Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ham - (aangeslibd land)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ham 2 zn. ‘aangeslibd land’
Onl. ham wrsch. ‘hoek, bocht, landtong’ in de toponiemen Hamma ‘Ham (Oost-Vlaanderen)’ nu alleen nog een straatnaam in Gent [694; Gysseling 1960], Ham (onbekende plaats in omgeving Wijk bij Duurstede, Utrecht) [918-48, kopie eind 11e eeuw; Künzel]; mnl. hamme ‘buitendijkse stuk land, bijv. in een bocht van een rivier’ [1369; MNW].
Mnd. ham ‘omgrensd stuk land’ (nnd. Hamme); ofri. als plaatsnaam Hem ‘hoek, land, landtong’ [ca. 890; Künzel], hem ‘dorp’ (nfri. him); oe. hamm, homm ‘omheind landstuk’, ook in plaatsnamen: Hamme ‘land in bocht van rivier’. Hiernaast wrsch. ook de werkwoorden mhd. hemmen, hamen ‘ophouden, hinderen’; ofri. hemma ‘hinderen’; oe. hemman ‘hinderen, afsluiten’ (ne. hamper); on. hemja ‘beteugelen, tegenhouden’ (nzw. hämma); < pgm. *hamjan-. Zie ook → hamel ‘gecastreerde ram’.
Wrsch. verwant met: Lets kams ‘klomp’; Litouws kamuoti ‘kwellen, plagen’; Russisch kom ‘klomp’; Armeens kamel ‘persen, wringen’; < pie. *kem- ‘samendrukken, persen, hinderen’ (IEW 555).
Ham is behalve in toponiemen alleen nog bekend in de samenstelling → inham en verder in enkele dialecten (vooral Zuid-Nederlands en Oost-Gelders) met de betekenis ‘(aan het water gelegen) weiland’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ham2* [aangeslibd land] {in de plaatsnaam Hamma, nu Ham (O.-Vl.) <694>, hamme 1369} variant van hem1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ham 2 znw. m. ‘hoek aangeslibd land; met wilgen begroeide waard, stuk in of aan een water gelegen weiland’, mnl. hamme, ham, mnd. ham ‘omheind stuk land’, nnd. hamme ‘omheind veld’, oe. hamm ‘omheind landstuk’ (vgl. ook oe. hemm, hem ‘zoom, rand’). — De grondbetekenis van ‘omheinen, afsluiten’ komt ook uit in het ww. ofrank. chamian ‘klemmen, drukken’, mhd. hemmen, hamen ‘ophouden, hinderen’, ofri. hemma ‘hinderen’, on. hemja ‘beteugelen, tegenhouden’. — Idg. wt. *kem ‘samendrukken’, vgl. arm. kamel ‘persen, wringen’, lett. kams ‘klomp’, kamuot ‘kwellen, plagen’, russ. kom ‘klomp’ (IEW 555); zie ook: hamel. — > fra. hameau ‘gehucht’ (sedert de 13de eeuw, zie Valkhoff 159).

Voor hamm in eng. plaatsnamen, in de bet. ‘landstuk in een rivierbocht; uitstekend stuk land; weide langs een rivier; droog stuk grond in een moeras’ vgl. M. Gelling, NB 48, 1960, 140-162).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ham 5 m. (bochtkromming in een oever- of kustlijn, inham, uitham, buitendijksche aanwas, weide, stuk land, streek), Mnl. ham + Ndd. en Hgd. en dial. Eng. ham: van denz. wrt. ham als 1. ham.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

ham 'aangeslibd land gelegen in een bocht van een waterloop'
Het toponymisch grondwoord onl. ham(me), ofri. hem(me) 'aangeslibd land gelegen in een bocht van een waterloop, hoek land, landtong', mnl. ham 'bocht, buiging, ook inham' en 'afgeperkt of omheind land' komt op vele plaatsen voor en dat reeds in vroege tijd. De grondbetekenis is 'omheining, afsluiting', vergelijk mnl. hemmen, hamen 'ophouden, hinderen', ofri. hemma 'hinderen', nfri. hem 'binnenpolder omringd door dijken', oe. hemman 'hinderen, afsluiten', oe. hamm 'omheind stuk land' en ono. hemja 'beteugelen, tegenhouden'. In de kustgebieden is hem vaak moeilijk te scheiden van heem 'woonplaats, woning'.
Oudste attestaties in plaatsnamen: ca. 890 kopie ca. 1000 Hem (ligging onbekend, Westergo, Fr)1, 918-948 kopie 11e eeuw Fengrimahusonham of Ham (ligging onbekend, bij Wijk bij Duurstede, U)2.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 174, 2Idem 163.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ham ‘aangeslibd land, stuk land’ -> Engels hamlet ‘klein dorp’ <via Frans>; Frans dialect han ‘stal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ham* aangeslibd land 0694 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kem-1 ‘zusammendrücken, -pressen, hindern’, komo- ‘Eingeengtes’

Arm. k’amel ‘to press, squeeze, wring; to filter, make flow’;
anord. hemja (hamda) ‘zügeln, hemen’, hemill ‘Beinfessel’, hamla f. ‘Ruderband’, mhd. hemmen und hamen ‘aufhalten, hindern, hemmen’, sal-fränk. chamian ‘klemmen, drücken’, afries. hemma ‘hindern’, nhd. dial. ham, hamen ‘Kummet’ (vgl. das vielleicht aus einem got. *hamands ‘hemmend’ entlehnte slav. *chomǫtъ, russ. usw. chomútъ ‘Kummet’); mnd. ham, ags. hamm ‘eingefriedigtes Stück Land’, ndd. hamme ‘umzäuntes Feld’, ags. engl. hem(m) ‘Rand, Saum’, engl. to hem (in) ‘einfassen, umgeben’;
anord. hafna ‘aufgeben, ablassen von’ (‘*gehemmt sein’), faktitiv hefna ‘rächen’; mit Labial mengl. hamperen, engl. to hamper ‘hindern, belästigen’ (: apr. kūmpinna ‘hindert’, kumpint ‘verrücken’);
bsl. *kama- m. ‘Klumpen’ in lett. kams m. ‘Klumpen’, dazu lit. kamúoti ‘zusamenpressen, stopfen’, kãmanos ‘lederner Zaum’, kẽmuras ‘Traube’, kamíenas m. ‘Stamm’, lett. kamuot ‘quälen, plagen’, lit. kamuolỹs, lett. kamuolis ‘Knäuel’; ablaut. lett. cęmu(o)rs m. ‘Traube’, erweitert lit. kemšù, kim̃šti ‘stopfen’, lett. ḱemsu, ḱimst (lit. Lw.) ‘ds.’, auch ‘fressen’, lit. kamšà ‘Dam’;
russ. kom ‘Klumpen’, komítь ‘zusamenballen’, serb. kȍm ‘Weintreber’ (‘was von den gepreßten Trauben bleibt’); dazu russ. kómelь m. ‘dickes Ende eines Balkens’, poln. komel m. ‘Knorren’ (*kamli̯a-), russ. komúlja f. ‘Klumpen’, serb. kȍmina f. ‘Weintreber’; im Ablaut slav. *kъmy, Gen. *kъmene m. in čech. kmen ‘Stamm’; als ‘gedrückt sein’ vermutlich auch slav. *čьma in serb. čáma ‘Langeweile’, čȁmati ‘mit Verdruß warten’; aksl. čęstъ ‘dicht’ (= lit. kim̃štas ‘gestopft’).
Unsicher ist Perssons (Beitr. 159) Anreihung von gr. κώμῡς, -ῡθος ‘Bündel; Stelle, wo das Rohr mit den Wurzeln dicht verwachsen steht’ (‘*Geballtes, Klumpen’), κῶμος ‘Schwarm, Festgelage und lärmender Umzug, Festaufzug zu Ehren des Dionysios’; gr. κημός (*kāmos wegen lat. Lw. cāmus) ‘Maulkorb’ ist im Vokalismus nicht vereinbar.

WP. I 388 f., Trautmann 115, 126.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal