Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grootbek - (iemand met en grote mond; iemand die bij het spreken speeksel rondspettert)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variƫteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1grootbek s.nw. (geselstaal)
Iemand wat geneig is om te spog wanneer hy praat.
Uit Ndl. grootbek (1787 - 1789).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1942).

2grootbek b.nw. (geselstaal)
Wat geneig is om te spog wanneer daar gepraat word.
Afleiding van grootbek (1grootbek).

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal