Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haan - (mannetje bij de hoenderachtigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

haan zn. ‘mannetje bij de hoenderachtigen’
Onl. chana- ‘haan’ [8e eeuw; LS], als persoonsbijnaam in rodberti hanas (genitief) ‘van Robert (de) Haan’ [1089; Schoonheim 2003]; mnl. hane ‘haan’ [1240; Bern.].
Os. hano (mnd. han(e)); ohd. han(o) (nhd. Hahn); ofri. hana (nfri. hoanne); oe. hana (verdwenen ten gunste van oe. cocc, ne. cock); on. hani (nzw. hane); got. hana; alle met de betekenis ‘haan’; < pgm. *hanan-. Voor een afleiding met i-umlaut, zie → hen 1. Daarnaast ablautend pgm. *hōn-, zie → hoen.
Verwant met Latijn canere ‘zingen’; Grieks kanachḗ ‘geluid’, ēikanós ‘haan’ (letterlijk ‘in de vroegte zingend’); Oudiers -cain ‘zingen’; Welsh canu ‘zingen’; bij de wortel pie. *k(e)h2n- ‘zingen’ (IEW 525).
Aan de verwante woorden in de andere Indo-Europese talen is af te leiden dat haan oorspr. letterlijk ‘de zanger’ heeft betekend, naar het geluid waarmee hij de ochtend aankondigt, of zoals het oude volksgeloof wilde, oproept. Ook bijv. Russisch petúch, Litouws gaidys, beide ‘haan’, zijn afgeleid van een werkwoord ‘zingen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haan* [mannetje bij hoenderachtigen] {hane 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits hano, oudfries, oudengels hona, oudnoors hani, gotisch hana; buiten het germ. latijn canere [zingen], grieks kanachè [klank], oudiers canim [ik zing]; de haan is naar zijn gekraai genoemd. De uitdrukking de rode haan laten kraaien [een huis in brand steken] stamt uit het rotwelsch, waar de boeven reeds in de 16e eeuw een tekenschrift hadden waarbij één als haan werd opgevat. Het teken werd op huizen, kerken en kruisen aangebracht om aan te geven dat er brand zou worden gesticht. ‘Rood’ zou slaan op rood krijt. In de uitdrukking haantje-de-voorste wil haan zeggen ‘de voornaamste’ (vgl. ‘de haan van 't kot’). De uitdrukking hij stapt als een haan van een stoter [hij loopt parmantig] wil eigenlijk zeggen: zo fier als een haan van koek die een stoter kost. De uitdrukking daar zal geen haan naar kraaien berust vermoedelijk op het volksgeloof dat de haan de moordenaar aankraaide.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haan znw. m., mnl. hāne, os. ohd. hano, ofri. oe. hona, on. hani, got. hana. — De haan kreeg zijn naam naar zijn kraaien, vgl. gr. ēi-kanós ‘morgenzinger’ = ‘haan’. — lat. canō ‘zingen’, gr. kanachḗ ‘klank, klinken’, oiers. canim ‘zingen’, toch. A kan- ‘melodie, rythme’ (IEW 525). — Zie ook: hen en hoen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haan znw., mnl. hāne m. = ohd. hano (nhd. hahn), os. hano, ofri. ags. hona, on. hani, got. hana m. “haan”. Verwant met ier. canim, lat. cano “ik zing”, gr. kanázō “ik maak geluid”; hierbij ook oi. kaŋkanî- “sieraad met rinkelende bellen”, lit. kañklės “cither”? Germ. *χanan- beteekent dus oorspr. “zanger”: vgl. russ. pětúch, obg. pětelŭ, serv. pijètao, pijèvac “haan” bij obg. (alg.-slav.) pěti “zingen” en lit. gaidy͂s “haan”: gëdóti “zingen” en gr. ēi-kanós “haan”, eig. “vroeg-zingend” (kanó-s verwant met haan). Vgl. hen en hoen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haan m., Mnl. hane, Os. hano + Ohd. hano (Mhd. han, Nhd. hahn), Ags. hona, Ofri. hona, On. hani (Zw. & De. hane), Go. hana, van een verloren ww. *hanan = zingen + Skr. kaṅkaṇī = rinkelende bellen. Gr. ḗi-kanόs = vroegzingende, haan, kanízein = klinken, Lat. canere, met abl. ci-conia, Oier. canim = zingen, Lit. kañkalas = klok (zie voorts hoen, hen en hel 2). De roode haan is wegens zijn kleur het zinnebeeld van de morgenschemering; den rooden haan laten kraaien is dus zoo een klaarte verwekken dat men gelooft dat de zon opgaat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

haon (zn.) haan; Aajdnederlands chana <701-800>.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

jane zn.: gouden loopkever, Carabus auratus. Uit hane ‘haan’. Voor de j-anlaut, vgl. Zeeuws jaarde ‘aarde’, jervallen ‘hervallen’, jimmer ‘immer’. De kever heet nl. in Izegem (WV) en Wetteren (OV) haantje (WVD) vanwege de goudgroene dekschilden.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

haan(tje): bazig persoon; hanig type met machogedrag; iemand die zichzelf graag op de voorgrond plaatst. Het haantje van de buurt is iemand die anderen de loef afsteekt; de baas.

De makker, die het zijnen pligt achtte in dezen de eer der jongens van de parochie op te houden, was Sus, een rijke pachterszoon, die te regt of te onregte, zich het katje van de baan, het haantje van het dorp waande. (Domien Sleeckx, Op ’t Eksterlaar. Herinneringen van afgestorven en van nog levende vrienden, 1863)
Verdoofd door het oorverdovende gekraai van de Haagse haantjes, ga ik stemmen op een sukkelig soort fatsoen. (Het Parool, 20/01/2003)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

haan ‘deel van een geweer’ (bet. van Engels cock)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De haan kraaide (driemaal), gezegd als aankondiging of constatering van leugen of verraad.

Het kraaien van de haan wordt in de bijbel genoemd in de geschiedenis van de verloochening van Jezus door Petrus. Alle vier de evangelisten vertellen hoe Jezus, tijdens de gesprekken over zijn aanstaande dood, de trouw van zijn volgelingen in twijfel trekt, en hoe Petrus onmiddellijk met een welgemeende trouwbetuiging antwoordt. 'Maar Jezus zei: "Ik zeg je, Petrus, deze nacht zal de haan niet kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je mij kent" (Lucas 22:34, NBV). Vóór de haan kraait wil zeggen: vóór de volgende ochtend, dezelfde dag nog; dit om te benadrukken hoe vluchtig Petrus' intenties zijn. Als Jezus gevangen genomen is, en Petrus door verschillende mensen gevraagd wordt of hij ook niet tot de volgelingen van die gevangene hoort, ontkent hij. Tot voor de derde keer iemand vraagt: '"Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in de olijfgaard?" Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan' (Johannes 18:26-27, NBV). Zie ook verloochenen.
Er wordt in dit verband soms over het driemaal kraaien van de haan gesproken, ongetwijfeld onder invloed van de drievoudige verloochening die door Jezus werd aangekondigd en door Petrus werd gepleegd. De evangeliën hebben het eenvoudigweg over kraaien; alleen Marcus komt tot een aantal van tweemaal.
Vaak wordt een verband gelegd tussen bovengenoemd verhaal en de uitdrukking daar kraait geen haan naar. Het is echter waarschijnlijker dat hier een oud volksgeloof aan ten grondslag ligt: een haan zou door kraaien de moordenaar aanwijzen als hij getuige van de moord geweest was.

Rijmbijbel (1271), v. 26149-51. Doe [na de vraag of hij Jezus kende] vloecte pieter ende suoer. / Dat hem die man was ombekent. / Ende die ane craide te hand. (Toen vloekte Petrus en zwoer dat die man hem onbekend was, en meteen kraaide de haan.)
Ik begrijp dat ge wel heel wat rond het hoofd hebt, en niet zomaar dadelijk een actie kunt inzetten. Doch nu, en ten tweede maal, kraait de haan. Zult ge Jeane en Boontje nogmaals verraden? (L. P. Boon, Brieven aan literaire vrienden, 1989 (Boon aan H. Lampo, 1952), p. 115)
Pa slacht onze kip / moeder braadt haar in heet vet / de haan kraait driemaal (S. van Hulzen (Senryu), www.nederlands.nl/nedermap/netgedichten/netgedicht/51465.html, actief 15-8-2005.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Haan Mannelijk Huishoen, Gallus gallus forma domesticus. In het ornithologisch jargon ook het ♂ van Fazant, Auerhoen en Korhoen. Bij de Kemphaan ↑: het ♂; vandaar fries Hoants ↑.
In de gewone omgangstaal zijn er erg veel uitdrukkingen en zegswijzen met haan (Haantje de voorste; Zijn haan wil koning kraaien; De haan kraait het hardste op zijn eigen mesthoop; hanenpoten, hanewaker etc.). Veel mensen hielden vroeger Kippen (zie Kip), dus ook de Haan speelde een voorname rol in het dagelijks leven.
Als volksnamen voor enkele middelgrote Roofvogels kennen we Hanebijter (= Bruine Kiekendief), Haneschop (= Buizerd) en Hinnenbrawier (= Rode Wouw) ↑. Zie ook onder Hoan(e)-; vgl. E Hen Harrier (= Blauwe Kiekendief). De N volksnamen voor Buizerd en Kiekendief lopen erg door elkaar.
ETYMOLOGIE N Haan <mnl hane (Glossarium Bernense c.1240); eerder al een onl woord in de Lex Salica (8e eeuw) [Sijs 2001]; fries hoanne <hôn <oudfries hona; oudengels hana (E cock <F coq); nederduits Haan <oudsaksisch hano; D Hahn <mhd hane <ohd hano; noors/deens/zweeds hane, ijslands/faerøers hani <oudnoords hani; gotisch hana; germ *hanan <idg *kan ‘zingen, klinken’ (Klankwet nr.9); (>fins/wepsisch/ests/wotisch/livisch kana kennelijk ontleend vóór de Germaanse Klankverschuiving!); Lat cano ‘zingen’; oudiers canim ‘ik zing’; Gr ēi-kanós ‘morgen-zinger, Haan’.
N Hoen ↑, Hen en brabants Hinne [VK; daar ook “waeter-hinne”] zijn ab-en umlautsvormen van ‘Haan’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haan ‘mannetje bij hoenderachtigen; trekker aan vuurwapens; (verouderd) tapkraan’ -> Negerhollands haan ‘mannetje bij hoenderachtigen; trekker aan vuurwapens; (water)kraan’; Berbice-Nederlands han ‘mannetje bij hoenderachtigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haan* mannetje bij hoenderachtigen 0701-800 [Lex Salica]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

746. Stappen als een haan van een stooter,

d.w.z. trotsch en fier stappen; eig. zoo fier als een haan van koek of een stuk kinderspeelgoed, dat een stooter (12 1/2 ct.) kost. De zegswijze is opgeteekend uit de geschriften der 18de eeuw; vgl. W. Leevend V, 209: Toen keek hy zo fier, als een Haan van een stooter, of een Prins van Biesjesdeeg; Abr. Bl. I, 135: De twaalfjarige Knaap gaat daar trotsch, als een haan van een stooter, over de straat; Harreb. I, 266: Hij loopt (of kraait) als een haan van een' stooter; Nkr. III, 1 Mei p. 6: Dus ging hij als een stootersch' haan op naar de Deputaten; De Arbeid, 9 Oct. 1915, p. 4 k. 1: In de dagen van succes en victorie konden wij Duys dan ook bij elke gelegenheid als een ‘haan van een stoter’ zien stappen. In het fri.: stappe as in stoaterske hoanne op in hjitte plaet (op een heete plaat); in Twente: hee tred as nen dreestuuvers hanen; Bergsma, 21: zoo dapper as 'n stoters haon; Eckart, 507: he strüvt sich as 'n dübbeltjes Kluckhenne; 199: hê sleit hinnût as 'n Honnigkôk'npärd; Jahrb. 38, 159: hee strüvet sick asse'n küaterhane; hij heeft moed als een stooters paardje (Harreb. II, 310); Molema, 167: stappen as 'n koater in de mörgendou; zij liep zoo trotsch als een doffer (in M. de Br. 35); loopen als een paard van een' daalder (Harreb. I, 112); Wander IV, 879: er stolzirt wie ein Hahn vor einem Kindchen; oostfri. hi stapt äs en huan fuar en Döötjen. Op Goerée en Overflakkee: Hij heeft een presentie als een lok van een daalder, hij zet een hooge borst op.

747. Den gebraden haan uithangen (of - spelen),

d.w.z. grof geld verteren, brassen. In de 17de eeuw leest men bij Winschooten, 180: deese lui speelen lustig den gebraaden haan, d.i. gaan prachtig, overdadig gekleed. Ook in den zin van bluffen, geuren was de zegswijze eertijds bekend; zie Gew. Weuw. II, 7; Spaan 34; Sewel, 307; Van Effen, Spect. VII, 230; Halma, 200: De gebraaden haan speelen in een gezelschap, faire le coq, ou le maître dans une compagnie; V. Janus 22; III, 11. In denzelfden zin gebruikte men vroeger ook den (dubbelen) haan maken, scheren, spelen (fr. faire le coq) en den dubbelen, den breeden haan spelen in dien van royaal leven. Hieruit blijkt, dat het wkw. uithangen moet worden opgevat in den zin van zich aanstellen als en dus niet voor de verklaring aan een uithangbord kan worden gedacht. Wellicht mogen we in deze uitdrukking eene herinnering zien aan een oud sprookje, waarin verteld wordt van een gebraden haan, die zich zeer aanmatigend en overmoedig gedraagt. Zie voor deze gissing Noord en Zuid, XXIII, 273, waar zulk een sprookje is medegedeeld, en verder het Ndl. Wdb. V, 1385; III, 1175.In Driem. Bl. XVII, 101 wordt gedacht aan den haan, dien men na den korenoogst bij het naar huis gaan medevoerde op een hooge met aren en bloemen versierde stang en daarna braadde en opat. In het fri.: de brette hoanne spylje, een hoogen toon aanslaan. Synoniem is het Noord- en Zuidnederlandsche de breeveertien spelen, - uithangen, - laten waaien (zie no. 349); in Zuid-Nederland ook den bonten Pier scheren (Volksk. XIII, 163); pannetje-vet spelen.

748. Zijn haan kraait (of is) koning,

d.w.z. hij is de baas; de uitdr. is ontleend aan een hanenwedstrijd, waarin zijn haan als overwinnaar is te voorschijn getreden; vandaar: hij heeft zijne zaak doen triomfeeren, hij is de baas. Ook zeide men in de 17de eeuw: zijn haan kraait boven (zie het Ndl. Wdb. V, 1385 en III, 885), en zijn haan is koning, waarvan Sartorius I, 3, 50, zegt ‘nostrates a gallis inter se de victoria certantibus metaphoram sumunt’.Over de hanengevechten hier te lande kan men raadplegen Ter Gouw, de Volksvermaken, 357-359. Vgl. ook Sewel, 416: Haar haan kraait koning (zy heeft de broek aan), she wears the breeches; Halma, 200: Zijn haan is koning, il dame le pion à tous les autres; in het Friesch: syn hoanne moat kening kraije; fr. il chante victoire; eng. to cry cock; vgl. hd. zu früh krähen.

749. Daar zal geen haan naar kraaien,

d.w.z. daar zal niemand de aandacht aan schenken; zich ‘druk’ over maken; gewag van maken; het zal nooit aan den dag komen. De uitdrukking dateert uit de 17de eeuw. We lezen haar o.a. bij Vondel, Joseph in Dothan, vs. 1259; in de Gew. Weuw. II, 25; III, 29 en later in Van Effen's Spect. IV, 159; Sewel, 416; enz. Ook in het nhd. is zij bekend: es kräht kein Hahn danach naast danach wird weder Hund noch Katze krähn; da kräht kein Katze nach (Borchardt, 194); in het nd.: doa kreit nich Hund ôr Hân na (Reuter, 50); in het oostfri.: dâr kreit gin henn of hân na (Dirksen I, 35); in het Friesch: der kraeit gjin hoanne nei. In Zuid-Nederland: daar zal hen noch haan over kraaien (Joos, 42; Antw. Idiot. 560; Waasch Idiot. 271 a); der en zal geenen haan achter (of over) kraaien (Teirl. II, 14); ook in Noordndl. dan kraait er geen hen of haan meer naar (in B.B. 78); in N.-Brab. daar zal niet éen haan naar kraaien (Ons Volksleven VIII, 227). Door Tuinman I, 242; Laurillard, 51 en Zeeman 256-257 wordt de oorspr. dezer zegswijze gezocht in het bekende verhaal van Petrus' verloochening van Jezus (Matth. 26: 75 en Luc. 22: 60, 61), doch ten onrechte, daar Jezus bedoelde dat Petrus vóor het kraaien van den haan, d.i. vóor het aanbreken van den morgen, Hem driemaal zou hebben verloochend. De Vries, Taalk. Bijdr. II, 43 meent, dat men den oorsprong moet zoeken in het volksgeloof, dat de haan den moordenaar aankraaide, van wiens aanslag hij getuige was geweest. ‘Wanneer dan eene misdaad in alle stilte gepleegd was en men rekende dat zij geheim zou blijven, zeide men daar zal geen haan naar kraaien.’Zie ook Gids, 1895 (3), bl. 53.

751. Haantje de voorste

of zooals men in Zuid-Nederland zegt een haantje vooruit, een Jan boven Jan (Joos, 76; Teirl. 203 en Schuermans, 170) of in de 17de eeuw Govert in 't voorste is onder de jongens de voorganger en aanvoerder bij vechterijen en kwajongensstreken. Haan beteekent hier eig. de voornaamste, de beste, de eerste, de baas, de meester; vgl. in Zuid-Nederland de haan van 't kot zijn. In de 18de eeuw komt deze benaming voor in Van Effen's Spect. VI, 229, Vgl. evenwel ook Pers, 719 a: Imbize, die 't haentjen alleene was. In het Boere-Krakeel, 8: Haantje by de voorste zijn; Sewel, 307: Hy is het haantje van de buurt (het katje van de baan), he is the cock of the parish. Vgl. verder het katje van de baan (zie Ndl. Wdb. VII, 1784), Pietje de voorste (fri. pytsje-de-foarste); de eng. uitdr. to be the cock of the walk (or of the parish), the dominant person; Ndl. Wdb. V, 1390.

752. Rood als een kalkoensche haan,

d.w.z. zeer rood, van toorn of van schaamte; eigenlijk zoo rood als de kam en de lellen van een kalkoenschen haan, wanneer hij kwaad wordt; Harreb. I, 267; Ndl. Wdb. VII, 1002. In de 17de eeuw was 't kalkoensche haentjen de bijnaam van den steeds bulderenden predikant Triglandt. In Zuid-Nederland zegt men: zoo rood gelijk een haan; fr. rouge comme un coq (Schuermans, 170) of rood als een kalkoen, als een gekamde (kwade) haan (Joos, 27). Vgl. ook hd.: rot, zornig wie ein Zinshahn; oostfri. so rod as 'n puter (Ten Doornk. Koolm. II, 780); hd. puterrot; eng. as red as a turkey-cock.

750. Den rooden haan in iets steken,

d.w.z. den brand in iets (een huis, een dak, eene plaats) steken. Bij ons luidde zij vroeger (15de eeuw): den rooden haan over iemands huis laten vliegen of laten gaan; een of den haan met den rooden kam laten vliegen (Ndl. Wdb. VII, 1047); later ook den rooden haan ontsteken, laten kraaien of door 't dak jagen; en thans nog den rooden haan uitsteken of uit iets, ergens uit steken, op 't dak zetten. Friedr. Kluge heeft eene zeer aannemelijke verklaring van deze uitdrukking gegeven in zijne studie over de dieventaal (Gaunersprache, Rotwelsch), waarin hij haar in verband brengt met de teekens die ‘Mordbrenner’ op huizen, kerken of kruisen aanbrachten om te kennen te geven, dat aldaar brand zou moeten worden gesticht. ‘Mehrere gute Quellenzeugnisse verweisen nämlich die zuerst bei Hans Sachs belegte Redensart unter die Mordbrenner, unter denen es wie unter Bettlern und Dieben schon im sechzehnten Jahrhundert eine besondere Zeichenschrift gab, die man neuerdings als Gaunerzinken bezeichnet. Eines derselben faszt man nun als Hahn auf, der Brandstiftung bedeutet, während der “rote” Hahn in unsrer Redensart wohl auf den Rötel (rood krijt) hindeutet, womit die Gaunerzinken gern an Kirchen und Straszenecken oder einsamen Kreuzen angebracht wurden’.Zie F. Kluge, Zeitschrift des Allgemeinen Deutschen Sprachvereins, XVI, sp. 8; Rotwelsch, Quellen und Wortschatz der Gaunersprache, I, 96-105; ook Unser Deutsch, 76; Günther, 99. Zie andere pogingen ter verklarng bij K. Müllenhoff, die Natur im Volksmunde, 48 en in Taal en Letteren IV, 110; 273; vgl. ook het Ndl. Wdb. V, 1387; Stallaert I, 547 a; Ons Volksleven V, 194; Nkr. VII, 26 Juli, p. 2: Een huis zonder achterdeur is gevaarlijk als de roode haan er in kraait (fig. voor 't socialisme); V, 17 Oct., p. 3: En in de Hofstad kraaide (op den rooden Dinsdag) de roode haan; Winschooten, 75, die den rooden haan verklaart als ‘een brandend Lont’, waarin hij door Sewel en Halma gevolgd wordt. Vgl. Nkr. IX, 9 Januari p. 2: Alleen dien stal kon ik nog vernielen; daar heb ik den rooden haan in laten kraaien; V.v.d.D. 62: Ik weet nog van 'n boer, die ons niet in z'n hooiberg wou laten slapen. ‘Dan gaat de rooie haan d'r op’, zei de Dalles met z'n raarste oogen; Handelsblad, 2 Maart 1915 (avondbl.) p. 6 k. 2: Wij hebben over het gedrag van sommige rijke Belgen, die hier een gemakkelijk onderkomen hebben gevonden en den gebraden haan uithangen, terwijl in hun ongelukkig land de roode haan kraait, in een Hollandsch blad niet willen beschrijven; Joos, 77; Waasch Idiot. 271; Antw. Idiot. 1734; Wander II, 269: jem. einen roten Hahn aufs Dach setzen (oder fliegen lassen) en Eckart, 182: 'n rô(d)n Hoan up 't Dack sett'n; fri. de reade hoanne op it hûs sette; eng. the red cock will crow in his house; there is a cock, daar is brand. Vondel gebruikt als synoniem van den rooden haan ontsteken ook roode paarden zadelenVgl. Vondel, VII, 647; Het bootsvolck voert de vlagh en wimpel, zwaeit de zwaerden, rolt tonnen buskruit voort of zadelt roode paerden, ontsteeckt den rooden haen; vgl. Ndl. Wdb. XIII, 1309..

1486. Er dienen geen twee groote masten op één schip,

d.w.z. er moeten in eene zaak niet twee personen naast elkander staan, die gelijke macht hebben; er moet maar één zijn, die de baas is; vgl. Winschooten, 153: Daar moeten geen twee groote masten op een Schip sijn: het welk in een oneigen sin genomen, beteekend: daar moet maar een den baas zijn. Zie verder Witsen, 491: Geen twee groote masten op een schip, geen twee konnen gelijck heerschen; regering in regeeringh is ondienstig; Cats I, 556; De Brune, Emblemata, bl. 11: Hier en sluytet niet, twee meesters op een winckel, twee groote masten tot een schip te hebben; Sewel, 479; Halma, 340; Tuinman I, 145; Harrebomée III, 291 en vgl. het fri.: op in skip moat mar ien greate mast (of mêst) wêze. Syn. was: daer dienen geen twee hanen op een werf (zie Sart. II, 98); hd. zwei Hähne taugen nicht auf einem Mist; in Zuid-Nederland: Geen twee keuningen op eenen korf.

1820. Pietje de voorste,

hetzelfde als haantje de voorste (no. 751); fri. pytsje-de-foarste. Vgl. C. Wildsch. VI, 66: Zotte gezelschappen, waarin jij altoos pietje de voorste waart. Het is niet noodig voor de verklaring van deze uitdr. te denken aan de driftige natuur van den apostel PetrusZooals in Archief I, 7; door Tuinman I, 10; Laurillard, 8 en Zeeman, 409 wordt gedaan., die nooit Pietje wordt genoemd; we hebben in Pietje niet anders te zien dan een gewonen jongensnaam evenals in een heele Piet (fri. in hele pyt), Piet Snot, Pietje Rechtuit, Pietje Vliegop, Piet Lut, Piet zoenHarrebomée II, 181., Zwarte Piet, Pietje of Hansken Pek (= Heintje Pik), Jan, Piet en Klaas (Jan en alleman; Afrik. Piet, Poul en Klaas), Pietje de dood (De Bo, 852; Antw. Idiot. 513 b; 517 b); enz. In Oud-Beierland spreekt men van een Fijchie (verkleinw. van Fya, Sophia) de voorsteOpprel, 55 a en Spaan, 97: Fytje de voorste..

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kan- ‘singen, klingen, auch von anderen Geräuschen’

Gr. κανά(σσω), Aor. κανάξαι ‘mit Geräusch fließen oder schütten’, καναχή ‘Getön, Geräusch’, καναχέω, καναχίζω ‘schalle, töne’ (vgl. στενάχω, στοναχή : στένω), ἠι-κανός ‘Hahn’ (‘in der Morgenfrühe krähend’); κόναβος ‘Geräusch’?
lat. canō, -ere ‘singen, erklingen, erklingen lassen’, canōrus ‘wohlklingend’ (vgl. sonōrus), carmen ‘Gesang’ (*canmen), umbr. kanetu ‘canito’, procanurent ‘praececinerint’, ař-kani ‘*accinium, cantus flaminis’; vielleicht auch lat. cicōnia ‘Storch’ (daraus wohl synkopiert praen. cōnea; vgl. zur Vokalstufe ahd. huon, russ. kánja);
air. canim ‘ich singe’, cymr. canu, bret. cana ‘singen’, mir. cētal n., cymr. cathl f. ‘Gesang’, bret. kentel f. ‘leçon’ (*kan-tlo-m, erst brit. zum Fem. geworden, s. Pedersen KG. II 66); dehnstufig mcymr. g(w)o-gawn ‘berühmt’, cymr. go-goniant ‘Ruhm’;
got. hana, ahd. usw. hano ‘Hahn’, fem. ahd. henīn, Gen. -nna (*hanen-i, -i̯ās), henna (*han[e]n-ī, -i̯ās) und anord. hø̄na ‘Henne’ (*hōnjōn), Pl. hø̄nsn (hø̄ns, hø̄sn) ‘Hühner’, ahd. huon ‘Huhn’ (germ. s-St. *hōniz);
vielleicht (Berneker 483 zw.) russ. (usw.) kánja, kanjúk ‘Milan, Weihe, durch sein Geschrei lästiger Raubvogel’ (: cicōnia);
toch. A kan ‘Melodie, Rhythmus’.

WP. I 351, WH. I 154 f., 212 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal