Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grein - (korrel; klein gewicht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

grein zn. ‘korrel; klein gewicht’
Mnl. grein, green ‘korrel’, in pume ghernaten eten si ghemene want si in ebben vele grene ‘granaatappels heten zij gewoonlijk, want zij hebben veel pitten’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ‘gewichtseenheid voor edele metalen en edelstenen’ in zes peninghe cooninx silvers, een greyn onder of boven ‘zes penningen van koningszilver die een grein in gewicht mogen afwijken’ [1371-1423; MNW]; nnl. het verkleinwoord in de verbinding (g)een greintje: in geen greintje gelukkiger ‘niet in de geringste mate’ [1784; WNT] en een greintje gezond verstand ‘een heel klein beetje’ [1848; WNT].
Ontleend aan Frans grain ‘korrel’ [ca. 1160; Rey], ook grein [1225; TLF], ontwikkeld uit Latijn grānum ‘id.’, zie → graan, dat rechtstreeks aan het Latijn werd ontleend. Zie ook → karaat.
In het Oudfrans evolueerde de beklemtoonde a + nasaal in de 12e eeuw tot een genasaliseerde diftong ei; dat verklaart de vorm van het toenmalige ontleende Nederlandse woord. Pas later, in de 17e eeuw, is de reductie van die diftong naar de hedendaagse Franse klank van grain een voldongen feit.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grein [korrel, gewichtje] {grein(e), grain [korrel, pit, gewicht] 1287} < frans grain [korrel, kleine hoeveelheid, in Canada: klein gewichtje] < latijn granum [korrel, pit] (vgl. graan1, grofgrein); dat zaden zijn gebruikt als gewichtjes was niet ongewoon. Zaden met een constant gewicht werden bv. tot laat in de 19e eeuw in Ghana gebruikt voor het wegen van stofgoud.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

grein znw. o., mnl. grein o. ‘korrel, pit, kern, het puik, klein gewicht’ < fra. grain, graine ‘korrel’ < lat. grānum, mlat. grāna ‘korrel’. Ook mnd. grēn betekent ‘korrel, kleingewicht enz.’. — Hetzelfde woord is de stofnaam grein, mnl. grein, grofgrein, grogrein ‘halfzijde, kameloot’, evenals mnd. grofgrön, groffgrein, ne. grogram < fra. gros grain, zo genoemd naar graine ‘eitjes van de zijdeworm’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

grein znw., o., mnl. grein o. “korrel, pit, kern, paradijskoren, scharlakenbes, karmijn, het puik, klein gewicht”. Uit fr. grain, graine “korrel” (en verwante bett.), dit van lat. grânum, mlat. grâna (eig. mv. van grânum). Evenzoo mnd. grên, grein m. “korrel, klein gewicht, scharlakenbes, karmijn’’, eng. grain, ʼt Zelfde woord als grein “korrel” is de stofnaam grein, grof-grein, mnl. grein, grofgrein, grogrein o. “halfzijde, kameloot”. Dit evenals mnd. grofgrön, groffgrein, eng. grogram uit fr. gros grain, zoo genoemd naar graine “de eitjes van den zijdeworm”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

grein 1 o. (zaadkorrel, paradijskorrel, scharlakenbes, kostbaarheid, gewicht), uit Fr. grain, van Lat. granum = graankorrel, klein gewicht (z. graan 1).

grein 2 o. (stof), uit Fr. graine, collectieve benaming van de eitjes van den zijdeworm, van Mlat. grana, meerv. van granum (z. grein 1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

grein zn.: mengsel van korensoorten (als veevoer), kracht, voedingswaarde. Mnl. grein ‘korrel, graankorrel, graan; pit, kern; puik’. Uit Fr. grain ‘graan’ < Lat. granum.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

grein s.nw.
1. Korrelrigheid, korrel. 2. Klein gewigseenheid. 3. Ruwe oppervlak. 4. Draad van hout.
In bet. 1 - 3 uit Ndl. grein (1658 in bet. 1, 1820 - 1829 in bet. 2). Bet. 4 is wsk. 'n leenbetekenis van Eng. grain (1674). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) in die afleiding greinerig.
D. Gran (15de eeu), Fr. grain (12de eeu).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

grein, grèèn koren (Belgisch-Limburg). = mnl grein ‘korrel’ « fra. grain ‘korrel, graan’ ‹ lat. grānum ‘korrel’ (ablautend ~ koren, got. kaurn, obulg. zrŭno ‘korrel’).
WLD I afl. 4, blz. 7-8.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

grein (Frans grain)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Graan van ’t Lat. granum = korrel, Fr. grain, waarvoor bij ons grein (apotheeksgewichtje). Van ’t zelfde granum komt granaat = appel vol korrels (Granada = het land der granaten), ook: kogel vol korrels, evenals het edelgesteente, dat in korrels voorkomt. – Ook graniet: korrelige steen, behoort hier thuis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

grein ‘gewichtje, korrel’ -> Japans † gerein ‘gewichtje’; Papiaments † grein ‘korrel’.

grein ‘bepaald weefsel’ -> Duits dialect Graen ‘weefsel’; Javaans † grim ‘zwarte kledingstof’; Makassaars garī̂ng, garē̂ng ‘soort stof’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grein korrel 1287 [CG NatBl] <Frans

grein gewichtje 1371-1423 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal