Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

groeten - (iemand goedendag of gedag zeggen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

groeten ww. ‘iemand goedendag of gedag zeggen’
Onl. (Hoogduits beïnvloed) gruozen ‘aanspreken’ in so siu scal gegruozet werthan ‘als men haar zal aanspreken’ [ca. 1100; Will.]; mnl. gutlike sine gruten ‘vriendelijk begroetten zij hem’ [1200; CG II, Servas], hi metten spere groete ‘hij begroette met de speer = hij viel aan’ [1276-1300; CG II, Perch.], dar groetedse ihesus te ghemoete ‘daar kwam Jezus hun groetend tegemoet’ [1285; CG II, Rijmb.].
Os. grōtian ‘aanspreken, groeten’; ohd. gruozzen (nhd. grüssen); ofri. grēta ‘in rechte aanspreken, aanvallen, groeten’; oe. grētan ‘aanspreken, groeten, aanvallen’ (ne. greet); < pgm. *grōtjan- ‘weerklinken’ (alleen West-Germaans), causatief van pgm. *grētanan-, waarbij os. grātan ‘wenen’, mhd. grāzen ‘schreeuwen’; oe. grǣtan, grētan, grātan ‘(be)wenen’ (ne. dial. greet ‘wenen’); on. gráta ‘wenen’ (nzw. gråta); got. grētan ‘wenen’.
Verdere herkomst onduidelijk. Wellicht terug te voeren op pie. hred-, dat dan een afleiding kan zijn van pie. her- ‘roepen’ (IEW 439). De verbinding met → gretig (FvW), is wrsch. niet juist.
groet zn. ‘het groeten, betuiging van beleefdheid, heilwens’. Mnl. grute ‘begroeting, heilwens’ [1240; Bern.], alsonder orlof ende grute ‘zonder afscheid of groet’ [1265-70; CG II, Lut.K], dien groeti met felre groete ‘die verwelkomt hij met een felle aanval’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; vnnl. groete, gruete ‘begroeting, heilwens’ [1573; Thes.]. Afleiding van groeten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

groeten* [gedagzeggen] {groeten, groten [uitnodigen, in rechte aanspreken, groeten] 1200} oudsaksisch grotian, oudhoogduits gruozzen [aanspreken, groeten], middelhoogduits grazen [schreeuwen], oudfries greta [in rechte aanspreken] (vgl. grietenij), oudengels gretan [jammeren, aanspreken, groeten], gotisch gretan, greitan, oudnoors gráta [huilen]; buiten het germ. (onzeker) oudindisch hrādate [het klinkt]; de grondbetekenis is wel ‘roepen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

groeten ww., mnl. groeten ‘groeten, (minder vaak) opwekken tot, aanvallen, (saks.-fri.) in rechte aanspreken’, os. grōtian ‘aanspreken, groeten’, ohd. gruoʒʒen, gruozzzen ‘aanspreken, somméren, aanvallen, verontrusten, groeten’, ofri. grēta ‘aanklagen, voor het gerecht uitdagen, dagvaarden’, oe. grētan ‘aanspreken, groeten, bezoeken, aanvallen (ne. greet), vgl. on. grœta ‘doen wenen’ (< *grōtjan), causatiefformatie bij mhd. grāʒen ‘schreeuwen; hartstochtelijk zijn’, on. grāta, got. grētan ‘wenen’. — oi. gharghara- ‘ratelend, gorgelend’, lat. hirrīre ‘janken, knorren’, tsjech. hrčeti ‘ratelen, snorren’.

Uit de algemene bet. ‘schreeuwen’ heeft het germ. een reeks van andere ontwikkeld. Allereerst werd het gebruikt voor het roepen in geval van overval, moord, roof, verkrachting om de hulp der buren in te roepen; dan werd het ‘roepen bij het voorbrengen van de klacht voor het gerecht’ (vgl. nhd. zeter); daarna algemeen roepen van smart. De bet. ‘groeten’ zal ook stammen uit de rechtstaal: het aanspreken van de partijen voor het gerecht. Eveneens volgt uit de gerechtelijke aanklacht ook de bet. ‘aanvallen’ (vgl. L. L. Hammerich, Clamor, eine rechtsgeschichtliche Studie 1941). — In het Fries is de juridische kant van het begrip grēta sterk ontwikkeld blijkens afleidingen als grētman (grietman) ‘rechter’, fri. gritenije (grietenij) ‘landdistrict; landelijke gemeente’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

groeten ww., mnl. groeten “(be)groeten”, minder vaak “opwekken tot, aanvallen, (saks.-fri.) in rechte aanspreken”. = ohd. gruoʒʒen (gruozzen) “aanspreken, sommeeren, aanvallen, verontrusten, groeten” (nhd. grüssen), os. grôtian “aanspreken, groeten”, ofri. grêta “aanklagen, voor ʼt gerecht tot een gevecht uitdagen, voor ʼt gerecht dagen” (afll. owfri. grêtman m. “rechter, grietman”, fri. grytman en fri. gritenij(e) “landdistrict, landelijke gemeente, grietenij”), ags. grêtan “aanspreken, (be)-groeten, bezoeken, aanvallen” (eng. to greet). Een causatief-formatie — ook de causatief-bet. heeft on. grø̂ta “aan ʼt schreien maken” — bij mhd. grâʒen “schreeuwen, hartstochtelijk, aanmatigend zijn”, on. grâta, got. gretan “weenen”. Of van een basis ĝhrĕd en verwant, met oi. hrā́date “hij geeft geluid” óf van ghrĕd- en verwant met gr. phrázō “ik zeg”, opr. gerdaut “zeggen”, waarbij nog pehl. grîstan, nperz. girī̆stan “klagen, weenen” gebracht is. In beide gevallen kan ier. gres “gast” (s(s) uit d-t) verwant zijn. Vgl. gretig en grol. — Van groeten gevormd: 1. ohd. gruoʒ (nhd. gruss) m., mnd. grôt m., misschien ook mnl. groet m., waarop dan nnl. groet teruggaat, dat anders = 2. mnl. groete, groet v., mhd. gruoʒe, grüeʒe, mnd. grôte v. is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

groeten o.w., Mnl. id., Os. grôtian + Ohd. gruoʒʒen (Mhd. grüeʒen, Nhd. grüszen), Ags. grétan (Eng. to greet), Ofri. gréta. De bet. zijn: te lijf gaan, uitdagen, aanspreken (z. gretig).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

groeten (groette, heeft gegroet), (ook:) 1. een kort bezoek brengen; een praatje maken met. Ze had een lief dochtertje. Eens toen zij vacantie had, had zij het meisje gebracht om ons te groeten (Dobru 1968c: 21). - 2. de groeten doen. Ze wilde niet binnenkomen, ’je ziet me deze week nog wel, groet je moeder’ Doelwijt (1972: 40). - Syn. van 1 zien*. Zie ook: mooi* groeten.
— : laten groeten (liet g., heeft laten g.), de groeten laten doen. Ma laat tante groeten, zei Armand, ze heeft een koek voor tante gebakken (Maynard a: 9)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

groeten ‘gedagzeggen’ -> Zuid-Afrikaans-Engels greet ‘zich bekendmaken, gedagzeggen, afscheid nemen’ <via Afrikaans>; Ambons-Maleis grut ‘gedagzeggen’; Kupang-Maleis grut ‘gedagzeggen’; Menadonees grut ‘groeten door te knikken’; Negerhollands groet, gruet, groetnes ‘gedagzeggen’; Surinaams-Javaans khrut ‘de groeten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

groeten* gedagzeggen 1200 [CG II1 Servas]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal