Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

griend - (waard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

griend zn. ‘rijshout aan het water’
Mnl. op die meenthe ofte greent ‘op de meent of de uiterwaard’ [na 1383; MNW], in een grient ‘in een griend’ [voor 1423; MNW], grynt ‘zandplaat, strand; uiterwaard; wilgenbos’ [1477; Teuth.]; nnl. griendt ‘rijsbos, wilgenbos’ [1717; Marin].
Met paragogische -t, waarvoor zie → arend, ontwikkeld uit ouder, maar niet geattesteerd mnl. *green.
Zonder -d/-t aan het eind: mnd. grēn ‘korrel’ (maar zie → grein), mhd. grien ‘zand, zandige plaats’, on. grjón ‘korreltje’ (nzw. gryn); < pgm. *greuna-, een (formeel onverklaarde) variant van pgm. *greuta-, zie → gort en → grut; zie ook → gruis.
De betekenis heeft zich ontwikkeld van ‘zandige oever’ en ‘kiezelige oever’ naar ‘de begroeiing van zo'n oever’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

griend1* [waard] {grient, greent, griend [zandgrond, met bomen beplante strook, met wilgen begroeid buitendijks rivierland] 1376-1400} nevenvorm van grind2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

griend znw. v., mnl. grient m. (oostelijk nl. greent) ‘zandgrond’, nnl. dial. in Oostel. Nl. en in Z. Nl. o.a. bij Brussel, Dendermonde, Tongeren, mnd. grēn, grien m. ‘zand, zandige plaats’, mhd. grien m. o. ‘kiezelzand; zandige oever’, on. grjōn o. ‘meel; pap’. — Zie voor verdere aanknopingen onder gort (IEW 460) en verder: grind.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

griend znw., mnl. grient (oostelijk greent) (d) m., met de afl. mnl. griendinghe v. “zanderij”. Griend is van *grien [= mhd. grien m. o. “kiezelzand, zandige oever, zandige vlakte”, mnd. grên m. “korrel” (zie echter grein), on. grjôn o. “korreltje”], germ. *ʒreu-na- gevormd, een formantische variant van *ʒreuta-: zie gort. Zie verder bij grind.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

griend. Schrap: “mnd. grên m. ‘korrel’ (zie echter grein)” en lees daarvoor: “mnd. grên, grien o. ‘zand, zandige plaats’.”

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

griend v., Mnl. grient + Mhd. grien (Nhd. griend), bijvorm van grind. De eerste bet. was grond met kiezel of grof zand.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

griend 'aan of in het water gelegen grond waar rijshout gekweekt wordt'
De oorspronkelijke betekenis van griend is 'aan of in het water gelegen zandige of kiezelachtige strook grond'. Later ontwikkelde deze betekenis zich tot 'in of aan water gelegen grond waar rijshout (wilgen- en elzenhakhout) gekweekt wordt'. In Limburg duidt een griend meestal op grindbanken in de Maas, zoals 1723 St. Renerusgriend (bij Roermond)1. Griend is ook de naam van een zandplaat in de Zuiderzee, overblijfsel van het in de 13e eeuw nog welvarende eiland Griend, ca. 1245? Grind, 1398 die Grint, gelegen tussen Harlingen en Terschelling. Het eiland werd grotendeels door de zee verzwolgen bij de Sint Luciavloed van 1287.
Lit. 1Renes 1999 138.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

griend* waard 1376-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal