Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gruis - (verbrijzeld materiaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gruis zn. ‘verbrijzeld materiaal’
Mnl. greus [1336-39; MNW], greuys, groys [1364-65; MNW], greys [voor 1450; MNW], groeys ‘grof zand, steenslag’; vnnl. gruys ‘puin, steenbrokken’, gruys, sand ‘kiezel, aarde met stenen’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Frans grès ‘zandsteen, zandsteenaarde, zandsteengruis’, Oudfrans (Waals) ook groisse ‘kiezel, kolengruis’. Dit is een Germaans leenwoord; men reconstureert als Frankisch *greot ‘zand, kiezel’, zie → grut.
Dit woord bevat al van het begin af aan een tweeklank (net als in het Oudfrans), die in het Middelnederlands nog in veel verschillende vormen en spellingen verschijnt. Al in het Vroegnieuwnederlands schrijft men vrijwel uitsluitend -uy-, -ui-; zie ook → buitelen.
gruizel, gruzel zn. ‘klein brokje, fragmentje’. Nnl. in gruizelen ‘in duizend stukjes’ [1810; WNT], tot gruizels slaan ‘in duizend stukken slaan’ [1878; WNT]. Afleiding van gruis met het achtervoegsel -el, zie → druppel. Ook wel in de vorm gruzel: in gruzels ‘in stukken, helemaal kapot’ [1991; Algemeen Dagblad], ook overdrachtelijk: het sprookje aan gruzels ‘helemaal weg’ [1994; Parool]. Zie ook → gruzelementen.
Lit.: F. Debrabandere (1983), ‘Gruis en greis’, in: Taal en Tongval 35, 25-26

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gruis* [verbrokkelde stof] {gruus, gruys 1300-1450} van een i.-e. stam met de betekenis ‘malen’, waarvan ook gort stamt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gruis znw. o., mnl. gruus ‘grof gemalen koren, zemelen’ en greuys, groeys, greus, groys ‘gruis, grof zand, kiezelzand’ (dit misschien uit of beïnvloed door waals groisse ‘kiezel, kolengruis’? zie vHaeringen Suppl. 62). — Daarnaast staat nog mnl. greis, grees ‘gruis’, dat te verbinden is met mnd. gris ‘grof zand’. — > ne. dial. grouse ‘kiezel’ (vgl. Bense 130).

Deze vormen germ. *grisa: *greusa, grusa bewijzen vocaalvarianten, die van min of meer affectieve aard kunnen zijn (zie J. de Vries, PBB 80, 1958, 14-15). — Westgerm. *greusa behoort bij de idg. wt. *ghreu ‘malen’, waarvoor zie: gort. Met het oog op lit. grūdžiu ‘vaststampen’ kan men uitgaan van idg. *ghrud-to (FW 219), maar men kan ook aan een s-formans denken (IEW 461). — Het is aan te nemen, dat het begrip gruis oorspronkelijk de grofkorrelige massa voor de lemen wand van het huis aanduidde. — Afl. zijn verder gruizen (> fra. gruser sedert de 15de eeuw en gréser, vgl. Valkhoff 154) en gruizelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gruis znw., o. Kan formeel zoowel uit mnl. gruus o., “grof gemalen koren, zemelen” ontstaan zijn (nog dial. gruis “zemelen”) als uit mnl. greuys, groeys, greus, groys o. “gruis”, welks grondvorm niet zeker is vast te stellen. Hiernaast nog mnl. (nog wvla.) greis, grees o. “gruis”. Dit laatste woord is duister; ablaut met mnd. grîs “grof zand” is niet wsch. (grîs uit mhd. grieʒ? Evenzoo Kil. gries “gruis, zemelen”?). Mnl. gruus = nd. grûs (> de. zw. grus), fri. grûs o. “gruis” en kan germ. *ʒrû-sa- of *ʒrûssa- > *ghrûd-to- zijn. In beide gevallen is verwantschap met gort aannemelijk; in ʼt eerste is die verwantschap minder na: direct vgl. dan čakavisch grúh “puin”. Vgl. nog idg. *ghrou-ĝ(h)o- in po. gruz “puin”, lit. gráużas “grint, kiezel”. Mnl. greuys enz. kan formeel uit *ʒrujasa-, *ʒrujisa- ontstaan zijn, maar zoo’n grondvorm is niet wsch. Wellicht is *ʒrûsa- resp. *ʒrûssa- de eenige grondvorm, waaruit door vervorming greuys en grees.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gruis. De ui2 (vgl. fluit Suppl.) van mnl. greuys, groeys, greus, groys, greis ‘gruis, grof zand, kiezelzand, puin’ doet denken aan ontl. aan of vervorming onder invloed van ofr. (waals) groisse ‘kiezel, kolengruis’ (vgl. zwitsers-fr. groise ‘kiezel’), waarnaast ofr. grez, fr. grès ‘zandsteen, zandsteenaarde, zandsteengruis’. Vla. grees, zovla. geres ‘puin’ sluiten zich dan aan bij de fr. vormen met e, è. Het fr. woord zelf wordt afgeleid uit het germ. woord (mnl. griet, ohd. grioʒ enz.) dat bij gort vermeld is. — Mnd. grîs ‘grof zand’, niet in het Mnd. Hwb. opgegeven, blijft bij de verklaring van de mnl. vla. vormen in ieder geval buiten geding.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gruis o. (puin), Mnl. gruus + Mhd. grüʒ (Nhd. grausz), met gries van Germ. wrt. greus, bijvorm van wrt. greut, waarvoor z. gruit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kruis, kroos, zn.: roet. Vnnl. krosel, kruysel ‘zwartsel’ (Kiliaan). Variant van gruis < Ofr., Waals groisse ‘kiezel, kolengruis’. Ook wel vanwege het zwarte askruisje dat katholieken zich op aswoensdag op hun voorhoofd lieten drukken.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

geres, zn.: brokjes, kruimels (van koekjes); koffiedik. Vlaams greis, grees ‘gruis, m.n. steengruis’. Mnl. greis, greys, grees, groys ‘kiezelzand’. 1418 van dat hem eenen hoop greys besteit was uten scepenenhuuse te voerene, Kortrijk (Debrabandere 2002), Vnnl. gruys ‘steengruis’ (Kiliaan). Uit Ofr. grez > Fr. grès ‘zandsteen’ < Germ. greusa. - Lit. : F. Debrabandere, Gruis en greis. TT 35 (1983), 25-26.

kruis 1, zn.: roet. Vnnl. krosel, kruysel ‘zwartsel’ (Kiliaan).Variant van gruis < Ofr., Waals groisse ‘kiezel, kolengruis’. Ook wel vanwege het zwarte askruisje dat katholieken zich op aswoensdag op hun voorhoofd lieten drukken.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

greis (G), zn. o.: gruis, m.n. steengruis. Ook Wvl. Mnl. greis, greys, grees, groys 'kiezelzand'. 1418 van dat hem eenen hoop greys besteit was uten scepenenhuuse te voerene, Kortrijk, Vnnl. gruys 'steengruis' (Kiliaan). Uit Ofr. grez > Fr. grès 'zandsteen' < Germ. greusa. - Lit. : F. Debrabandere, Gruis en greis. TT 35 (1983), 25-26.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1gruis s.nw.
1. Klein klippies of stukkies klip. 2. Grofkorrelrige grond. 3. Vaste stof in verbrokkelde vorm.
Uit Ndl. gruis (1573 in bet. 1, 1615 in bet. 2, 1634 in bet. 3). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

greis, grees gruis (West-Vlaanderen, Gent). = nl gruis « ofra. grez (= fr. grès ‘zandsteengruis’) « een germ. woord (vgl. wvla. gruus ‘zemelen’ (~ gort)).
TT XXXV 25-26, EW 157.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

greis (K, O, DB), grees (GG: Wervik), zn. o.: gruis, m.n. steengruis. Mnl. greis, greys, grees, groys ‘kiezelzand’, Vroegnnl. gruys ‘fragmenta lapidum’. 1418 Willekine van Caneghem van dat hem eenen hoop greys bestelt was uten scepenenhuuse te voerene, Kortrijk; 1606 te zuyveren ende weeren alle de eerde, greys ende steenen van de calsyde, Oostende. Uit Ofr. grez > Fr. grès ‘zandsteen’ < Germ. greusa. -Lit: F. Debrabandere, Gruis en greis. TT 35 (1983), 25-26.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gort is de metath. van grut, afl. van den Germ. wt. grut = korrelig zijn. Grut heeft de bet. aangenomen van: fijngemaakte korrels (n.1. van gerst) en verder: alles wat klein is; bijv. wat een grut! (= kleine kinderen). Ook gruis brengt men er mee in verband.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gruis ‘verbrokkelde stof’ -> Duits Grus ‘verbrokkelde stof’ <via Nederduits>;? Deens grus ‘verbrokkelde stof’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors grus ‘verbrokkeld gesteente’; Ests kruus ‘verbrokkelde stof’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans groisil ‘verpulverd glas in een glasfabriek’; Frans dialect gruis, grü ‘zemelmeel’; Papiaments greis ‘onregelmatige, meestal kleine steentjes’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gruis* verbrokkelde stof 1330 [Jacobs 14]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal