Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gruzelementen - (scherven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gruzelementen zn. mv. ‘kleine stukjes en brokjes, scherven, diggelen’
Nnl. aan duizend gruizelementen ‘in duizend stukjes’ [1839; WNT], aan duizend gruizementen [1851; WNT], gruizelmenten ‘diggelen, stukjes’ [1873; De Bo], gruzelementen ‘id.’ [1895; WNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -ment van gruizelen ‘klein maken, tot gruis slaan’ [1828; WNT], een frequentatieve afleiding van → gruis. Het al eerder aangetroffen grusementen [1709; WNT] kan op dezelfde wijze zijn afgeleid van het oudere werkwoord gruzen, gruizen (vnnl. gruysen ‘tot gruis maken’ [1599; Kil.]), waarvan gruzelen, gruizelen een frequentatief is. Parallelle vormen zijn het inmiddels verouderde zn. mutselementen, dat van het werkwoord mutselen, metselen ‘vermorzelen’ wordt afgeleid [1875; de Jager, I/388] en het zn. prevelement bij → prevelen; gezien deze parallellen lijkt voor gruzelementen afleiding van gruizel ‘klein brokje’ (zie → gruis) met het suffix -(e)ment minder waarschijnlijk.
De ongediftongeerde u i.p.v. ui is opvallend. Gedurende de gehele eerste helft van de 20e eeuw komen in drukwerk zowel gruzelementen als de oudere vorm gruizelementen voor. Gruzelen was daarentegen al in de 19e eeuw zeer zeldzaam. De -u- in gruzelementen wordt wel beschouwd als “affectieve variant” van de -ui- in gruizel, gruizen, zoals bij duvel naast duivel (zie → geduvel), maar gruizelementen is ontstaan lang nadat de diftongering u > ui voltooid was en het is niet erg waarschijnlijk dat de expressiviteit van een woord daarna nog spontaan tot klinkervariatie leidt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gruizelementen, gruizementen, gruzelementen, gruzementen [scherven] {grusementen 1709, gruizelmenten 1873} van gruizel + de uitgang -(e)ment, als in kakement, zielement, prevelement.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gruizel znw., gruizelementen znw. mv., afll. van gruis; ’t laatste gew. met ü gesproken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

garzelementen, gerzelementen, zn. mv.: gruzelementen. Door metathesis en in gar- voortonige klinkerversterking.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gruzelementen ‘scherven’ -> Duits dialect Grusementen ‘scherven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gruzelementen scherven 1873 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal