Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hagedis - (reptiel (geslacht Lacerta))

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Sallemanders!

In 1287 schreef de beroemde dichter en geleerde Jacob van Maerlant in zijn natuurencyclopedie Der naturen bloeme: “Salamandra es een maniere van serpenten die in den viere leven”, oftewel: een salamander is een soort kruipend dier dat in het vuur leeft. Maerlant is de eerste die in een Nederlandse tekst het woord salamander gebruikt. Het is een leenwoord uit het Latijn, dat het op zijn beurt heeft ontleend aan het Griekse salamandra.

Vreemd woord
In het Nederlands is het woord salamander altijd een vreemd, geleerd woord gebleven. Dat blijkt uit de spelling: je zou verwachten dat een dergelijk oud leenwoord in de loop van de tijd aan het Nederlands zou zijn aangepast tot iets als zallemander of zelmander. Vergelijkbare oude Latijnse leenwoorden als salmo en saccus zijn immers inmiddels veranderd in zalm en zak. Bij salamander heeft een dergelijke aanpassing niet plaatsgevonden, waarbij wellicht een rol heeft gespeeld dat de familie van salamanders aan het eind van de achttiende eeuw van Linnaeus de wetenschappelijke naam Salamandrae kreeg.
In de dialecten zijn andere inheemse benamingen in omloop. Die namen slaan op de inheemse bruin-zwarte watersalamander, die erg op een hagedis lijkt. Daarom werden en worden de namen van de salamander en de hagedis in de volksmond nogal eens door elkaar gehaald. In Brabantse en Limburgse dialecten worden voor de salamander dan ook hagedis en varianten als hekkefis, harredis, ekvis en ektis gebruikt. Het woord hagedis zelf is een volksetymologische verandering van een oudere naam: uit de Duitse benaming Eidechse en de oudste Nederlandse benamingen egedisse en egetisse, bekend sinds de dertiende eeuw, blijkt dat de h- later is toegevoegd, onder invloed van haag of heg: het dier wordt immers vaak in hagen en op muren aangetroffen.

Vuursalamander
Maerlant doelde in Der naturen bloeme op de vuursalamander of gevlekte landsalamander, een salamandersoort die tegenwoordig vooral nog in kleine delen van Limburg en België voorkomt. Hij had zijn biologische kennis van de vuursalamander uit klassieke bronnen. In de Klassieke Oudheid en de Middeleeuwen was het geloof wijdverbreid dat deze salamander in vuur in leven bleef. Deze bizarre misvatting was waarschijnlijk ingegeven door de opvallend geel-zwarte kleur van de salamander, waardoor het lijkt of hij in brand staat.
Doordat de salamander de vuurproef kon doorstaan, werd hij in de middeleeuwse alchemie het symbool van onsterfelijkheid en eeuwigheid. Zo werd het dier het zinnebeeld van de scheikunde. In 1680 verscheen in Amsterdam een chemisch handboek onder de titel De brandende salamander.
Toen het Franse bedrijf Caboche in de negentiende eeuw een geschikte naam zocht voor een kleine, zuinige, verplaatsbare kachel, lag ‘La salamandre’ voor de hand: als merkbeeld koos men voor een vuurspuwende salamander. Vanaf 1883 werden de ‘salamanderkachels’, vaak kortweg ‘salamanders’ genoemd, internationaal een groot succes, en de merknaam ontwikkelde zich tot een algemene benaming. De Franse kachelnaam is als leenwoord o.m. in het Engels, het Portugees, het Spaans en het Nederlands beland. Zo begint Harry Mulisch zijn roman De aanslag (1982), waarvan de openingsscène speelt in de winter van 1945, als volgt: “Het was avond, rond half acht. De salamander had een paar uur zacht gebrand op wat houtblokken, maar nu was hij weer koud.” Anno 2015 wordt er nog maar weinig met salamanderkachels gestookt, maar in de horeca is salamander nog volop in omloop als benaming van een professioneel verwarmingstoestel dat gebruikt wordt om brood te toasten en gerechten te verhitten of warm te houden.

Pockets
In 1934 werd door de Amsterdamse uitgever Querido de ‘Salamander’-reeks gestart, een serie goedkope heruitgaven van romans die tot 1996 zou worden voortgezet. Querido schreef in 1934 bij het verschijnen van de eerste zes deeltjes dat het zijn streven was “vele prachtige romans in herdruk te doen herleven en aan de vergetelheid te ontrukken”. De aan de salamander toegeschreven onsterfelijkheid was dus een motief voor de naamgeving van de reeks. De dierennaam was tevens een speelse echo van de in 1932 in Duitsland gestarte ‘Albatross’-pockets. Het idee om pocketreeksen naar dieren te noemen, vond internationaal navolging. In Engeland werd in 1935 de ‘Penguin’-reeks gestart, en in Nederland gaf de Haagse uitgeverij Bert Bakker/Daamen van 1954 tot 1972 de ‘Ooievaar’-pockets uit, en zijn vanaf 1955 tot op de dag van vandaag meer dan 3500 ‘Zwarte Beertjes’ verschenen.

Sallemanders!
Vanaf de negentiende eeuw wordt salamander ook als scheldwoord gebruikt. “Wel goddoome, jou vuile salamander, wil je je bek houe!”, lezen we in Herman Heijermans’ roman Kamertjeszonde (1898). Dit gebruik van de dierennaam heeft niets te maken met vuurbestendigheid of onsterfelijkheid: het scheldwoord is een bastaardvloek, gebaseerd op de toevallige klankovereenkomst met het minder kiese sodemieters.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2015), ‘Sallemanders!’, in: Onze Taal 4, 94]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hagedis zn. ‘reptiel (geslacht Lacerta)’
Mnl. egedisse ‘zeker reptiel’ [1240; Bern.], haghedisse [14e eeuw; Harl., 241]; vnnl. haghedisse [1574; Kil.], egdisse [1637; Statenbijbel, Leviticus 11:30].
Os. egithassa, ewidehsa; ohd. egidehsa (mhd. egedehse, nhd. Eidechse); oe. āðehe ‘hagedis, watersalamander’ (ne. dial. ask ‘watersalamander’); < pgm. *agwi-þehsō(n) of *-þahs(i)jō(n) (alleen West-Germaans). Verwantschap van het eerste lid met on. eyðla en eðla ‘hagedis’ (nzw. ödla) (Kluge) lijkt onwaarschijnlijk vanwege te groot klankverschil. Bij het tweede lid misschien mhd. dehse ‘spinklos’, vanwege het slanke uiterlijk van de hagedis.
Van deze samenstelling kan het eerste lid *agwi teruggaan op pie. *Hogwhi- ‘slang’ (IEW 43), waaruit: Latijn anguis ‘slang’; Grieks óphis ‘adder’; Sanskrit áhi- ‘slang’; en in het Nederland o.a.egel en → engerling. Het tweede lid *þahsjōn zou op pie. *tek-s- ‘lopen’ (IEW 1059) kunnen teruggaan.
Deze niet geheel bevredigende verklaring en de feiten dat de hagedis een inheemse diersoort is en dat het woord tot het West-Germaans beperkt blijft, kunnen ook wijzen op herkomst uit een voor-Indo-Europees substraattaal.
Omdat het diertje erg tot de verbeelding spreekt en zelfs een zekere angst inboezemt, vindt er gemakkelijk volksetymologische aanpassing plaats. Wellicht is Oudsaksisch ewidehsa zo'n vorm onder invloed van ewi ‘lam’ (zie → ooi), en misschien Oudhoogduits egidehsa onder invloed van egi ‘angst’ (zie → ijzen). Het Nederlands heeft het woord met → haag in verband willen brengen. Nederlandse en Duitse dialecten tonen een grote verscheidenheid met beginklanken als ekke-, akke-, heide-, (s)lokke- (Oost- en West-Vlaams), ever- (Overijssel), ei- (Zuid-Holland), akke- (Afrikaans) en eindklanken als -tas, -das. Het Fries heeft gerskrûper, letterlijk graskruiper, naast het leenwoord hagedis. De betekenis ‘heks’ die hagedis in sommige dialecten nog draagt komt wrsch. voort uit het volksetymologisch gevormde mnl. hagetisse ‘heks’ en de vele middeleeuwse bijgelovige verbanden tussen hagedis en → heks.
In het Duits is de verzamelnaam Echsen ‘hagedisachtigen’ ingevoerd in 1816 door de bioloog Lorenz Oken op grond van niet-etymologische woordafbreking, met vele afgeleide soort- en familienamen als Panzerechsen ‘krokodillen’, Meerechse ‘zeeleguaan’, Wühlechse ‘skink’.
Een samentrekking van Zuid-Hollands 'n eidas wordt wel gebruikt ter verklaring van → nijdas ‘nijdige kerel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hagedis* [kruipend dier] {haghedisse 1301-1400, vgl. hagetisse [uil] 1201-1250} volksetymologisch beïnvloed door hage, hegge [haag, heg]; vgl. oudsaksisch egithassa, ewidehsa, oudhoogduits egidehsa (hoogduits Eidechse), oudengels aþexe (engels asp); buiten het westgerm. komt het woord niet voor; mogelijk houdt het eerste lid verband met grieks echis [adder, slang] (vgl. egel); het tweede deel dis is vermoedelijk hetzelfde als middelhoogduits dähse [rots]; het diertje leeft in rotsspleten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hagedis znw. v., mnl. haghetisse, waarnaast ook eghedisse vgl. os. egithassa, ohd. egidehsa (nhd. eidechse), oe. āðexe (ne. ask). De naam van dit dier wisselt sterk in de dialecten, maar ook reeds in de oudere periode, vgl. nog os. ewidehsa. — Het woord is uitsluitend westgerm., wat het vermoeden wettigt, dat het uit een substraattaal overgenomen is; dit zou de sterke wisseling der vormen kunnen verklaren, die overigens ook door taboeisering verklaard zouden kunnen worden. — Wil men toch een etymologie uit het idg. beproeven, dan kan men het 1ste deel *agi, awi met gr. óphis, oi. áhi- ‘slang’ verbinden en het 2de deel *þahsiō met mhd. dehse ‘spil van spinnewiel’. Daarmee is echter nauwelijks een zinrijke naam voor het dier gewonnen. Het nl. hagedis is blijkbaar een volksetymologische vervorming, die in het 1ste deel het woord haag zag, zoals het Zuidoostvlaams leketisse naar de leke of ‘bloedzuiger’ zal vervormd zijn.

Nl. dialectvormen zijn (h)aketissǝ (Zeel., WVlaand.), rǝdissǝl (Goeree), artis (Leuven), èrdis (NBrab.), eidek, ekdis, èvǝrdes (Bomm. waard), evǝdasǝ (Kampen), evǝrdessǝ (Achterh.), èveltassǝ (Twente), evǝrtast (Gron.), evǝtassǝ (Stellingwerf). Ook in de duitse dialecten zijn de varianten talrijk zoals hegedex, egerex (Tirol), heidox, edox (Silezië) åderse, ederessle, hēdeše (Henneberg e.a.) vgl. Kluge-Mitzka 155). — Wegens de vele nl. vormen op -tisse meent Teuchert Sprachreste 352-353, dat de woorden ertisse, atisse, atische in de Brandenburgse Mark van nl. kolonisten overgenomen zijn (vgl. ook kaart 46).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hagedis znw. Evenals Kil. heghdisse (naast haeghdisse), mnl. hāghetisse v. en dial. vormen als wvla. en zeeuwsch (h)akǝtissǝ, Goer. rǝdissǝl, Leuv. artis, Aalstsch èrtiṣǝ, NBrab. èrdis, Bommelerwaardsch eidek, ekdis, èvǝrdes, vel. ēvǝrdes, Kamp. ēvǝdasǝ, achterh. èvǝrdessǝ, tw. èvǝltasschǝ, gron. evǝrtast en fri. (stellingwerfsch) evǝtassǝ vervormd uit mnl. ēghedisse v. “hagedis”, hagedis onder invloed van haag, de vormen met v misschien onder invloed van een met ags. efete v. “hagedis” (eng. eft) verwant woord. Mnl. ēghedisse v. = ohd. egidëhsa (nhd. eidechse), os. egithassa, ags. (vervormd) âðexe v. (eng. ask) “hagedis”. Met ’t oog op de vele analogische vervormingen in allerlei streken mag os. (ohd.?) ewidëhsa v. geen aanleiding geven om naast den grondvorm met ʒ er een met w aan te nemen. Alle combinaties, zooals die van ’t eerste lid òf met de bij ijselijk besproken basis òf met gr. óphis, oi. áhi- “slang” òf met egel òf met echel (dat dan van egel gescheiden wordt), noorw. dial. igle “worm in den lever van ’t schaap”, de. ikte “worm in het ingewand van dieren”, kymr. euod “worms in sheep”, gr. ékhis, oi. áhi-” slang”, arm. “viper”, die van ’t tweede met de basis van dissel I, zijn onzeker. Er is geen reden om on. eðla, eyðla v., de. øgle, zw. ödla “hagedis” voor verwant te houden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hagedis. Bij de velerlei dial. vormen kan nog gevoegd worden zovla. leeketisse, dat blijkbaar onder invloed van leeke ‘bloedzuiger’ is vervormd.
De vreemde eindaccentuering zal ook wel op een of andere anal. invloed berusten; misschien van de woorden op -es(se), -is(se)? Anders v.Wijk N.T. 14, 247.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hagedis v., Mnl. egghedisse, eghetisse, haghetisse, Os. egithassa + Ohd. egidehsa (Mhd. egedehse, Nhd. eidechse), Ags. áđesce (Eng. asker): oorspr. onbek.; vergel. heks.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

herdis verouderd, (zn.) hagedis; Vreugmiddelnederlands egedisse <1214>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

eesdiek, esdik, zn.: salamander, hagedis. Metathesis van aketis, hekketis, eektes ‘hagedis’; zie eektes.

eektes, ektis, nektis, akkerdis, ertis, artits, estis, abdis, jabedis, e(e)kvis, eekves, apstis, apperstis, zn.: hagedis. Een woord dat ook in de Brabantse en Vlaamse dialecten in talrijke varianten en verhaspelingen voorkomt. Mnl. egedisse, egetisse, eggedisse, Vnnl. aketissië ‘lesarde’ (Lambrecht), aketisse, haeghdisse, maar ook aerdtissie, hegdisse ‘hagedis’ (Kiliaan). De latere Mnl. vorm hagetisse en Ndl. hagedis zijn volksetymologisch te verklaren door associatie met haag, zoals de Kiliaanspelling associatie met aarde verraadt. Os. egithassa, Oe. adexe, E. dial. ask, Ohd. egidehsa, Mnd. egedisse, D. Eidechse. Er wordt aan een samenstelling gedacht met Germ. *agi, Oind. áhih, Gr. echis, Lat. anguis ‘slang’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

abbedist, djabbetist, jabbestist, zn.: hagedis. Verhaspelingen van hagedis. Zie artis.

artis, arstis, astis, estis, erdis, aardis, (h)egdis, hegtes, ekeltes, eksdas, hekketis, eektes, eektoes, heitis, aketis, hekelfis, hekkefis, harsti(t)s, harentist, okkertisie, zn.: hagedis; feeks, kreng, xantippe. Ook in de Vlaamse dialecten komen talrijke varianten en vervormingen voor: aketisse, -esse, akkertissie, okkertisse, -essie, ekke(r)tisse, eketesse, -is, ikketisse, egetetse, lekketisse, lokketis(se), laketis (Debrabandere 2002, 2005, 2007). Mnl. egedisse, egetisse, eggedisse, Vnnl. aketissië ‘lesarde’ (Lambrecht), aketisse, haeghdisse, maar ook aerdtissie, hegdisse ‘hagedis’ (Kiliaan). De latere Mnl. vorm hagetisse en Ndl. hagedis zijn volksetymologisch te verklaren door associatie met haag, zoals de Kiliaanspelling associatie met aarde verraadt. Ratis door metathesis uit artis. Os. egithassa, Oe. adexe, E. dial. ask, Ohd. egidehsa, Mnd. egedisse, D. Eidechse. Er wordt aan een samenstelling gedacht met Germ. *agi, Oind. áhih, Gr. echis, Lat. anguis ‘slang’.

ratis, ratits, radis, ratisj, zn.: hagedis. Door metathesis uit artis.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

averdekse zn. v.: hagedis. Verhaspeling van hagedisse door g/v-wisseling en associatie met haver. Zie akketisse.

akketisse, akketist, akkertis(se), akkedis, ekketisse, okkertisse, lokketisse, redissel zn. v.: hagedis; bedilster, haantje de voorste, handig meisje. Voor de verschillende betekenissen van het woord, zie Debrabandere 2002 i.v. aketisse. Mnl. egedisse, egetisse, eggedisse, Vnnl. aketissië ‘lesarde’ (Lambrecht), aketisse, haeghdisse ‘hagedis’ (Kiliaan). De latere Mnl. vorm hagetisse en Ndl. hagedis zijn volksetymologisch te verklaren door associatie met haag. De var. lokketisse kan worden vergeleken met Wvl. laketissie en Ovl. laketisse, leketisse, varianten die te verklaren zijn door associatie met Mnl. lake ‘bloedzuiger’. Os. egithassa, Oe. adexe, E. dial. ask, Ohd. egidehsa, Mnd. egedisse, D. Eidechse. Er wordt aan een samenstelling gedacht met Germ. *agi, Oind. áhih, Gr. echis, Lat. anguis ‘slang’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

arrekatis (Overboelare, St.-Maria-Lierde, St.-Lievens-Esse), zn.: hagedis; salamander. Contaminatie van akketisse en artisse.

akketisse (E, ZV), akkertissie (H, W), okkertisse (ZV), okkertessie (B), eketis (Nukerke), ekke(r)tisse (W), ikketisse (W), ertisse (W), leketisse (ZO), lekketisse (W, ZO), lekkertis(t) (Strijpen, Zt), lokketis(se) (L, W, west, ZO), laketis (Koewacht, Lovendegem, Nazaret), zn. v.: hagedis; salamander; bazige vrouw (B), handig meisje (Hulst). Voor de verschillende betekenissen van het woord, zie WVEW i.v. aketisse. Mnl. egedisse, egetisse, eggedisse, Vnnl. aketissië 'lesarde' (Lambrecht), aketisse, haeghdisse 'lacerta' (Kiliaan). De latere Mnl. vorm hagetisse en Ndl. hagedis zijn volksetymologisch te verklaren door associatie met haag. De var. leketisse door contaminatie met leke (ZO), vgl. laketisse (G). Os. egithassa, Oe. adexe, E. dial. ask, Ohd. egidehsa, Mnd. egedisse, D. Eidechse. Er wordt aan een samenstelling gedacht met Germ. *agi, Oind. áhih, Gr. echis, Lat. anguis 'slang'.

hakertisse (W), zn. v.: hagedis. Hypercorrecte spelling voor akketisse.

laketis(se) (G, W), loketisse (Adegem, E, G, L), lakedis (W), zn. v.: bloedzuiger (G), hagedis (Adegem, L, W). 1797 de diee die in bedieninge zyn, klessen hunder aen hunder employ gelyk loketissen, Gent (LC). Contaminatie van laken en akketisse/hagedis.

artisse, atisse (W), artits, erretits (Dender), ratis (Dender), zn. v.: hagedis; salamander. Vnnl. aerdtissie, hegdisse 'lacerta' (Kiliaan). Oe. adexe. Ndl. hagedis door associatie met haag; artisse < aardtisse door associatie met aarde. Zie akketisse. Ratis door metathese uit artis. Samenst. slangartis (Gb), slangenartis, (Al), slangeratis (Herdersem, Meerbeke), slangetis (Laarne), (volksetymologisch) slanketis (Heusden), slokke(r)tis (Destelbergen, Scheldewindeke). Kopartis in Aspelare is evenwel een 'kikkervisje', vanwege de dikke kop.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

akkedis s.nw.
1. Enige reptiel behorende tot die onderorde Sauria, waaronder grootskub- en langstertakkedisse, gordelakkedisse, geitjies, koggelmanders, verkleurmannetjies, klipsalamanders en likkewane. 2. (streektaal) Geitjie.
Uit een van die vele gewestelike Ndl. wisselvorme van hagedis, bv. Vlaams aketisse.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorme Hagurdis (1864), akadis (1896) en Akadijs (1913).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

eidek, eidas hagedis (Zuid-Holland, Betuwe.). = mnl. eghedisse, ohgd. ẹgidẹhsa = hgd. eidechse. Het eerste deel ~ gr. óphis ‘slang’, oind. ahi- ‘slang’. Het tweede deel ~ mhgd. dähse ‘rots’. Het diertje leeft nl. in rotsspleten.
Van Sterkenburg 241-243, Kluge 155, NEW 231 (ook andere etymologieën).

erdis, artis hagedis (Brabant). Evenals eidek ↑ maar met de syllabe versterkende r ‹ mnl. eghedisse ‘id.’.
Van Sterkenburg 241-243.

everdasse, ewweltaske hagedis (Overijssel). = os. ewidehsa = os. egithassa = nl. hagedis. Mogelijk was het eerste lid ~ gr. óphis ‘slang’ en oind. ahi- ‘slang’ en heeft het zich aangepast aan (ook os.) ewi ‘lam’ (~ lat. ovis ‘schaap’, nl. ooi).
DB II 59.

snaketisse hagedis (Vlaanderen). Vervorming van een bijvorm van hagedis onder invloed van vla. snake ↑ ‘slang’. Een soortgelijk proces had plaats in zwbrab. bij slangartis ‘hagedis’.
Van Sterkenburg 241-243.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

aketisse (K, WVD), aketesse (B, O), ekketisse (WVD: Bissegem), eketesse (P), egetetse, -tatse (FV), zn. v.: hagedis; resolute, levendige vrouw, babbelkous, ondeugend meisje (B); bedilster, handig meisje (Zeeuws); boos wijf, kreng, helleveeg, xantippe (B, O). Deze overdrachtelijke en pejoratieve betekenissen van het woord zijn ongetwijfeld te verklaren door het angstaanjagende karakter van het dier. In het Mnl. had het woord hagetisse al de betekenis ‘heks, toverkol’. De Bo vermeldt nog de varianten: aketisse, aketissie, aker-tissie, haketisse, hak(k)etissie, laketis-sie; in WVD nog: aktits (Kemmel), ankertis (Klemskerke), egetis (Stapel, Eke). Mnl. egedisse, egetisse, eggedisse, Vroegnnl. aketissië ‘lesarde’ (Lambrecht), aketisse, haeghdisse ‘lacerta’ (Kiliaan). De latere Mnl. vorm hagetisse en Ndl. hagedis zijn volksetymologisch te verklaren door associatie met haag. Os. egithassa, Oe. adexe, E. Dial. ask, Ohd. egidehsa, Mnd. egedisse, D. Eidechse. De Poperingse vorm eeketesse, met scherplange ee, gaat dus klankwettig terug op de oude egi/ege-vormen. De etymologie is onzeker. Er wordt aan een samenstelling gedacht met Germ. *agi, Oind. âhih, Gr. échis, Lat. anguis ‘slang’.
Wvl. laketissie en Zovl. leketisse zijn te verklaren door associatie met Wvl. laken, resp. Zovl. leeke ‘echel, bloedzuiger’.

lokketisse (I, R, WVD), lokketesse (D), zn. v.: watersalamander, hagedis. Verhaspeling van aketisse door contaminatie met lokken, lokkedijze.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

akkedis: “reptiel”, hoort by Lacertidae/Scincidae, – akkel-/akkerdis –; Ndl. hagedis (Mnl. hagedisse/-tisse, eghedisse/-tisse, Kil h(a)eghdisse, reeks dial. wv., vorme m. anl. h- hou volkset. verb. m. haag/heg), Hd. eidechse (Mhd. egedehse), Eng. ask(er), eft en newt; herk. onseker; 1e lid in verb. gebring met o.a. Gr. eχis en ophis, “slang” en 2e met Ndl. dissel, “byl”, en met Ll. quadrupedia (vgl. Hd. ben. vierbein); v. ook geitjie.

Thematische woordenboeken

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

HAGEDISSEN
Echte Hagedissen ̶ Lacertidae

Van de circa tweehonderd Echte hagedissen in Europa, Afrika en Azië zijn drie soorten bij ons inheems. Alle inheemse hagedissoorten zijn door de Natuurbeschermingswet beschermd.
De wetenschappelijke familienaam is ontleend aan Latijns lacerta (= hagedis). Het eerste element in de Middelnederlandse namen egedisse, hagetisse en haechdisse zijn volksetymologisch beïnvloed door het woord ‘hage of hegge’ (= haag, heg). Mogelijk is er verband met Grieks echis (= adder, slang).
De meeste soorten worden met de algemene benaming hagedis aangeduid. Veel streeknamen kunnen aangemerkt worden als een nevenvorm hier van. We denken hierbij aan namen als haagdis, haagdas en hagedisse, everdas(se) (Drente, Overijssel), aeverdis(se), eideske en everdes (Gelderland), (h)aketisse (Zeeland), (h)ekkefis (Kempenland), hekketis (Peel), eksefis (ONB), ewwertaske (Overijssel), evertaask (Groningen), erdis of artis (Noord-Brabant. Vla) en eidas, eidek of ekdis (Zuid-Holland). Ook eawrdasse en eveltasse (Twentee), herdis in Maastricht, havedisse (Achterhoek) en aes(te) of eèkte (Zuid-Limburg) kan als een nevenvorm van hagedis worden gezien.
Haaisländer, haaitis en haaislang zijn streeknamen uit de Kempen. Het element ‘haai’ betekent heide, naar de habitat van de meeste soorten; ‘sländer’ is afgeleid van van het werkwoord ‘slindere’ dat slingeren betekent. In de Meierij is hicht een algemene naam voor een hagedis.
De Vlaamse naam snaketisse is een verbastering van Vlaams snake (= slang), ontleend aan Oudhoogduits snahhan (= kruipen, sluipen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hagedis ‘hagedisachtige, reptiel’ -> Fries hagedis ‘hagedisachtige, reptiel’; Duits dialect Artisse, Atisse, Atüsche, Ertisse ‘hagedisachtige’; Zweeds † agadis ‘hagedisachtige’; Frans dialect dizi ‘hazelworm’; Zuid-Afrikaans-Engels akkedis ‘hagedisachtige’ <via Afrikaans>; Negerhollands kakatės, kakketis ‘hagedisachtige, reptiel’; Sranantongo lagadisa ‘hagedisachtige’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kakates ‘hagedisachtige, reptiel’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hagedis* hagedisachtige 1301-1400 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal