Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

graven - (in de grond spitten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

graven ww. ‘in de grond spitten’
Onl. gruouon ‘zij groeven’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. grauen ‘begraven’ [1236; CG I, 29], grauen ‘graven, graveren, uitsnijden’ [1240; Bern.], graven ende luken ‘kuilen graven en weer dichtmaken’ [1410; MNW].
Os. (bi)graƀan ‘begraven’; ohd. graban ‘graven’ (nhd. graben); ofri. greva (nfri. grave); oe. grafan ‘graven, graveren’; on. grafa ‘(be)graven, graveren’, ozw. grava/græva (nzw. gräva); got. graban; < pgm. *graban-.
Buiten het Germaans slechts Balto-Slavisch: Litouws grebti ‘bijeenschrapen, harken’, Lets grebt ‘schrappen, uithollen’; Oudkerkslavisch greti (1e pers. ev. grebǫ) ‘graven’, po-greti ‘begraven’; deze zou op pie. *ghrebh- ‘krassen, schrapen’ (IEW 455) kunnen teruggaan, pgm. *graban- op pie. *ghrobh-. Aangezien deze wortel niet in andere takken van het Indo-Europees is geattesteerd, zou het ook om een substraatwoord kunnen gaan, zie ook → greb(be). Polomé 1986 ziet niet genoeg bewijs voor *ghrebh- ‘krassen, schrapen’ en op semantische gronden voelt hij niet voor aansluiting bij de wortels hrebh- en hreibh- ‘grijpen’, zie → grijpen.
Van de wortel van graven ook → gracht, → graf, → greb(be), → greppel en → groeve.
Een afleiding van dit werkwoord is het tot in het Vroegnieuwnederlands voorkomende zn. grauen ‘sloot, gegraven watering’, zoals reeds in onl. Bodegrauen ‘Bodegraven (Zuid-Holland)’ [1064; Künzel]; vnnl. grave [1599; Kil.]; ook Duits Graben ‘sloot, gracht, loopgraaf’.
In het Middelnederlands betekende graven vooral ‘begraven’ (meestal van lijken); voor de betekenis ‘in de grond spitten’ was → delven gebruikelijker.
begraven ww. ‘in de aarde bergen; in een graf leggen’. Mnl. dar leget die scat onder begrauen ‘daar ligt de schat onder begraven’ [1276-1300; CG II, Rein.E], begrauen was hi ... in dauids stad ‘hij werd begraven in de stad van David’ [1285; CG II, Rijmb.]. Afleiding van graven met het voorvoegsel → be-.
Lit.: Polomé 1986, 663

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

graven* [in de grond spitten] {oudnederlands gravan 901-1000, middelnederlands graven} oudsaksisch graƀan, oudhoogduits graban, oudfries greva, oudengels grafan (engels to grave), oudnoors grafa, gotisch graban; buiten het germ. lets grebt [uithollen], oudkerkslavisch greti [graven].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

graven ww., mnl. grāven, onfrank. gravan, os. graƀan, ohd. graban, ofri. greva, oe. grafan, on. grafα, got. graban ‘graven’. — lett. grebju, grebt ‘uithollen, krabben’, osl. pogreba, pogreti ‘begraven’ (IEW 455-6: idg. wt. *ghrebh). — Zie: graaf 2, gracht, graf, greb, greppel en groeve.

Voor de idg. wt. neemt men de betekenissen ‘krabben, graven’ aan; een bet. ‘harken’ blijkt o.a. uit lett. grâbju, grâbt, russ. grebú, grestí ‘harken’, lett. greblis ‘hark, steekbeitel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

graven ww., mnl. grāven. = onfr. gravan, ohd. graban (nhd. graben), os. graƀan, ofri. greva (owfri. grova), ags. grafan (eng. to grave “graveeren” e. a. bett.), on. grafa, got. graban “graven”, in sommige talen met een veel ruimer bet.-sfeer. Verwant met obg. greba̜, greti “(be)graven, roeien”, lett. grebju, grebt “uithollen, krabben”, misschien ook alb. kreh, geg. kref “ik kam, kaard”. Wsch. van een basis, die identisch is met de bij garf besproken basis gherē̆bh- “grijpen”. Oorspr. zal gherē̆bh- een heen en weer gaande armbeweging, zooals bij ʼt harken, hebben aangeduid; vgl. nog. russ. grebú, grestí, lett. grâbju, grâbt “grijpen, harken”, greblis “hark, steekbeitel”. Zie gracht, graf, greb, greppel, groeve.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

graven o.w., Mnl. id., Os. graƀan + Ohd. graban (Mhd. en Nhd. graben), Ags. grafan (Eng. to grave), Ofri.greva, On. grafa (Zw. gräfva, De. grave), Go. graban + Osl. grebą, Ru. grobŭ = graf, Lett. grebju = uithollen en misschien Gr. gráphein (= graveeren, schrijven).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

greven, ww.: knorren, kniezen, zeuren; janken. Vnnl. graven op iemand ‘iemand berispen, lastigvallen, zich beklagen’ (Kiliaan).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

greven (W), ww.: knorren, grommen. Vnnl. graven op iemanden 'iemand berispen, lastigvallen, zich beklagen' (Kiliaan). Vandaar zn. greef (G, W) 'knorrepot, brompot'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

grawe ww. Ook graaf.
1. Met die hande, pote of 'n werktuig in die grond delf. 2. Met die hande, pote of 'n werktuig in iets krap, omkrap. 3. Met 'n werktuig iets uit die grond haal.
Uit Ndl. graven (al Mnl.).
D. graben, Eng. (en)grave, Goties graban, Sweeds gräva.
Vgl. 2graaf, graf, grag, graveer.

2grou ww. (geselstaal)
Grawe.
Uit Ndl. grauwen (1682). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm grau.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

graven. Een veertienjarige scholiere uit Lisse gebruikt de verwensing graaf je eigen graf, dan hoef ik het niet voor je te doen! om haat en minachting uit te drukken. De betekenis is nog steeds heel hard en benadert die van ‘je kunt doodvallen’. → graf.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

graven ‘in de grond spitten, uithollen; (verouderd) graveren’ -> Duits gravieren ‘insnijden in metaal of steen’ <via Frans>; Deens gravere ‘insnijden in metaal of steen’ <via Frans>; Noors graveren ‘insnijden in metaal of steen’; Zweeds gravera ‘versiering aanbrengen in hard oppervlak’ (uit Nederlands of Frans); Frans graver ‘griffen, snijden’ Frankisch; Spaans grabar ‘graveren’ <via Frans>; Portugees gravar ‘graveren, insnijden, vormen; registreren’ <via Frans>; Baskisch grabatu ‘opnemen van geluid op plaat of band’ <via Spaans>; Bretons engravañ, engraviñ ‘griffen, snijden’ <via Frans>; Esperanto gravuri ‘gravure’ <via Frans>; Zuid-Afrikaans-Engels crow ‘spitten’ <via Afrikaans>; Negerhollands graav, graev ‘in de grond spitten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

graven* in de grond spitten 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1299. Die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in,

d.w.z. hij die een ander in het ongeluk wil storten, wordt dikwijls zelf daardoor getroffen; vgl. Rein. II, vs. 5683: Sulc pijnt seer om eens anders scade, ende loont hem selver al mit quade; mlat. effodit foveam vir iniquus et incidit illam of in foveam quam fecit ipse incidit (Werner 25; Journal, 145; Archiv. XIII, 383). Het spreekwoord, dat bij Campen, 96 (hy is in syn selfs cuyle ghevallen, die hy men anderen gegraeven hadde) wordt aangetroffen, is ontleend aan den Bijbel, waar het voorkomt in Spreuk 26, 27; Ps. 57, 7: Sy hebben een net bereydt voor mijne gangen, mijne ziele was nedergebuckt; sy hebben eenen kuyl voor mijn aengesicht gegraven: sy zijnder midden in gevallen; Psalm 7, 16: Hy heeft eenen kuyl gedolven, ende dien uytgegraven, maer hy is gevallen in de groeve [die] hy gemaeckt heeft; zie Zeeman, 337; Villiers, 70. De Romeinen zeiden in laqueos, quos posuere, cadunt (vgl. fr. qui tend un piège s'y prend le premier), terwijl Hesiodus, Werken en Dagen, 265 deze gedachte uitdrukt met de woorden: οι τ αυτω κακα τευχει ανηρ αλλω κακα τευχων; elders παγην ιστας εν παγη λεφθησει. Zie nog Wander II, 153: wer andern eine Grube gräbt, fällt selbst hinein; Mnl. Wdb. III, 2199; Harreb. III, 269; 270; Joos, 135; Van Moerk. 100 en Hooft, Ged. I, 256:

Die d' aerd', tot 's anders val, opwroeten,
Verraeden zelv' hun' eighe voeten.
Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ghrebh-2 ‘kratzen, scharren, graben’, (Nicht immer sicher von ghrebh- ‘ergreifen, rechen’ zu scheiden; mit ihm identisch?; siehe Persson Beitr. 728 A. 1).

Got. graban ‘graben’, aisl. grafa ‘Ornamente einkerben, graben, stechen’ (Plur. Prät. aisl. grǫfum auf ein Präsens grefa weisend, das altnorw. und aschwed. (græva) tatsächlich belegtist), ags. grafan ds., as. bigraƀan ‘begraben’, ahd. graban ‘graben, eingraben, gravieren’; afries. grēva schw. v. in ders. Bedeutg., ndl. groeven ‘rieseln, auskehlen’; Iterativ zu graban-: ahd. grubilōn ‘bohrend graben, durchwühlen, nachforschen’, mhd. grübeln ds.; got. grōba f. ‘Graben’, ags. grafu, aisl. grǫf f. ‘Grube, Grab’ (germ. *grabō); got. grōba f. ‘Grube, Höhle’, aisl. grōf ds., ahd. gruoba ‘Grube, Höhle, Schlund’ (germ. *grōbō); ags. græf n. ‘Graben, Grab’, afries. gref, as. graf, ahd. grab ‘Grab’; aisl. grǫptr m. ‘Gravierung, Grab, Begräbnis’, ags. græft m. ‘sculptura, caelatura’ (germ. *graftu), afries. greft f. ‘Gracht, Graben’ (germ.*grafti), nld. gracht ds., ahd. graft f. ‘monumentum, sculptura, caelatura’ (aber ahd. gruft ist volksetymologische Umbildung von gr.-lat. crypta);
lett. grebju, grebt ‘aushöhlen, mit dem Grabstichel eingraben’, greblis m. ‘Hohleisen, Schrapmesser’ (auch Rechen, s. unter ghrebh- ‘ergreifen’);
aksl. pogrebǫ, pogreti ‘begraben’, skr. grèbȇm, grèbsti ‘krallen, kratzen’, mit po- ‘begraben’, čech. (alt) hřebu, hřébsti ‘graben, begraben’, poln. grzebę, grzésć ‘kratzen, graben, begraben’; schwundstufig slav. *grьběti in ačech. hřbieti ‘begraben liegen’, heute pohřbiti ‘begraben’; Iterativ aksl. pogrěbati, gribati ‘begraben’, russ. pogrebátь ds., skr. (alt) zagribati ‘verscharren’, čech. hrěbati ‘Vorwürfe machen, tadeln’, poln. grzebię, grzebać ‘scharren, striegeln, kratzen’, mit po- ‘begraben’; ksl. grebenь ‘Kamm’, russ. grébenь ds., skr. grȅbȇn ‘Stachel, Krämpel, Bergrücken’, čech. hřeben ‘Kamm, Hechel’, poln. grzebień ds.; aksl. grobъ ‘Grab’, skr. grȍb (Gen. grȏba), čech. hrob, russ. grob (Gen. gróba).

WP. I 653 f., Trautmann 96.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal