Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haas - (knaagdier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

haas 1 zn. ‘knaagdier (Lepus europaeus)’
Onl. in de namen ecbertus haskin ‘Echbert Haasje’ en hildegardis hasinna ‘Hildegard Hazin’ [eind 12e eeuw; Schoonheim 2003]; mnl. hase ‘haas’ [1240; Bern.], haes [1450; MNW ongehecht].
Afleiding van een Indo-Europees woord dat ‘grijs’ betekent; de haas is dus genoemd naar zijn kleur. Een vergelijkbare vorming is bijv. Litouws širvis ‘haas’ bij širvas ‘grijs’. Ook verwant met → heer 1 ‘man’.
Os. haso (mnd. hase); ohd. has, haso (mhd. has, hase, nhd. Hase); ofri. hasa, hase (nfri. hazze); < pgm. *hasan- ‘haas’. Met grammatische wisseling en rotacisme bovendien: oe. hara (ne. hare); on. heri (nzw. hare); < pgm. *hazan- ‘haas’. Daarnaast ohd. hasan ‘grijs, glanzend’; oe. hasu; on. höss ‘id.’. Met ander pie. stamachtervoegsel oe. hār ‘grijs, oud’ (ne. hoar(y) ‘lichtgrijs (van ouderdom)’); on. hárr ‘grijs’.
Verwant met: Oskisch casnar ‘oude man’; Sanskrit śaśá- (< śas-a-); Oudpruisisch sasins, Welsh ceinach (alle ‘haas’); daarnaast Latijn cānus ‘grijs’; uit de stam pie. *ḱh1-es- (/-os-/-s-) bij de nultrap van de wortel *ḱeh1- ‘grijs’ (IEW 533). Daarbij ook, met andere achtervoegsels: Oudkerkslavisch sěrŭ ‘grijs’, Oudiers cíar ‘donkerbruin’ (< pie. *ḱh1oi-ro-); Oudkerkslavisch sědŭ ‘grijsharig’ (< pie. *ḱh1oi-d(h)o-).
hazenlip zn. ‘gespleten bovenlip’. Nnl. hazelip [1802; Weiland]; al ouder zijn, met dezelfde betekenis hazenmond, in vnnl. hazemont [1581; WNT spanader] en mnl. scaerdemont [1351; MNW] met een eerste lid uit de stam van scheren ‘snijden’ (ook ohd., ofri. en oe.; nog Duits Hasenscharte). Leenvertaling van Neolatijn labium leporinum ‘hazenlip’, zo genoemd naar de gelijkenis met een bovenlip van een haas. ♦ hazenpad zn. ‘vluchtweg’. Vnnl. in dan kiest hy 't haese padt ‘dan maakt hij zich uit de voeten’ [1617; WNT]. Samenstelling met → pad 1; wie er als een haas vandoor gaat, kiest voor het hazenpad, de routes die dat snelle diertje kent.
Lit.: A. Lubotzky (1989), ‘Against a Proto-Indo-European phoneme *a’, in: T. Vennemann (red.), The new sound of Indo-European, 53-66, hier 56-57

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haas1* [knaagdier] {hase, haes 1201-1250} middelnederduits hase, oudhoogduits haso, oudfries hasa, oudengels hara, oudnoors heri (de s en r vertonen de zogenaamde grammatische wisseling als in was - waren); daarnaast oudhoogduits hasan, oudengels hasu [grijs], oudnoors hǫss [grijsbruin]; buiten het germ. latijn canus [met grijs haar], welsh ceinach, oudindisch śaśa- [haas], oudpruisisch sasins [idem]; het dier is benoemd naar zijn kleur.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

haas

Het dier dat wij haas noemen, kwam al in het oude India voor. In het Sanskriet luidde zijn naam caca of sasah. Dit woord was afgeleid van een bijvoeglijk naamwoord dat: grijs betekende. De haas is dus: de grijze, de grauwe. Waarschijnlijk is dit een taboewoord, want bij vele primitieve volkeren gold de haas als een geheimzinnig en demonisch dier, waarschijnlijk om zijn snelheid. Voor ons is de vreesachtigheid de kenmerkendste eigenschap van de haas. Daaraan herinneren allerlei zegswijzen en uitdrukkingen, zoals: het hazenpad kiezen, een hazenhart hebben, een hazeslaapje doen enz. In ‘biefstuk van de haas’ heeft men met hetzelfde woord te maken. Oorspronkelijk bezigde men dit woord voor het fijnste vlees, de lendenspier van de haas, later ook voor het fijnste vlees van andere dieren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haas 1 znw. m. ‘dier’, mnl. hāse, mnd. hāse, ohd. haso m.; daarnaast met gramm. wiss. germ. *haza: oe. hara (ne. hare), on. heri. — kymr. ceinach (< *casinako), opr. sasins ‘vrouwelijke haas’. Het betekent eig. ‘het grijze dier’, vgl. ohd. hasan ‘grijs, glanzend’, oe. hasu, on. hǫss ‘grijs’ en verder lat. canus (< *casno-) ‘grijs’, sabijns cascus ‘oud’, osk. casnar ‘grijsaard’ (O. Weise, BB 2, 1878, 289), ook toch Β kästwer ‘nacht’.

De verbinding met oi. śaśa ‘haas’, dat naar de eerste cons. niet past, wordt tegenwoordig weer in twijfel getrokken, vgl. Mayrhofer, Studien zur germ. Grundsprache 1952, 29-31, maar zie ook Porzig, Gliederung der idg. Sprachen 197.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haas I (dier), mnl. hāse m. = ohd. haso m. (nhd. hase), mnd. hāse m. (ofri. has- in samenst.) “haas”. Met gramm. wechsel ags. hara (eng. hare), on. heri m. “id.”. Met opvallenden ablaut noorw. zw. dial. jase (on. *hjasi, germ. *χesan-) m. “id.”. Verwant met kymr. ceinach (cein < * ḱasnî + -ach), opr. sasins (= germ. *χasan-), oi. çaçá- (voor *casá-) “haas”. Oorspr. bet. “de grijze”; verwant zijn ohd. hasan “grijs, glanzend, fraai”, ags. hasu, on. hǫss “grauw”, lat. cânus (*cas-no-s) “grijs”. Voor de bet. vgl. russ. sěr͗ák “grijze haas”: sěryj “grijs”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haas 1 m. (dier), Mnl. hase + Ohd. haso (Mhd. en Nhd. hase), Ags. hara (Eng. hare), On. heri (Zw. en De. hare) + Skr. çaças, We.. ceinach, Opr. sasins = haas; hierbij nog Ohd. adj. hasan, Ags. hasu, On. hoss, Lat. canus, d.i. casnos = grijs. — Uit Germ. Fr. hase.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

haos (zn.) haas; Vreugmiddelnederlands hase <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1haas s.nw.
1. Knaagdier, ongeveer so groot soos 'n kat, met 'n grysbruin pels, gesplete bolip, kort stertjie en lang ore en agterbene, of die vleis van hierdie dier. 2. (sterrekunde) Suidelike sterrebeeld wat met die blote oog sigbaar is. 3. (minder gebruiklik) Gek, dwaas.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. haas (Mnl. hase in bet. 1, 1856 - 1859 in bet. 2), in bet. 2 so genoem omdat die vorm van die sterrebeeld aan dié van 'n haas herinner. In bet. 3 uit verouderde Ndl. haas. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm haasie.
Ndl. haas hou verband met o.a. Oudengels hasu 'grys' en dit blyk dat die dier so genoem word n.a.v. sy grysbruin kleur.
D. Hase (16de eeu). Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die afleiding hasie (1948 in bet. 1).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

haas (de, hazen), paca, een soort knaagdier (Agoutipaca). De Bosnegers* graven de haas wel eens uit of roken het dier uit door aan een zijde smeulend hout in het hol te stoppen (Geijskes 1954: 75. - Etym.: AN h. = een knaagdier in o.m. Ned. (Lepus europaeus), waar de SN h. niet op lijkt. Oudste vindpl. Lourens Lourensz. Zeeuw 1627 volgens Nicolaes a Wassenaer, cit. volgens Lichtveld & V. 17. Soms wordt Surinaamse haas gebr. (bijv. door Bakhuis 42).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

haas I: soort knaagdiertjie (fam. Leporidae); Ndl. haas (Mnl. hase), Hd. hase, Eng. hare, hou blb. verb. m. Ohd. hasan, Oeng. haso en hasofag en m. Lat. canus, almal in bet. “grou, grys”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

naam (mijn -- is haas) (vert. van Duits mein Name ist Hase)

H. ter Stege (2004), De betekenis van de Nederlandse (volks)namen van zoogdieren, reptielen en amfibieën, eigen uitgave Waalre

Hazen en Konijnen ̶ Leporidae
De Hazen- en konijnenfamilie bestaat uit ruim veertig verschillende soorten; alleen de ‘Europese’ haas en het konijn zijn inheems in ons land.

Haas ̶ Lepus europaeus (Pallas, 1778)
Duits: Feldhase; Engels: Brown Hare; Frans: Lièvre; Fries Hazze
De haas onderscheidt zich van het konijn door grotere poten (lopers), langere zwartgepunte oren (lepels) en een forser gebouwd lichaam. De rugvacht is geelbruin gekleurd, de buik is witachtig. Afhankelijk van het leefgebied zijn hazen soms lichter of donkerder getint.
De haas, oorspronkelijk een bewoner van de steppen, is het meest thuis in open terrein. Weiden, akkerland, heide en duinen behoren tot zijn habitat. Een ondiepe uitholling in de bodem dient als rustplaats (leger of pot). Hoewel de haas bij dreiging van gevaar vrij lang op de schutskleur van zijn vacht vertrouwt, is hij, als hij wordt opgejaagd, meestal in staat om door het ‘slaan van haken’ (scherpe, onverwachte wendingen van zo’n 90 graden) aan zijn achtervolgers te ontkomen.
Hazen zijn planteneters. Ze voeden zich met grassen, kruiden en landbouwgewassen. Tijdens de oogst van landbouwgewassen worden veel jonge hazen, die dan nog in de wentel (kraamkamer) verblijven, slachtoffer van landbouwmachines. Tegenwoordig worden de zijkanten van deze machines voorzien van zogenaamde ‘wildredders’, die de jonge hazen schrik aanjagen en aanzetten tot wegvluchten.
In de paringstijd proberen de mannetjes hun rivalen door het slaan met hun voorpoten op afstand te houden. Dit gedrag wordt boksen genoemd.
De haas (Middelnederlands hase, haes) is genoemd naar zijn (grijs-bruine) kleur. Het woord gaat terug op Oudhoogduits hasan ‘grijs’. Een groot aantal streeknamen zijn van de Nederlandse naam afgeleid: aes, aos of ees (Zeeland), aza (Overijssel), haaze (Weert), haze (Achterhoek), haesken (Twente), hoas (Achterhoek, Drente, Groningen) en hoaze (Drente, Groningen). In Friesland wordt hij hazze, hezze en haske genoemd.
Origineler zijn namen als lindert (Noord-Brabant) en grote gele (Noord-Brabant); de eerste is vermoedelijk van origine een persoonsnaam, de tweede duidt op vachtkleur. Het Groningse langbainder zinspeelt op lange poten, in langoor (Groningen), leper, lepelman, lepelvrouw en lepelaar (jag) komen de grote, lepelvormige oren aan bod.
Soms hebben namen een min of meer gekscherende achtergrond: kromme, kapucijner en mummelman. Ze zijn alle afkomstig uit de jagerswereld.
Van oudsher worden verschillende variëteiten onderscheiden op grond van hun leefgebied. Ze worden dan aangeduid als bos-, duin-, hei-, klei-, polder-, steen-, veen- of zandhaas. Hetzelfde geld voor de naam grasbuik.
Talrijke namen, vaak afkomstig uit het jachtbedrijf, gelden alleen voor het mannetje, het wijfje of het jong van een haas. Een algemene naam voor het mannetje is rammelaar. Deze naam komt van het woord ‘rammelen’, in de betekenis van ‘paren van hazen of konijnen’. Vergelijkbaar zijn raam (Drente, Friesland, Groningen, Overijssel), raem (Friesland), ram (jag), rammel(er), remmel (Achterhoek, Gelderland, Overijssel) en reeiper (Zeeland). In Groningen heet het mannetje bok.
Het wijfje wordt door jagers meestal moerbeest, moerhaas, of kortweg moer genoemd. Namen ontleend aan ‘moeder(dier)’. Ook wyfke (Friesland) en zoog (Zeeland) spreken voor zich. Hetzelfde geldt voor meur (Overijssel), moor (Drente, Noord-Holland) en moorhaze (Achterhoek). De aanduidingen voe(d)ster, voo, vooi en voei zijn verwant met het werkwoord ‘voeden’.
Een jonge haas wordt lampreel of lamprei genoemd, een woord ontleend aan Frans lapereau (= jong konijn), verwant met Frans laper (= likken). De naam zinspeelt op het zogen van de jongen.
De vrij algemene benaming lampe (jag) zou uit het Keltisch afkomstig zijn. Het bestaat uit de elementen ‘lam’ (= sprong) en ‘pe’ (= klein). Samengevat betekent de naam dus springer, een naam die ook als volksnaam voor de haas bekend is.

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

haas. De grootste verzameling spreekwoorden in het Nederlands, t.w. die van P.J. Harrebomée, bevat de volgende zegswijze: “Ik wenschte dat hij zoo diep in den grond zonk als een haas in tien jaar loopen kan.” Voor een interpretatie van deze verwensing, zegt het WNT, moet men denken aan de eigenschap van de haas, die zo snel loopt dat hij, in dezelfde tijd, grotere afstanden aflegt dan minder vlugge dieren. De verwensing duidt op emoties als afkeer, weerzin, frustratie e.d. Wij zouden kunnen zeggen ‘verdwijn, ik wil je nooit meer zien’. → bok, das, gans (1), hond, kat, kievit, koe, koekoek, konijn, kraai, muis, slak, varken, vink, wolf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haas ‘haasachtige’ -> Frans hase ‘het vrouwtje van een haas’ (uit Nederlands of Duits); Zuid-Afrikaans-Engels hasie ‘haasachtige’ <via Afrikaans>; Creools-Portugees (Batavia) has ‘haasachtige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haas* haasachtige 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

928. Met onwillige honden is 't kwaad hazen vangen.

Met onwilligen komt men niet verder. ‘Dat zegt men van die aan eenig werk tegen hun zin en wil gestelt worden’ (Tuinman I, 244). In de Prov. Comm. 511: Met onwillighe honden eest quaet iaghen, impromptis canibus nil venator capit ullus. Ook Plautus zegt al in Stich. 139: Stultitia est, pater, venatum ducere invitas canes. De spreekwijze, zooals ze thans luidt, vinden we o.a. bij Hooft, Brieven, 183: Met onwillige honden quaadt haaze vangen is. Zie verder Spieghel, 286; Cats I, 431; Brederoo I, 247, 119; De Brune, 432 en Idinau, 26:

T' is quaedt met onghewillighe honden
Ter iaght te gaen, om iet te vanghen.
Noyt en heeft hem iemandt wel bevonden,
Met knechten diemen tot dienst moest pranghen.
Onghewillighe dienaers sijn quade stranghen.

Vgl. ook Ons Volksleven V, 145; De Bo, 437 a; Bebel, 284; Erasmus, CII; Wander II, 857; Eckart, 223: met unwellige Hongen es net god Hâse fange. Syn. was in 't mnl. mit onwillighen paerden ist quaet ploeghen inder aerden (Mloep II, 3771); 17de eeuw: met onwillige peerden ist quaet rijden (o.a. Sart I, 8, 33); t'es quaet huyshouwen met onwillighe knechten (Houwaert, Milenus Cl. 28).

766. Haasvreten,

d.w.z. bang, bevreesd worden, zich terugtrekken, in zijn schulp kruipen, achteroet vretten (Twente); hazenvleesch hebben ('t Daghet, XII, 125); haazehaar hebben in N. Taalg. XIII 136; Harreb III, CXXII: Hij heeft haas (of hazevleesch) gegeten, zijne lafhartigheid is er het bewijs van. ‘De onderstelling is, dat men door het eten van haas of hazevleesch eigenschappen van den haas (in dit geval blooheid, lafhartigheid) in zich opneemt. Zoo zegt men van ongedurige, woelige knapen, dat zij paardenvleesch gegeten hebben; het paard is, gelijk bekend, een zeer zenuwachtig dier’ (Ndl. Wdb. V, 1492). Het geloof dat men zich door het eten van een dier zijn eigenschappen kon verwerven is al zeer oud: Achilles immers at leeuwenmerg. Thans gebruiken op sommige plaatsen in Griekenland bruid en bruidegom een duif of een haan; de duif is het symbool der verliefdheid en de haan dat der mannelijkheid.Wetenschappelijke Bladen, April 1907, bl. 139. De Franschen zeggen il a mangé de la biche blanche van iemand, die altijd in beweging is, ‘par allusion à l'humeur errante et vagabonde de la biche’. Zoo zeide men, volgens Harrebomée II, 284, tot een tragen denker: heb je spek gegeten? (vgl. Kluchtspel III, 72) omdat spek zwaar te verteren is. Thans kent men in West-VI. nog de uitdr. hij heeft jotjes gegeten voor hij suft (De Bo, 471); in Limb. hij heeft van den vos geëeten, hij is slim ('t Daghet X, 182), syn. van vossenbillen gegeten hebben (Rutten, 268); vossemelk gedronken hebben (Antw. Idiot. 1402); vossepooten of vossesteerten geëten hebben (Waasch Idiot 724); in Antw. hij heeft boonen gegeten voor hij verstaat moeilijk iets (vgl. no. 308; hd. er hat Erbsen gegessen); knokkelboonen geëten hebben, alles afkeuren, lastig en moeilijk zijn (Waasch Idiot. 356); in Mecklenburg vraagt men aan iemand die er verdrietig uitziet: hest Müs' fräten (vgl. Wander III, 546 en onze uitdr. muizenesten in het hoofd hebben), ook kriebelkruid gegeten hebben, niet stil kunnen zitten; een stukkie van 't looie beest geëeten hebben, lui zijn (Boekenoogen, 590). In Zuidafrica hy het van koerland (luie trekos) se vleis geëet, hij is lui (Boshoff, 335). Zie' nog Borchardt no. 843: einen Narren an jemand gefressen haben; westfaalsch: hei stellet sik, äs wenn he von der dullen Suege (Sau) freaten hädde; ook kent men in het hd. Tollkirschenthee getrunken haben, dol zijn, van Lotje getikt zijn, dat te vergelijken is met kriebelkruid gegeten hebben; von einem Ochs gegessen haben (dom zijn); fr. avoir mangé des oeufs de fourmis. Misschien mag ook vergeleken worden Sart. I, 3, 86: ick heb Bot gegeten, ende verstae niet dat scharpsinnigh is; III, 4, 81: hy heeft van een exter gegeten, in futiles, parumque fideliter sibi concredita arcana continentes; vgl. Wander II, 485: er hat Heistereier gegessen; 810: hei heft von 'e Hehnernarsch (Hühnerarsch; ook Entenarsch, Gänsepirzel) gefrete, von jem. der sehr. geschwätzig ist; 1212: Katzenmilch getrunken haben, onbetrouwbaar, oneerlijk zijn; he hett Hunensnûten êten, he kann scharp rûken (Eckart, 226).

931. Veel honden zijn der hazen dood,

d.w.z. voor overmacht moet men wijken; in het mnl. hets een ghemeen spreken, dat die meneghe die borghe breken. Bij Campen, 125: Voele Honden is der Haesen doot; Servilius, 42: Veel honden zyn der hasen doot; H. De Luyere, 35: Veel honden is ghemeenlyck der Hasen doot; Brederoo III, 49; Huygens, Korenbl. II, 41: Veel' honden, seitmen, is der hasen dood; Paffenr. 2; Idinau, 32:

Men seght, veel honden, is der hasen doodt,
Alsser hem vele teghen eenen stellen.

Tuinman I, 244: Veel honden is der haazen dood, dat wil zeggen, de menigte maakt de overmagt; Harreb. I, 146. Voor de duitsche dialecten zie de groote menigte spreekwijzen bij Wander II, 860; ook Dirksen I, 356; Bresemann, 230; Bebel, no. 540; Ons Volksleven V, 144; het Friesch: folle wynhounen dogge de hazze de dead; hd. viele Hunde sind des Hasen Tod. Het vreemde meervoud ‘der hazen’ vindt men niet in Adagia, 64: Veel honden is den Haes sijn doodt.

1209. Men kan niet weten hoe eene koe een haas vangt,

d.w.z. men kan niet weten, hoe iets heel onwaarschijnlijks toch gebeurt; hoe een dwaze poging, aan wier slagen men twijfelt, toch gelukt. De oudste plaats, waar deze spreekwijze staat opgeteekend, is Campen, 63: mislick waer een Koe een Haese vangt (zie ook De Bo, 547), dat hetzelfde beteekent als de tegenwoordige spreekwijze, en te vergelijken is met: een blint man scoot een quackele (Prov. Comm. 343) of een blint man schiet somtyts wel een craye (Servilius, 35*; Idinau, 80; Taalgids V, 168). Zie verder Westerbaen I, 411: Oock is 't mee al waer bevonden, dat een haes voor snelle honden afgeloopen vrij en los, is gevangen van een os; Hooft, Schijnh. 407: 't Is doch wel geschiedt dat een koe een haes vingAls bewijs dat het inderdaad wel eens gebeurt, diene het volgende bericht, voorkomende in Het Nieuws van den Dag, 6 Oct. 1898, 2de blad, blz. 6:
Men kan nooit weten hoe een koe nog eens een haas vangt.
In een perceel weiland te Tjerkwerd, bij Workum, is het gebeurd. Daar heeft, naar de Ned. Jager meldt, een koe van den landbouwer S. Ketelaar een haas gevangen. Het dier werd door het rund in het leger verrast, kreeg een fermen tik met een der hoeven en werd vervolgens op de horens genomen. Toen bemerkte de knecht des landbouwers de vreemde jacht en haastte zich het haasje prijs te verklaren.
; Focquenbr. Eneas, 83, vs. 8: Zoo vingh de koe een haas; bij Coster, 26, vs. 509 lezen we: Mogelijck of hy een Koe voor een Haes vangt, dat voor eene verbastering moet worden gehouden. In Zuid-Nederland zegt men thans nog: wie weet hoe een koe een haas vangt, syn. van wie weet hoe een advocaat in den hemel komt, voor dat kan misschien gebeuren (zie Joos, 181; 82); Tuerlinckx, 332: een koe kan wel een haas vangen, d.i. een blinde hen vindt soms een korrel; in Limb. men weet niet hoe een peerd nen haas kan vangen ('t Daghet X, 183); Antw. Idiot. 523: Ge kunt niet weten hoedat 'en koei 'nen haas vangt; Waasch Idiot. 200 a: Ge kunt niet weten hoe een boer 'nen haas vangt, al ware 't op 'nen eegtand; vgl. Harreb. III, 211 en het Friesch: de bline (de blinde) het in hazze fongen; bitelje as de kou in hazze fangt (nooit betalen) en in kou kin wol in hazze fange (as hja der mar op wâddet (trapt) of, zooals ook in het stadsfri. gehoord wordt: in een nauw straatsje). Ook in het Provençaalsch der 12de eeuw komt reeds voor: Ik ben de man, die den wind verzamelt en die met de koe een haas vangt; in 't Grieksch is ook bekend: hij jaagt hazen met een os of jaagt op hazen met een koeZie Dr. H.C. Hesseling in Gids, 1902, 4de stuk, bl. 102.; het eng. a cow may catch a hare; fr. une vache prend bien un lièvre (verouderd; vgl. Le Roux de Lincy I, 204).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑as-, k̑as-no- ‘grau’

Lat. cānus (*cas-no-s) ‘grau, aschgrau’, pälign. casnar ‘senex’, ahd. hasan ‘grau glänzend, poliert fein’; sabin.-lat. cas-cus ‘alt’ (ursprüngl. ‘altersgrau’);
anord. hǫss (*kas-u̯o-), ags. hasu ‘graubraun’, mhd. heswe ‘bleich, matt’.
Dazu die Benennung des Hasen (vgl. russ. sěrják ‘grauer Hase’ : sěryj ‘grau’):
ai. śaśá- m. (aus *śasá-), afghan. soe, Pāmird. süi; cymr. ceinach (-ach-Erweiterung eines *cein = *k̑asnī ‘Häsin’, Pedersen KG. I 86); ahd. haso, mit gramm. Wechsel ags. hara, anord. heri (eine Ablautsneubildung mit germ. e scheint norw. schwed. mdartl. jase = anord. *hjasi), apr. sasins m. ‘Hase’, sasin-tinklo ‘Hasengarn’, ON Sassenpile ‘Hasenberg’.
Eine Erweiterung der Stämme *k̑asen- (: k̑as-n-o-) und *k̑aseu̯-, k̑asou̯- (: k̑as-u̯-o-) mit Formans-dho- und Schwundstufe der Wurzelsilbe wird in gr. ξανθός ‘blond, braun’ aus *k̑s-en-dho- (falls ξαν- Verquickung von *ξεν- und *ξα- =*ξn̥-)? und ξουθός angeblich ‘goldgelb’, falls aus *k̑s-ou-dho-, angenommen, aber sehr zweifelhaft.

WH. I 156, Hofm. Etym. Gr. Wb. 221, Trautmann 330, Schwyzer Gr. Gr. I 329.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal