Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hamburger - ((broodje) gehakt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

-burger zn. ‘(broodje) gehakt’
Nnl. hamburger “warm broodje met gehakt” [1938; Sanders 1995].
Als een soort achtervoegsel fungeert -burger in de namen van een aantal moderne gerechten (cheeseburger, fishburger enz.), die meestal uit het Amerikaans-Engels zijn overgenomen. Model hiervoor stond Amerikaans-Engels hamburger, genoemd naar de Duitse stad Hamburg. Hamburger is een Duitse afleiding met achtervoegsel -er < pgm. *-warja- (zie → -aar), dat dient ter benoeming van inwoners van een stad of land. Van origine is dit een Duitse genitief meervoud: ‘van de Hamburgers’; zie ook → burger.
Oorspr. was de hamburger een Hamburger Beefsteak, of gebraden gehakte biefstuk met een spiegelei erbovenop. Naderhand ging het woord een gehaktgerecht aanduiden, en nog later het broodje met het gehakt ertussen. Vanaf het moment dat het eerste element als ham ‘vlees’ (zie → ham 1) geïnterpreteerd werd, konden analoge constructies als cheeseburger ‘hamburger met kaasplak’ [1989; Koenen/Smits 1992] en fishburger ‘broodje gefileerde, gepaneerde vis’ ontstaan. Ook vernederlandste vormen komen voor: uiburger [1978; Reinsma 1984], visburger [1983; Reinsma 1984] enz.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hamburger [broodje met gehakt] {1938} < engels hamburger, genoemd naar de stad Hamburg. Het 2e lid -burger werd vervolgens gebruikt voor de vorming van bv. cheeseburger, beefburger, omdat de Engelsen in het 1e lid ham zagen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

hamburger s.nw.
Broodrolletjie gevul met 'n maalvleiskoekie.
Uit Eng. hamburger (1889).
Die maalvleiskoekie is vernoem na die stad Hamburg, mntl. omdat dit die eerste keer daar gemaak is.
Fr. hamburger, Ndl. hamburger (1938).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hamburger (Engels hamburger)

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

hamburger (1938, uit het Engels) plat, gebraden stuk gehakt

Hoog in het noorden van Duitsland, op het punt waar de Elbe zich van een rivier tot een bescheiden zeearm verbreedt, ligt de agglomeratie Hamburg. Deze belangrijke havenstad is een van de zelfstandige Länder van de Bondsrepubliek en telt meer dan anderhalf miljoen inwoners.
Halverwege de 19de eeuw namen emigranten uit Hamburg een vleesgerecht mee naar de Verenigde Staten dat daar mettertijd zou uitgroeien tot de populairste snelle hap aller tijden. Omstreeks 1884 noemde men dit vleesgerecht Hamburg steak. Niet lang daarna sprak men van Hamburger steak, wat rond de eeuwwisseling werd ingekort tot hamburger.
De grootste propagandist die dit gebraden stuk gehakt ooit heeft gehad was de Amerikaanse voedselhervormer J.H. Salisbury (1823-1905). Naar hem werd de hamburger omstreeks 1897 salisbury steak genoemd, een naam die je nog wel eens ziet opduiken in restaurants die zich te chic voelen om een hamburger te serveren.
De hamburger werd aanvankelijk zonder brood geserveerd. Het kadetje kwam er — zo meldt de Amerikaanse literatuur — omstreeks 1912 bij. In het begin van de jaren dertig verdrong de hamburger in de Verenigde Staten de hot dog als populairste snelle hap. Vanaf dat moment was de opmars van de hamburger niet meer te stoppen. Men zag het woord abusievelijk aan voor een samenstelling van ham en burger, hoewel er geen ham aan te pas kwam. Burger werd nu een achtervoegsel voor allerlei gerechten, zoals de cheeseburger en de whimpeyburger. Laatstgenoemde dankt zijn naam aan Wimpie, een personage uit de Popeye-strip.
In Nederlandse woordenboeken is de hamburger voor het eerst aangetroffen in 1938, maar de opkomst van dit gerecht dateert van na de Tweede Wereldoorlog.

Engels Hamburger steak (1884); Duits Hamburger; Frans hamburger (1930).

WNT V (1900) 1730; Wagenaar Ency. voedings- en genotmiddelen (1938) 392; Mencken Am. Lang. Suppl. I (1945) 427-428; Flexner I hear America talking (1976) 183-184; Rey-Debove Dict. des anglic. (19902) 376; Merriam-Webster new book of word hist. (1991) 211; OED (19932).

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

hamburger [*hembu:hguh] geroosterd broodje met daartussen een plat, op een hete plaat gebakken gekruid tartaartje, en gegarneerd met gebakken uitjes en/of relish, maar ook wel met een mengsel van dille en zure room, of nog anders. Dat is zoals het hoort, althans. In de grauwe Nederlandse werkelijkheid is een hamburger meestal een klef broodje met een onduidelijk plakje gefrituurd (!) gehakt en dikke klodders ketchup en frietsaus. Oorspr.: op de emigrantenschepen van Duitsland naar Amerika rond 1850 werd een befaamd soort gezouten en soms licht gerookt rundvlees gebruikt, dat Hamburger rundvlees heette. Dat gebeurde omdat het, gezouten als het was, niet snel bedierf. Het was echter ook hard, en dus werd het gemalen en soms uit zuinigheid vermengd met broodkruim en gehakte uien. Vooral bij de joodse emigranten van die tijd werd het zo populair dat zij er eenmaal in de Verenigde Staten mee doorgingen ‘Hamburgse biefstuk’ te maken, maar nu van vers vlees. Daaruit ontstond de hamburger zoals we die nu kennen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hamburger broodje met gehakt 1938 [Sanders 1995] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal