Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gutsen - (in stromen neervloeien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gutsen ww. ‘in grote hoeveelheden stromen’
Vnnl. daer de yskegels ... inden gudzenden draeypoel bommen ‘waar de ijskegels in de druisende draaikolk plonzen’ [1669; WNT], de bron, die gudst van bloed en tranen [ca. 1670; WNT trotsmoedig]; nnl. zodanig ... dat 'er 't bloet by neder gudsde [1724; WNT spiegelgevecht], gudsen of gudzen “tappelings afloopen, met gedruis ontspringen, uytvloeyen” [1768; Marin]; maar al mnl., gezien de afleiding watergudsyngh ‘overstroming’ [1477; Teuth.].
Herkomst onzeker. Misschien een gedissimileerde variant van het gelijkbetekenende vnnl., wrsch. klanknabootsende, werkwoord gussen, zoals ook dretsen ‘spatten’ bij vnnl. dressen ‘spatten, sprenkelen’ en hotsen ‘hobbelen, dooreengeschud worden’ bij vnnl. hossen ‘id.’, hoewel daarmee de -d- in de tot het einde van de 19e eeuw voorkomende vormen gudsen, gudzen niet wordt verklaard. Hetzelfde bezwaar geldt bij aanname van een contaminatie met mnl. gieten ‘schenken, gieten’ met goysen, guysen ‘gutsen, ruisend stromen’ [1350; MNW], vnnl. guizen, guisen [1588; Kil.] en gosselen, gusselen (“Vlaams”) [1588; Kil.] met dezelfde betekenis (ook Engels guzzle ‘inzwelgen, opslokken’). FEW legt verband met Frans gouge ‘guts, holle beitel’ [1344; Rey] < Laatlatijn gubia gulbia ‘id.’, van Keltische oorsprong; van dit woord komen nevenvormen voor als Waals gouche en Provençaals goudze. BDE voert gouge, dat ook in het Engels ontleend is, echter terug op een Proto-Indo-Europese wortel met betekenis ‘uitsteken, uitrukken’, de verwante Keltische vormen hebben betekenissen als ‘stekel’, ‘mespunt’ en ‘scherpe snavel’; semantisch gezien lijkt verwantschap dus niet erg waarschijnlijk.
Bij vnnl. gussen on. gjósa ‘stromen, gutsen’ (nde. gyse ‘rillen’); ook on. gusa ‘stromen, gutsen’, waaruit wrsch. niet (OED) me. guschen, gosshen (ne. gush ‘stromen, gutsen’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gutsen* [in stromen neervloeien] {1659} intensivum van gieten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gutsen ww., mnl. gudsen (zelden). Men zal dit woord wel als intensief vorm bij gieten mogen plaatsen. Men kan dan denken aan een kruising met het bij Kiliaen voorkomende guysen, vgl. ne. gush en on. gjōsa ‘stromen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gutsen ww., mnl. (zelden) gudsen. Formeel is directe verwantschap met germ. ʒeut- (gieten) mogelijk, met ʒeus- (eng. to gush “gutsen” enz.; zie bij gul II) alleen dan, als wij de ts aan vervorming mogen toeschrijven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gutsen 2 ono.w. (tappelings uitloopen), intens. van gieten, terwijl Eng. to gush en On. gjosa van een stam geus-, verwant met dien van gieten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gótsje (ww.) stortregenen; Nuinederlands gudzen <1669> < Rienlands götschen.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

goeitsen, ww.: slaan. Wellicht var. van gutsen; vgl. gatsen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gutsen* in stromen neervloeien 1659 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal