Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ham - (achterbout van varken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ham 1 zn. ‘vlees van de varkensbil of -dij’
Mnl. hame ‘knieholte’ [1265-70; CG II, Lut.K], hame ‘knie, schoot’ in nam tkint tusschen sijn beene ende decket tusschen sine hame ‘nam het kind tussen zijn benen en verborg het tussen zijn knieën’ [1340-60; MNW-R], hammen (mv.) ‘achterschenkel van varkens’ [1343-45; MNW], ‘dierenbillen’ [14e eeuw; MNW].
Mnd. hamme, hame; ohd. hamma ‘achterschenkel, knieschijf’ (nhd. Hamme); oe. homm ‘kniebocht, schenkel’ (ne. ham); on. höm ‘schenkel’; < pgm. *ham(m)- ‘kromming, gewricht’.
Verdere etymologie onbekend. Mogelijkheden zijn a) assimilatie van een oudere stam *hanma- en dan verwantschap met: Grieks knḗmē ‘scheenbeen’; Oudiers cnāim ‘been, knokkel’ (IEW 613). Of misschien b) verwantschap met Oudiers camb ‘krom’, bij de wortel pie. *(s)kemb- ‘krommen, buigen’ (IEW 918).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haam1* [knieboog voor paard] {hame, haem [achterschenkel] 1350} verwant met ham1.

ham1* [achterbout van varken] {hamme 1301-1400} oudhoogduits ham(m)a [achterschenkel, knieschijf], oudengels hamma [schenkel]; buiten het germ. latijn camur [(naar binnen) gebogen], oudiers camm [gebogen] (mogelijk) oudindisch kmarati [hij is gebogen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haam 3 znw. v. ‘knieboog, voorschoft van een paard’, mnl. hāme v. ‘achterschenkel, ham’. — Zie verder: ham 1.

ham 1 znw. v. ‘varkensschenkel, achterbout; kniekuil’, mnl. hamme v. ‘achterschenkel, ham’ naast hāme v., mnd. hamme, hame ‘achterschenkel, ham’, ohd. hamma ‘achterschenkel, kniebuiging, knieschijf’, hama ‘achterschenkel’, oe. homm (ne. ham) ‘kniebocht, schenkel’, on. hǫm ‘schenkel’.

Men pleegt te verbinden met oiers cnāim ‘been, knokkel’, gr. knḗmē ‘scheenbeen’ en gaat dus uit van een vorm *hanma- (IEW 613). De germ. bet. past daarbij echter slecht; men zou eerder verwachten een woord voor ‘buiging, gewelfd oppervlak’. Misschien eerder te verbinden met woorden als oiers camb ‘krom’, gr. skambós ‘krom, krombenig’ van een idg. wt. *(s)kamb, (s)kemb ‘krommen, buigen’, waarvoor zie: homp (IEW 918).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ham I (varkensschenkel), mnl. hamme v. “achterschenkel, ham”, laat-mnl. ook “kniebocht, knieschijf”, naast mnl. hāme v. “achterschenkel, ham”. = ohd. hamma v. “achterschenkel, kniebuiging, knieschijf” (nhd. hamme) naast hama v. “achterschenkel”, mnd. hamme naast hāme v. “achterschenkel, ham”, ags. homm v. “kniebocht, schenkel” (eng. ham), on. alleen hǫm (gen. hamar) v. “schenkel” Er zijn twee mogelijkheden: òf *χammô- en *χamô- zijn oorspr. niet verwant, *χammô- is dan uit *χanmô- ontstaan en staat in ablaut tot ier. cnâim “bot” en gr. knḗmē “scheen”, en *χamô- beteekent oorspr. “kromming, buiging”, òf de beide woorden zijn wel verwant, beteekenen beide “kromming” en komen van een wortel qam- “krom zijn”, waarvan ook ier. camm “krom” (*qam-b(h)o-; of *qampo-? Zie hieronder), lat. camur “gebogen, gewelfd”, gr. kmḗlethron “zoldering, dak, huis” (of dit laatste bij de woordgroep van haam?), oi. kmárati (niet uit teksten bekend) “hij is gebogen”, av. kamarâ- “gordel”, uit ’t Germ. wsch. nog hemel en mnl. hāme, ohd. hamo m. (nhd. hamen) “vischhaak” en mnl. ham m. “omheind stuk land, weide” (nog dial. = “weiland, gors, griend, sloot”, ook in eigennamen), hem m. “id.”, mnd. ham m. “door slooten ingesloten weiland in friesche streken”, ofri. hem (hemme? o.?) “afgesloten ruimte voor een tweegevecht” (misschien een heel ander woord), ags. hom (mm) m. “ingesloten stuk grond”. Voor de bet. vgl. lat. campus “veld”: gr. kámptō “ik buig” van een uit qam- verlengde basis, en lit. lankà “dal, weide”: leñkti “buigen”. Zie nog inham, hamel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ham 1 en dial. haam, hame v. de laatste twee vormen dial. (knieboog, achterschenkel, voorschoft), Mnl. hamme, hame + Ohd. hamma, hama (Mhd. en Nhd. hamme), Ags. hamm (Eng. ham), On. hǫm: Germ. wrt. ham + Lat. camurus = gekromd, Oier. camm = gebogen, Sp. cama = kniebuiging, Rom. *camba, gamba, Fr. jambe = been, jambon = ham: Idg. wrt. kam = hoekig zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

ham, zn.: arend van de zeis. Het woord heeft vermoedelijk dezelfde etymologie als ham varkensschenkel’ met grondbetekenis ‘iets wat gebogen is’, verwant met Lat. camurus ‘gebogen’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

haam II knieboog (West-Vlaanderen). ~ ham ‘achterschenkel’, ~ ham ↑ ‘arend van de zeis’.
De Bo 349.

ham arend van de zeis (Noord-Holland, Utrecht, Veluwe, Achterhoek, Noord-Limburg). = ham ‘varkensschenkel ‘. Van een wortel met grondbetekenis ‘iets gebogens’, zoals ook in lat. camurus ‘gebogen’.
TNZN krt. l, EW 161.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

hame (DB), zn. v.: knieholte. Mnl. hame ‘achterschenkel’, Vroegnnl. hame, hamme ‘poples (knieholte)’ (Kiliaan). Ohd., Mnd. hama ‘achterschenkel’, Oe. homm, E. ham ‘knieboog’. Vgl. Lat. camurus ‘gebogen’, Oudiers camm gebogen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ham ‘achterbout van varken’ -> Indonesisch ham ‘achterbout van varken’; Ambons-Maleis ham ‘achterbout van varken’; Kupang-Maleis ham ‘achterbout van varken’; Madoerees ēhham ‘soort varkensvlees’; Menadonees ham ‘achterbout van varken’; Ternataans-Maleis ham ‘achterbout van varken’; Japans hamu ‘achterbout van varken’; Negerhollands ham ‘achterbout van varken’; Papiaments ham ‘achterbout van varken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ham* achterbout van varken 1301-1400 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

konǝmo-, knāmo- oder kenǝmo- ‘Schienbein, Knochen’

Gr. κνήμη f. ‘Schienbein, Radspeiche’, κνημί̄ς, -ῖδος f. (äol. κνᾶμῐν Akk. κνά̄μιδες Nom. Pl.) ‘Beinschiene’;
air. cnāim ‘Bein, Knochen’ (ob gr. kelt. -nā- = idg. n̥̄, d. i. -enǝ-, oder = idg. -nā-, d. i. Vollstufe der 2. Silbe sei, ist unentschieden);
mit Vollstufe der 1. Silbe (kon[ǝ]mā) und Assim. von -nm- zu -mm- (daraus z. T. -m-):
ahd. hamma ‘Hinterschenkel, Kniekehle’, ags. hamm ‘Kniekehle’, aisl. hǫm f. ‘Schenkel (an Tieren)’.
Unsicher ist, ob die Bed. von hom. κνημός ‘Bergwald, bewachsener Berghang’ (‘*Wade des Berges’?) durch ndd. hamm ‘Bergwald’ als alt erwiesen wird, da letzteres vielleicht als umzäuntes Waldstück mit mnd. ham ‘eingefriedetes Stück Land’, ndd. hamme ‘umzäuntes Feld’ (s. kem- ‘zusammendrücken’) zu verbinden ist.

WP. I 460 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal