gr. καπέτις ‘ein Hohlmaß’, κάπη ‘Krippe’, καπά̄νη ds., thess. ‘der Wagenkasten’, κάπτω ‘schnappe, schlucke’, κώπη ‘Griff’;
alb. kap ‘ergreife, fasse’, kapasë ‘Ölgefäß’, kam ‘habeo’ (*kapmi oder *kab(h)mi- zur Wurzelf. *kabh- zu nhd. haben);
lat. capiō, -ere, cēpī, captus ‘nehmen’, au-ceps, -cupāre ‘Vogelfanger, Vögel fangen’, parti-ceps ‘teilnehmend’, capāx ‘fassungsfähig, tauglich’, capēdo, -inis ‘einfaches tönernes Gefäß im Opfergebrauch; Trinkgefäß’, capulus ‘Bahre, später Sarg’ und ‘Griff, Handhabe’, capula ‘Schöpfgefäß’ (capulāre ‘von einem Gefäß ins andere schöpfen’), caputrum ‘Schlinge zum Fassen eines Gegenstandes; bes. Halfter’ (aber capis, -idis ‘Henkelschale’, umbr. kapiře ‘capide’, osk. καπιδιτομ ‘ollarium’ vielleicht aus gr. σκαφίς mit s-Abfall in allen drei ital. Sprachen; sicher ist capisterium Lw. aus σκαφιστήριον); capsa ‘Behältnis, Kapsel, Kasten’, capsus ‘der Wagenkasten; Käfig für wilde Tiere’ (daraus gr. κάψα, κάμψα);
lat. captus, -a = air. cacht ‘Dienerin, Sklavin’, cymr. caeth ‘Sklave’, acorn. caid ‘captivus’, nbret. keaz ‘unglücklich, arm’, gall. Moeni-captus ‘Sklave des Mains’, mir. cachtaim ‘nehme gefangen’ = lat. captāre ‘zu ergreifen suchen’ (zufällig auch = asächs. haftōn ‘haften’); ir. cúan (*kapno-) ‘(See-)Hafen’;
got. -hafts (= lat. captus, ir. cacht) ‘behaftet mit’, anord. haptr ‘captus’, hapt n. ‘Fessel’, ags. hæft m. ‘Gefangener, Sklave, Band, Fessel’, n. ‘Heft, Griff’, as. haft ‘vinctus’, ahd. haft ‘gebunden, gefangen, behaftet mit’, m. n. ‘Haft, Fessel’, wovon anord. hefti n. ‘Heft, Handhabe’, ahd. hefti n. ‘Heft, Griff’ und got. haftjan ‘befestigen’, anord. hefta ‘binden, hindern’, ags. hæftan, as. heftan, ahd. heften ‘binden, verhaften’; nhd. haschen (*hafskōn) = schwed. dial. haska ‘nachlaufen, um einzuholen’;
got. hafjan (= lat. capiō) ‘heben’, anord. hefja (hafða), as. hebbian, ags. hebban, ahd. heffen, heven, mhd. nhd. heben (schweiz. nur ‘halten’); dazu (vgl. zur Form lat. habēre) got. haban, -aida ‘halten, haben’, anord. hafa (hafða), as. hebbian, ags. habban, ahd. habēn ‘haben’;
anord. -haf n. ‘Hebung’, ags. hæf n., mnd. haf ‘Meer’ (ndd. Haff), mhd. hap, -bes ‘Меег, Hafen’; anord. hǫfn f. ‘Hafen (portus)’, ags. hæfen(e) f., mnd. havene, mhd. habene f. ds. (nhd. Hafen aus dem Ndd.; vgl. ir. cuan); ahd. havan m. ‘Topf, Küchengeschirr’, nhd. Hafen; anord. hǫfugr, ags. hefig, as. heƀig, ahd. hebīc, -g ‘schwer’ (eigentlich ‘etwas enthaltend’); ags.hefe, hæfe m., ahd. heve, hepfo, nhd. Hefe (‘was den Teig hebt’); isl. norw. dial. havald n. ‘Band’, ags. hefeld, mnd. hevelte (*hafaðla-; ahd. haba, nhd. Handhabe;
anord. hāfr m. ‘Fischhamen, Reuse’ (ē wie in lat. cēpī);
anord. hōf n. ‘das rechte Maß oder Verhältnis’, hø̄fa ‘zielen, passen, sich schicken’, got. gahōbains ‘Enthaltsamkeit’, ags. behōfian ‘bedürfen’, ahd. bihuobida ‘praesumtio’, mhd. behuof m. ‘Geschäft, Zweck, Vorteil’, nhd. Behuf;
[anord. haukr (*hǫƀukr), ags. heafoc ‘Habicht’ (daraus mcymr. hebawc, und aus diesem air. sebocc ‘Falke’), as. haƀuk- in EN, ahd. habuh ‘Habicht’ aus germ. *haƀuka- (finn. Lw. havukka), sind wohl besser mit russ. (usw.) kóbec, poln. kobuz ‘Namen von Falkenarten’ zu vergleichen;]
mit der Bed. von gr. κάπτω und germ. pp als intens. Kons.-Gemination (auf Grund der Wurzelf. auf p oder bh oder b) nhd. (eigentlich ndd.) happen, hapsen ‘verschlingen’. holl. happen ‘schnappen’ u. dgl.;
lit. kúopa 1. ‘Schar, Abteilung’, 2. ‘Lösegeld für gepfändetes Vieh’ (= gr. κώπη); lett. kàmpju, kàmpt ‘ergreifen, fassen’;
über den Troernamen Κάπυς, lat. capys, capus ‘Falke’ (illyr.?) s. Bonfante REtIE 2, 113.
Der Vokalismus ist fast durchaus a, auch in ai. kapaṭī (das als isoliertes Wort nicht wohl a als Entgleisung für i = ǝ haben kann); daneben vereinzeltes ē (cēpi, hāfr) und ō (κώnη, lit. kúopa, vermutlich auch germ. hōf-), die kaum als Normalstufen (ē: ō: ǝ) einzureihen sind (Konstatierung bei Reichelt KZ. 46, 339). Dasselbe Vokalverhältnis zwischen osk. hafiest : hipid, lit. gabénti : Prät. atgė́bau, got. gabei : anord. gǣfr; hinsichtlich des Konsonantismus zeigt sich im Wurzelanl. und -auslaut Schwanken zwischen Tenuis, Media, Media asp., was aus Nachahmung des Schnapplautes (kap, ghap, ghabh usw.) und Nachahmung des raschen Zugreifens durch diesen Laut (‘schnapp’) zu erklären ist. Darüber ausführlich Collitz Prät. 85 ff., K. H. Meyer IF. 35, 224-237; s. auch oben S. 407ff.; anders EM3 173.

WP. I 342 ff., WH. I 159 f., 169.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal