Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grill - (braadrooster)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

grill zn. ‘braadrooster’
Nnl. grill ‘braadrooster’ [1937; ter Laan], grilloven ‘oven met ingebouwde braadroosterinstallatie’ [1940; WNT Aanv.], voor het bakken, roosteren, gratineren en grilleren van vlees kan tevens worden gebruik gemaakt van een grill [1954; WNT Aanv.].
Ontleend aan Engels grill ‘toestel om op te roosteren’ [1907; OED], eerder al ‘braadrooster op vuur’ [1685; OED], ontleend aan Frans gril ‘braadrooster’ [1393; Rey], naast grille ‘hek, rooster, traliewerk’ (ouder greille [1372; Rey], graïlle [ca. 1200; Rey], gradilie ‘rooster, traliewerk, folterwerktuig’ [eind 10e eeuw; Rey]) < Latijn crāticula ‘roostertje, braadroostertje’, verkleinwoord van crātis ‘vlechtwerk, mandenwerk’, waarvan ook → krat, misschien verwant met → hor.
grille zn. ‘rooster voor radiateur van auto’. Nnl. griel ‘rooster waarover papiermassa loopt bij de productie van papier’ [1897; WNT Aanv.], grille ‘tralie, rooster’ [1847; Kramers], ‘rooster, traliewerk, dat een (raam)opening afsluit’ [1923; WNT Aanv.]. Ontleend aan Frans grille ‘hek, rooster, traliewerk’ [1372; Rey], en dus hetzelfde woord als het hierboven behandelde grill. ♦ grill(er)en ww. ‘roosteren op of onder een grill’. Nnl. grilleren ‘op een rooster braden’ (naast ‘van traliewerk voorzien’) [1824; Weiland], deze ovens worden gebruikt voor het grilleren (roosteren) van vlees [1951; WNT Aanv. grill], grillen [1961; van Dale]. De oudste vorm grilleren is ontleend aan Frans griller ‘roosteren, braden op een rooster’ [ca. 1200; Rey], afleiding van grille. Recent is de nevenvorm grillen, inheemse afleiding van het zn. grill.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grill [vleesrooster] {na 1950} < engels grill < oudfrans grille, graïlle [rooster] < latijn craticula [braadrooster], verkleiningsvorm van cratis [vlechtwerk] (vgl. griel1).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

grill (Engels grill)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

grill [gril] inrichting om vlees te roosteren, eventueel met draaispit.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

grill zn. Ontleend aan het Engels.
[voedsel] = vleesrooster, braadrooster, schroeiplaat. Biefstuk van het braadrooster heeft een mooiere korst dan die uit de sudderpan.
Een elektrische schroeiplaat werkt veel beter dan een houtskoolrooster.

= wedstrijdpunt.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grill vleesrooster 1954 [Aanv WNT] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

grill, only in compounds [ɡrɪl, γr-] Koenen 1974; Van Dale 1976. Compounds/derivations: grilll restaurant, grill-specialiteit. Loanword from English grill n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal